Hartje zomer 1650: stadhouder Willem II belegert Amsterdam met verrassingsaanval

In de zomer van 1650 trok een legermacht van stadhouder Willem II op naar Amsterdam om de stad met geweld in te nemen en zijn opponenten, de steenrijke Bickers, te laten arresteren. Door een toeval hoorde het stadsbestuur het op tijd en werd de stad in allerijl in gereedheid gebracht. Duizenden gewapende soldaten en matrozen wachtten Willems troepen op...

De militaire actie van Willem II tegen Amsterdam kwam niet uit de lucht vallen. Zijn vader, Frederik Hendrik, had het al geregeld aan de stok met de Hollandse stadsbestuurders. In Amsterdam hadden de rijke Bickers en aanverwante regentenfamilies de touwtjes stevig in handen. Ten gunste van de handel en scheepvaart pleitten ze voor een bestand met Spanje. Legeraanvoerder en stadhouder Frederik Hendrik wilde die oorlog juist voortzetten en definitief in het voordeel van de Republiek beslissen, liefst door de havenstad Antwerpen te veroveren. De Amsterdammers vreesden echter dat dan de blokkade van de Schelde zou worden opgeheven, waardoor de oude Vlaamse handelsconcurrent nieuwe kansen kreeg. Die twistappel tussen Frederik Hendrik en Amsterdam verdween in 1646. Na een laatste mislukte poging Antwerpen in handen te krijgen, koos ook de moegestreden, oude en jichtige stadhouder voor de vrede met Spanje. Een jaar later overleed hij, in 1648 werd de Vrede van Münster getekend.

Willem volgde zijn vader op als stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Overijssel, Gelre, Groningen en Drenthe. Stadhouder in Friesland was zijn achterneef, Willem Frederik van Nassau-Dietz, die in zijn dagboek openhartig schreef over zijn zaadlozingen, drankzucht en soa’s maar ook over zijn pogingen om in een goed blaadje te komen bij ‘baes’ Willem II. Bijvoorbeeld door hem te overladen met complimenten en – meer concreet – door zijn eigen netwerk van trouwe Friese regenten beschikbaar te stellen. Die aanpak had succes, want de Fries kreeg een aanstelling als ‘meester-generaal’ van de artillerie.
 

Willem II, 1651 door Gerard van Honthorst. Rijksmuseum Amsterdam.

 

Baas Willem zelf stond als kapitein-generaal aan het hoofd van alle Staatse troepen. De in 1648 uitbundig gevierde vrede met Spanje betekende een bedreiging voor zijn machtsbasis. Willem wenste daarom hernieuwde deelname aan de oorlog: Frankrijk, de bondgenoot van de Republiek tegen Spanje sinds 1635, vocht immers door. Daarnaast wilde de stadhouder ingrijpen aan de overkant van de Noordzee, waar zijn schoonvader, de Engelse koning Karel I Stuart, in 1649 was onthoofd door de republikeinen en waar de Cromwelliaanse protestanten een puriteins schrikbewind hadden gevestigd.

Douceurtjes en nepnieuws
Voor het herstellen van de Stuarts, zijn eigen monarchale pretenties én het bestrijden van Spanje had de Oranjestadhouder tienduizenden manschappen nodig. De Staten van Holland, aangevoerd door Amsterdam, stuurden de Staatse troepen nu de oorlog voorbij was echter snel naar huis. Willem probeerde de invloedrijkste Hollandse regenten op andere gedachten te brengen door ze in de watten te leggen met geschenken, gratificaties en ambten. Zo kreeg de Gerard Andriesz (‘de Dikke’) Bicker als douceurtje het drostambt van Muiden. 

Desondanks bleven de Bickers voorstanders van troepenreductie. Willem voelde zich gekrenkt door zoveel ondankbaarheid, en toen de Staten van Holland in juni 1650 hun betaling aan een aantal legeronderdelen staakten, was de maat voor hem vol. In de Staten-Generaal wist de stadhouder een besluit los te peuteren voor een ‘bezending’: bijgestaan door vierhonderd militairen zou hij langs de dwarsliggende stadsbesturen gaan om ze op andere gedachten te brengen. In Amsterdam weigerde de vroedschap hem audiëntie te verlenen. Een gezamenlijke maaltijd sloeg de prins daarop af, omdat hij ‘niet en konde eeten met de geene die hem niet wilde hooren spreken’.

De ‘bezending’ was geen succes, precies zoals Willem II had verwacht. Teruggekeerd in Den Haag kon hij de Staten-Generaal berichten over de ‘beledigingen’ van de Amsterdammers. Hij begon een campagne om hen in een kwaad daglicht te stellen: in pamfletten werden ze weggezet als cryptokatholieke samenzweerders. Volgens gefingeerde documenten kregen de Bickers militaire hulp van het Engelse parlement, om hun politieke koers met geweld op te kunnen dringen. Nu had Amsterdam inderdaad een gezant naar Londen gezonden, maar slechts om de Hollandse maritieme belangen te behartigen. De stadhouder zelf kwam in de schotschriften uiteraard naar voren als de hoeder van de natie en van de gereformeerde religie.
 

Willem II deelde baantjes uit aan Amsterdamse regenten om hen te paaien. Ook iemand als de modebeluste Gerard Andriesz ('de Dikke') Bicker kreeg een bestuursfunctie, hoewel hij er allerminst happig op was. Hier is hij twintig. Portret door B. van der Helst, 1642, Rijksmuseum Amsterdam.

 

Tegelijk met de ‘nepnieuws’-campagne trok Willem II een noodplan uit de kast om Amsterdam op de knieën te dwingen. In het diepste geheim smeedde hij plannen om de stad met geweld in te nemen en om zijn Hollandse opponenten te laten arresteren. Zijn Friese achterneef was hierbij in een vroeg stadium betrokken: hij mocht de troepen aanvoeren. Wel stond de Fries volledig achter zijn ‘baes’, die het aanvalsplan had uitgedacht. Hij geloofde dat de ‘boef Bicker’ samen met collega-bestuurders, de Noord-Nederlandse katholieken en de Spanjaarden de macht zouden overnemen. Vandaar ook dat ze het Staatse leger wilden verzwakken door troepen af te danken! Willem Frederik hield rekening met een ongelukkige afloop van zijn militaire missie, maar was bereid te sterven voor het ‘vaederlant’.

Onneembare vesting
De militaire campagne van de beide stadhouders begon in de ochtend van 30 juli 1650. Zes politieke tegenstanders overgebracht naar staatsgevangenis Slot Loevestein. Tegelijkertijd stuurde Willem troepen naar de Wageningse heide, onder het mom daar een onschuldige wapenschouw voor zijn vrouw te organiseren. In werkelijkheid trokken deze manschappen in de nacht van 30 op 31 juli onder leiding van Willem Frederik op naar Amsterdam.

Er kwam een kink in de kabel: tijdens een hevig onweer verdwaalden verschillende ruiters in de buurt van Hilversum en een bode, onderweg van Hamburg naar Amsterdam, passeerde zo'n ronddolende afdeling cavalerie. Hij vertelde in Amsterdam over de troepenbewegingen aan burgemeester Cornelis Bicker, die terstond de vroedschapsleden bijeenriep. Om de stad te kunnen verdedigen namen ze meteen tweeduizend huursoldaten en duizend matrozen aan, bewapenden de schutterij en een contingent turfdragers met pieken en sabels. Ook zetten ze een deel van het omliggende platteland onder water door kaden door te steken en de sluizen open te zetten.
 

De aankomst van Willem II bij de hofstede Welna aan de Amstel tijdens de aanslag op Amsterdam, 31 juli 1650. Door Johannes Lingelbach, Rijksmuseum Amsterdam.

 

Met deze inundaties, de bewapende manschappen, de kanonnen op de wallen, de bruggen opgehaald en de poorten stijf gesloten was Amsterdam een onneembare vesting geworden. De verrassingsaanval was mislukt, maar het stadhouderlijke leger had de stad inmiddels wel omsingeld. Om uit die patstelling te komen, moesten de partijen onderhandelen. Willem II kwam daartoe uit Den Haag naar het legerkamp bij Amstelveen. Op 3 augustus kwam er een akkoord: de stadhouder trok zijn troepen terug en Amsterdam zou zich aan Willems militieplannen houden.

In een afzonderlijk artikel rekende de stadhouder af met de gebroeders Bicker. Ze moesten al hun regeringsambten neerleggen, dit tot opluchting van hun rivalen op het stadhuis, verenigd in de factie rond de familie Oetgens.

‘Onnosel, slecht en droevich’
Met het Amsterdamse akkoord op zak keerde Willem II opgetogen terug naar Den Haag. Hij had naar zijn idee de zege behaald, maar al snel bleek het een pyrrusoverwinning te zijn: blijvende invloed op de koers van de Republiek heeft de aanslag van 1650 niet gehad. Willem II had de samenstelling van de overige stadsbesturen ongemoeid gelaten. In de Staten van Holland bleven ze dan ook oppositie voeren tegen zijn oorlogsplannen. Opponenten én medestanders van de Oranjestadhouder hadden weinig begrip voor zijn gewelddadige ingreep en schilderden de aanval op Amsterdam af als een farce. Zo dacht ook de uitvoerder erover, achterneef Willem Frederik. Terugkijkend op het doldrieste aanvalsplan erkende hij dat dit ‘heel onnosel, slecht en droevich misluckte’.

De stadhouder had bovendien slechts korte tijd plezier van zijn overwinning. Drie maanden later, op 6 november 1650, overleed hij op 24-jarige leeftijd aan de kinderpokken. In Amsterdam maakten de burgemeesters zijn bestuurlijke ingrepen gauw ongedaan: de afgezette Bickers kregen hun functies terug, al hadden ze hun politieke macht grotendeels verloren. 

Woedend op Willem Frederik
Na Willems dood besloten de gewesten Holland, Zeeland, Utrecht en Gelre en Overijssel geen nieuwe stadhouder te benoemen. Friesland behield Willem Frederik, die zich voortaan ook stadhouder van Groningen en Drenthe mocht noemen. Willems zoon, de latere stadhouder-koning Willem III, kwam onder curatele van een aantal regenten. Toch bracht de aanslag van 1650 in Amsterdamse regentenkringen geen allesoverheersende afkeer van het Oranjehuis als zodanig teweeg. Er bestond vooral weerzin tegen oneigenlijke machtsaanspraken van de stadhouder. De nieuwe stedelijke machthebber, burgemeester Cornelis de Graeff, kon evengoed overweg met republikeinen, zoals raadpensionaris Johan de Witt, als met de stadhouderlijke partij, geconcentreerd rond de moeder en de weduwe van Willem II. In de ontvangsthal van het Herenlogement, waar de regenten hoog bezoek ontvingen en dineerden, hing zelfs een groot portret van stadhouder Frederik Hendrik. Van een openlijk vijandige houding tussen Amsterdam en Oranje was geen sprake meer.
 

Stadhouder Frederik Hendrik. Anoniem portret uit ca. 1665, Rijksmuseum Amsterdam.

 

Wel bleven de stadsbestuurders woedend op Willem Frederik. Ze beschouwden de Friese stadhouder ten onrechte als het brein achter de aanslag op hun stad. Sinds het overlijden van Willem II was zijn positie sterk achteruitgegaan. Door blinde navolging van zijn ‘baes’ had hij ‘veul vrunden verloren en mij veul vianden gemaeckt’, zoals hij schreef in zijn dagboek. En zijn grootste vijand was Amsterdam. Dat ondervond ook de waard van de Graeff Wilhelm van Frieslant, een herberg in de Kapelsteeg bij het Rokin. In 1654 lieten de burgemeesters diens uithangbord, voorzien van een ‘conterfeitsel’ van Willem Frederik, van zijn gevel verwijderen. 

Datzelfde jaar deden valse geruchten de ronde dat de Friese stadhouder een staatsgreep voorbereidde, met behulp van duizenden soldaten. Hij zou furieus zijn over het sluiten van de ‘Acte van Seclusie’: een geheime maar uitgelekte afspraak tussen de Staten van Holland en de leider van het Engelse Commonwealth, Oliver Cromwell, dat Holland Willem III nooit tot stadhouder zou aanstellen. 

Met de herinnering aan de aanslag van 1650 vers in het geheugen versterkten de stadsbestuurders de militaire verdediging, uit angst voor een boze Willem Frederik, en lieten forten bouwen in de Amstel. In 1657 werden ze gesloopt. Er was een grote liefdadigheidsinstelling in aanbouw. Daarvoor kon het stadsbestuur mooi de balken recyclen van de nu overbodige forten. Want van Oranjegevaar bleek niets.
 

Willem II was pas 24 jaar toen hij vlak na de aanval op Amsterdam overleed. Maar wie was deze jonge stadhouder eigenlijk? Wat spookte hij verder allemaal uit, en hoe behandelde deze puberprins zijn nog jongere echtgenote? Lees het in nummer 5 van Geschiedenis Magazine, vanaf 15 juli in de winkel!

 

Verder lezen?

  • S. Groenveld, De prins voor Amsterdam. Reacties uit pamfletten op de aanslag van 1650, Fibula/Van Dishoeck, 1967
  • Geert H. JanssenCreaturen van d emacht. Patronage bij Willem Frederik van Nassau (1613-1664), Amsterdam University Press, 2005

 

 Dit artikel verscheen eerder als ‘Stadhouder Willem II belegert Amsterdam’ in Geschiedenis Magazine 2020-6.

Delen: