Enkel monnikenwerk? Een deel van de manuscripten werd door vrouwen gekopieerd

Monnikenwerk - we gebruiken dit woord tegenwoordig nog als we willen verwijzen naar een klus die enorm veel geduld en toewijding vergt. De herkomst ervan slaat terug op de arbeid van consciëntieuze monniken in middeleeuwse kloosters die teksten kopieerden. Er was immers nog geen drukpers – die kwam pas in de 15de eeuw - dus het moest netjes met de hand. Maar waren het eigenlijk wel alleen monniken die de manuscripten overschreven? Nee. Ook nonnen hadden daar ook een aandeel in.

Het is een enigszins ruwe schatting. Wetenschappers vermoeden dat er tussen het jaar 400 en 1500 zo’n 10 miljoen manuscripten zijn geproduceerd in het christelijke gedeelte van Europa. Daarvan zouden volgens berekeningen zo’n 750.000 stukken bewaard zijn gebleven. Een groot deel van de manuscripten is door monniken in kloosters gekopieerd. Maar niet allemaal. Het is al enige tijd bekend dat ook vrouwen in bepaalde plaatsen en periodes als kopiist werkten, zowel binnen kloosters in scriptoria – waar boeken werden vertaald en/of overgeschreven - als daarbuiten in ‘wereldlijke’ werkplaatsen voor manuscriptproductie.

Er waren kloosters waarvan bekend was dat daar vrouwen manuscripten kopiëerden, waaronder het klooster in Chelles in Frankrijk. (Afbeelding: Afkomstig uit Dictionnaire raisonné de l’architecture française du XIe au XVIe siècle, van Eugène Viollet-le-Duc (1814-1879)
 

In de afgelopen decennia zijn er meerdere onderzoeken verricht naar kloosters voor vrouwen en de daar aanwezige scriptoria. Vaak beperkten deze onderzoeken zich tot een bepaalde regio, periode of kloostergemeenschap. Een schatting van het totale aandeel van vrouwelijke kopiisten  was er echter nog niet. Onderzoekers van de Universiteit van Bergen in Noorwegen deden statistisch onderzoek om antwoord te krijgen op die vraag.

Catalogus
De onderzoekers gebruikten als uitgangspunt de Benedictijnse catalogus, gemaakt door een groep monniken in het klooster van Le Bouveret in Zwitserland. Het is een inventarisatie van 23.774 manuscripten, geschreven tussen 800 en 1626. Hoewel de catalogus niet foutloos is, blijft het vooralsnog een van de meest uitgebreide verzamelingen die we kennen. Het is daarmee een goede bron om grote aantallen handschriften statistisch te analyseren.

Kopiisten in scriptoria. Afbeelding links: ca. 1456, portret van Jean Miélot, van Jean Le Tavernier, BnF. | Afbeelding rechts: pagina uit de Liber Floridus, 1120, Ghent University.
 

De catalogus bevat colofons. Colofons zijn korte teksten die – vaak, maar niet altijd - aan het einde van een manuscript werden toegevoegd. Daarin wordt onder meer de naam van de kopiist en/of opdrachtgever genoemd. Soms staat er ook een korte persoonlijke opmerking bij, die iets weggeeft over de persoon die het handschrift heeft gemaakt. Monniken omschreven zichzelf daarin bijvoorbeeld als ‘scriptor’, het Latijnse woord voor schrijver of auteur. Een vrouwelijke kopiist kon naar zichzelf verwijzen als ‘scriptrix’  (vrouwelijke schrijver) of als ‘soror’, wat zuster betekent. Op basis van die informatie in de colofons konden de onderzoekers van de Universiteit van Bergen nagaan welke manuscripten zeer waarschijnlijk door vrouwen waren gekopieerd.

De onderzoekers kwamen meer dan 200 sporen tegen van vrouwelijke kopiisten. Enkele voorbeelden van teksten in de colofons: ‘Scriptrix donetur in celis merces scribentis’ (vertaling: ‘Moge de schrijver haar beloning krijgen in de hemel’. Een voorbeeld in de spreektaal: 'Pytt got fur die screiberyn swester Appolonia Polanderijn’ (vertaling: ‘Bid tot God voor de schrijfster, zuster Appolonia Polanderin’. En tot slot: ‘Ego Birgitta filia sighfusi soror conventualis in monasterio munkalijff prope Bergis scripsi hunc psalterium cum litteris capitalibus licet minus bene quam debui, orate pro peccatrice´ (vertaling: 'Ik, dochter van Birgitta Sigfus, non in het klooster Munkeliv in Bergen schreef dit psalter met initialen, al ware ik niet zo goed als ik zou moeten zijn, bid voor mij, een zondaar).
 

Met name vanaf 1400 nam het aantal vrouwelijke kopiisten in de colofons van de onderzochte catalogus toe. De onderzoekers merkten op dat vanaf die periode ook een toename plaatsvond van het aantal handschriften in de volkstaal (in plaats van in het Latijn). Dat suggereert dat het groeiende gebruik om manuscripten in de volkstaal te vertalen en te kopiëren, mogelijk ook nieuwe kansen bood voor vrouwelijke kopiisten.

De ondergrens
De uiteindelijke conclusie uit de analyse: van de 23.774 manuscripten in de catalogus is 1,1% naar alle waarschijnlijkheid gemaakt door een vrouwelijke kopiist. Er zijn in totaal 254 vrouwelijke schrijvers gevonden (sommige manuscripten hadden namelijk meerdere namen van vrouwelijke kopiisten in het colofon). Bij dat percentage zit wel een belangrijke kanttekening. Onderzoekers geven aan dat dit de ondergrens is en dat het werkelijke aantal vermoedelijk hoger lag. Er zijn meerdere overwegingen die in gedachten gehouden moeten worden:

          -   Het was vaak op basis van de colofons nog niet duidelijk of de auteur een man of vrouw was;
          -   Het zou kunnen dat het minder gebruikelijk was voor vrouwen om hun eigen naam in het colofon
              te plaatsen;
          -   Het kan zijn dat vrouwen vaker kozen voor genderneutrale  termen om naar zichzelf te verwijzen,
              in plaats van het woord ‘scriptrix’;
          -   Soms schreven de schrijfsters wel hun naam op, maar niet in de colofons maar in de marges
              (en zodoende zijn die namen niet meegenomen in de catalogus of het onderzoek);
          -   Het kan zijn dat relatief meer manuscripten van vrouwen zijn verdwenen door de eeuwen heen.
              We weten immers niet precies wat er was en wat er is overgeleverd. Dit argument kan ook andersom
              werken: het zou kunnen dat er relatief veel manuscripten van vrouwelijke kopiisten bewaard zijn
              gebleven.

Kortom, zeer waarschijnlijk viel het werkelijke aandeel van vrouwelijke kopiisten hoger uit dan 1,1%, al kan dit dus nog niet met zekerheid gezegd worden. De statistische analyse heeft veel nieuwe vragen opgeroepen. Het wordt dan ook vooral gepresenteerd als een eerste stap voor verder historisch onderzoek.

De Gutenberg Bijbel. Het boek staat bekend als het eerste boek dat met de drukpers was geproduceerd door Johann Gutenberg rond 1450. Met de komst van de drukpers, nam de productie van handgeschreven manuscripten door kopiisten af. (Afbeelding: NYC Wanderer (Kevin Eng), via Wikimedia Commons)
 

En dan tot slot, nog een paar getallen. Als we uitgaan van 1.1% - op basis van de Benedictijnse colofon catalogus – en dit percentage doortrekken naar alle manuscripten (waarvan er, zoals eerder genoemd naar schatting 10 miljoen waren gemaakt) dan zou dat betekenen dat er (minimaal) zo’n 110.000 teksten werden gekopieerd door vrouwelijke kopiisten. 

Het hele artikel kun je teruglezen via: Ommundsen, Å., Conti, A.K., Haaland, Ø.A. et al. How many medieval and early modern manuscripts were copied by female scribes? A bibliometric analysis based on colophons. Humanit Soc Sci Commun 12, 346 (2025). https://doi.org/10.1057/s41599-025-04666-6


Verder lezen: een duik in de manuscripten
Manuscripten bieden een schat aan (historische) informatie. Wil je verder verdiepen in de wereld van middeleeuwse handschriften? In het artikel 'Middeleeuwse tips tegen alledaagse ongemakken' vertelt Tim Hertogh meer over de spreuken die gevonden zijn in de kantlijnen, kaften en lege pagina’s van manuscripten rond het jaar 1000. Ook lees je in het aankomende nieuwe nummer 4 van Geschiedenis Magazine meer over monniken die aan de hand van cirkels in manuscripten de toekomst voorspelden op basis van iemands naam.


Delen: