Waarom staan er zoveel 19de-eeuwse kloosters langs de grens?

Waarom staan er toch zoveel imposante 19de-eeuwse kloostergebouwen in het oosten van Limburg, Gelderland en Overijssel? Hier speelde Otto von Bismarck, de Duitse rijkskanselier sinds 1871, een belangrijke rol in. Hij bond de strijd aan met de machtige katholieke kerk, met name de jezuïeten. Die kochten vlak over de Nederlandse grens goedkope woeste gronden en stichtten er kloosters. Jan Brauer vertelt er meer over.

Otto von Bismarck was beducht voor de politieke macht van de katholieke kerk in de jonge, overwegend protestantse Duitse eenheidsstaat die hij uit de grond stampte. Hij voerde als kanselier van Pruisen de regie. Apotheose was de uitroeping van het keizerrijk in 1871 met de Pruisische koning op de troon als keizer Wilhelm I.

Kulturkampf
Om de macht van Rome in te perken, nam Bismarck vanaf 1870 een reeks antiklerikale maatregelen, beter bekend als de Kulturkampf. Zo eiste Berlijn inspraak in de benoeming van lokale pastoors en bisschoppen en verplichtte de overheid kandidaat-priesters om eerst drie jaar aan een Duitse universiteit te studeren. Er kwam ook streng toezicht op het katholieke onderwijs. Dat was vaak in handen van dependances van internationaal opererende kloosterordes. Vooral de invloedrijke jezuïeten werden aangepakt. Ze werden uit het Duitse keizerrijk verbannen, maar ook zo’n driehonderd nieuwe vestigingen van andere ordes werden verboden.

Spotprent getiteld 'Modus Vivendi' uit 1878 op Bismarck en paus Leo XIII die van elkaar verlangen dat de ander als eerste in deemoed de schoen van de opponent zal kussen – ze kruisten de degens in de Kulturkampf tussen de Duitse staat en de kerk. Tussen de gordijnen loert de katholieke politicus Ludwig Windthorst, een politieke vijand van de protestant Bismarck. (Afbeelding: Kladderadatsch, via Wikimedia Commons)
 

Opkopen van grond
Als reactie op de Kulturkampf kochten diverse Duitse congregaties eind 19de eeuw in Nederland goedkope woeste gronden aan bij de grens, en stichtten daar nieuwe filialen. Dat was dicht tegen het aanpalende Rijnland en Westfalen waar de inwoners overwegend katholiek waren, net als in de Nederlandse gebieden waar ze zich vestigden. In Glanerbrug verrees een enorm complex van de redemptoristen bijvoorbeeld vlak bij de grensovergang.

Er kwamen nieuwe kloosters in de Achterhoek en ook rond Nijmegen; Limburg kreeg er in korte tijd maar liefst 45 nieuwe ‘Duitse’ kloosters bij, zoals van de franciscanen in Kerkrade en Vlodrop. Clarissen en karmelietessen trokken uit Duitsland naar Roermond om onderwijs te verzorgen. Andere congregaties leverden missiezusters, wijkverpleegsters of vingen gehandicapten of weeskinderen op. In Steyl vestigden zich slotzusters, de Dienaressen van de Heilige Geest van de Altijddurende Aanbidding, waarvan intredende jonge novicen kozen voor een levenslang verblijf achter kloostertralies, in stilte biddend voor de wereld.

Niet ver van grensstad Venlo lag het Missiehuis in ‘kloosterdorp’ Steyl. De basis werd gelegd door de Duitser Arnold Janssen die hier in 1875 een missie-congregatie begon, en er kwamen steeds religieuze gebouwen bij. (Afbeelding: Gemeentearchief Venlo, nr. 01_6795.4).
 

Limburgse kastelen
Ook de door Bismarck zo gehate machtige jezuïetenorde vluchtte massaal naar Nederland. De paters vestigden zich in ’s-Heerenberg pal op de grens en betrokken leegstaande Limburgse kastelen in Exaten, Bleijenbeek en Wijnandsrade, die waren gehuurd of gekocht van bereidwillige katholieke adel. De jezuïeten bouwden daarnaast in 1893 in Valkenburg aan de Geul het imposante St. Ignatiuscollege, destijds het grootste gebouw in de provincie, een Collegium Maximum (theologische faculteit) voor driehonderd priesterstudenten compleet met sterrenwacht en gigantische bibliotheek.

In Steyl
Het dorpje Steyl, aan de Maas bij Venlo, op amper vier kilometer van de grens, groeide zelfs uit tot een heuse ‘Duitse’ kloosterenclave. In 1875 begon priester Arnold Janssen uit Goch er in een oude herberg met zijn eigen congregatie van het Goddelijk Woord, Societas Verbi Divini (SVD), gericht op missie in het verre buitenland. Al vier jaar later werd de eerste missionaris uitgezonden, naar China. Steyl groeide als kool en telde rond 1900 ruim duizend paters, broeders en zusters, die nagenoeg allemaal de Duitse nationaliteit hadden, evenals een groot deel van het leken-personeel in de keuken, tuin en werkplaatsen. In heel Limburg woonden en werkten in 1935 al circa vijfduizend Duitse kloosterlingen.

Op de foto uit 1925 zien we mannen van de afdeling van de H. Familie van O.L.Vr. in ’t Zand (een devote organisatie rondom een Mariabeeld te Roermond). Ze hadden een dagje uit naar Steyl. (Afbeelding: Nationaal Archief, Spaarnestad, nr. 7.000SPABB)
 

Banden met de Heimat
De Nederlandse liberale en protestantse pers was aanvankelijk niet zo happig op deze katholieke invasie en de minister van Buitenlandse Zaken vreesde politieke spanningen met de Duitse staat, maar de minister van Justitie, Theo, graaf van Lynden van Sandenburg, zag geen reden om de kloosters te weren. Er was ‘naauwlettend toezigt’ zo meldde hij bij de behandeling van de Rijksbegroting 1875-1876 aan de Tweede Kamer, en als zij zich rustig gedroegen, gunde hij hen ‘het genot der bekende Nederlandsche gastvrijheid’.

De tientallen grenskloosters met Duitse wortels in Limburg, Gelderland en Overijssel kenden tot 1914 een enorme bloei. Naast voornamelijk Duitse novicen trokken ze ook duizenden kinderen aan uit Westfalen en het Rijnland - en sporadisch uit Nederland - die in de schoolinternaten degelijk katholiek Duits onderwijs konden volgen. Dat bracht deze kloosters veel inkomsten. Naast nauwe economische banden met de moederhuizen in de Heimat bleef er veel sociaal contact over de grens, ook met familie. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog deed het vaderland een beroep op hen: honderden broeders en zusters uit deze kloosters dienden in Duitse veldlazaretten. Sommigen kozen voor het legeruniform en werden aalmoezenier of vochten aan het front.

Hakenkruisvlag
Na de machtsovername van de nazi’s in 1933 verdween de vanzelfsprekendheid waarmee kloosterlingen, scholieren en geld de grens passeerden. De nazistaat beschouwde de gesloten en omvangrijke kloosterwereld als ‘Kampftruppe’ van de paus, een elitekorps dat de katholieken continu moreel en materieel voedde en weghield van de ontluikende Germaanse Volksgemeinschaft - de protestantse kerken voegden zich min of meer naar de nieuwe orde of ontpopten zich zelfs als vurige ‘Germaanse Duitse Christenen’.

Na de machtsovername van de nazi’s in 1933 kregen de katholieke ordes het moeilijk. Propagandaminister Goebbels ontketende een hetze tegen deze organisaties en tegen het recht van de kerk om onderwijs aan te bieden. Dit had grote gevolgen voor de grenskloosters. Je leest er meer over in het aankomende nummer 1 - de eerste van het nieuwe jaar - van Geschiedenis MagazineAbonnees ontvangen dit nummer omstreeks 22 januari. Deze editie niet missen maar nog geen abonnee? Meld je aan vóór donderdag 8 januari, dan krijg ook jij dit nummer thuisgestuurd. Of haal het na verschijnen in de boekhandel of onze online webshop 

Delen: