Van aanmoedigers naar topspelers: vrouwen op de Olympische Spelen
Vrouwen waren aanvankelijk niet welkom op de moderne Spelen die in 1896 begonnen. Maar dankzij Alice Milliat en andere activisten kwam daar verandering in. Gijsbert Oonk brengt die evolutie in kaart.
De (zelfverklaarde) grondlegger van de moderne Olympische Beweging, Pierre de Coubertin (1863-1937), vond vrouwen ongeschikt voor zijn Spelen. Niet alleen trof hem de aanblik van sportende vrouwen als ‘het meest onesthetische tafereel dat menselijke ogen kunnen aanschouwen’, hij beschouwde ook de individuele ‘fysieke superioriteit’ en ‘gespierde mogelijkheden’ als de enige graadmeter van succes in competities. De ‘echte’ Olympische atleet was in zijn ogen van het mannelijke geslacht. Vrouwen mochten wél aanwezig zijn: om kampioenen te steunen en aan te moedigen. In 1912 betoogde hij: ‘De Olympische Spelen moeten voorbehouden zijn aan mannen (…) We moeten blijven proberen het volgende te bereiken: de plechtige en periodieke verheerlijking van mannelijke atletiek, met internationalisme als basis, loyaliteit als middel, kunst als setting en vrouwelijk applaus als beloning.’
Fysieke overbelasting
Artsen en pedagogen ondersteunden zijn visie, en beweerden dat sporten voor meisjes en vrouwen onwenselijk en ongezond was. Vrouwen zouden er minder aantrekkelijk uit gaan zien, het vrouwenlichaam zou niet bestand zijn tegen fysieke belasting en ze zouden geen kinderen meer kunnen krijgen.
Viering van hoogtepunten
Tijdens de eerste Moderne Olympische Spelen in 1896 in Athene deden inderdaad geen vrouwen mee. De volgende Spelen waren veelal onderdeel van de wereldtentoonstellingen, waarop landen zich presenteerden; centraal stonden de viering van wat in de afgelopen eeuw was bereikt en de promotie van de technologische en maatschappelijke ontwikkeling van de komende eeuw. Hier hoorden ook de ‘nationale sporten’ bij. Het was niet altijd duidelijk of de competities tijdens deze evenementen onderdeel waren van de Spelen of van de wereldtentoonstelling.
'Typische' vrouwensporten
In elk geval waren tijdens de tweede editie in 1900 in Parijs 22 van 997 sporters vrouw. Ze deden mee bij tennis, zeilen en andere bootraces, boogschieten, golf en croquet, waarbij nu eenmaal vaak gemengde teams bestonden. Het waren typische elitesporten die ook vrouwen beoefenden. Deze rijkere dames hadden meer bewegingsvrijheid en ook vrije tijd dan vrouwen uit lagere klassen, en kregen - net als mannen in hun omgeving - steeds meer belangstelling voor sport. Ook weigerden ze vaak te voldoen aan het ideaalbeeld van kinderen baren en voor man en kroost zorgen. Ze kregen de meeste kansen in sporten als tennis waarin ze samen met een mannelijke partner speelden zodat er toch nog controle was. Ook zeilen ging met gemengde teams. Boogschieten was als individuele sport ‘veilig’, evenals zwemmen en kunstrijden op de schaats, die er in 1912 op de Spelen in Stockholm bijkwamen. Deze laatste twee zouden bovendien de schoonheid en het vrouwelijke figuur benadrukken en konden dus door de beugel bij de sceptici.
Rugby en voetbal waren rond 1900 ook vooral een liefhebberij van de elite, maar teamsport was lang taboe voor vrouwen. Die gold als te ruw en hard en bovendien vonden veel mannen (en ook vrouwen) het fysieke contact, de botsingen en de felle gevechten om de bal onesthetisch en ‘niet vrouwelijk’.
Alice Milliat komt in verzet
Sommige historici noemen de visie van mensen als Coubertin, die na 1920 nog vele jaren weigerde meer onderdelen voor vrouwen open te stellen, typisch voor die tijd. Het patriarchale wereldbeeld was inderdaad dominant, maar er bestonden zeker mensen - óók mannen, zelfs binnen Coubertins Olympisch Comité - die in verzet kwamen tegen deze eenzijdige en traditionele kijk op de maatschappelijke rolverdeling. Een van de belangrijkste personen in dit verband is Alice Milliat (1884-1957), een felle en vasthoudende pleitbezorger van sport en gelijkheid voor vrouwen. Ze groeide op in Nantes als oudste van vijf kinderen. Haar passie voor sport werd gevoed door haar ouders, die tegen de tijdgeest in het idee omarmden dat fysieke activiteit van vitaal belang was voor het algehele welzijn.
Milliat ging actief strijden voor deelname van meer vrouwen aan de Spelen, nadat ze enthousiast op de tribune had gezeten bij de Intergeallieerde Spelen van 1919 in Parijs, een groot evenement dat kort na de Eerste Wereldoorlog werd gehouden op kosten van het Amerikaanse leger. Geallieerde militairen én verplegend personeel (waaronder vrouwen) konden deelnemen. Het werd gehouden in het Pershing Stadion dat speciaal hiervoor gebouwd was en de naam droeg van de hoogste Amerikaanse generaal tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Vrouwen organiseerden al langer hun eigen sportwedstrijden, op lokaal, nationaal en internationaal niveau, en Milliat vond het tijd worden om al die bestaande initiatieven wat meer te bundelen. Ze begon haar promotieactiviteiten bij de Fédération Sportive Féminine Internationale (FSFI), een organisatie die ze in 1921 mede oprichtte. Als eerste grote platform voor vrouwelijke atleten en hun prestaties organiseerde ze in dat jaar een vrouwenolympiade in Monte Carlo, een baanbrekend atletiekevenement dat deelneemsters van over de hele wereld trok.
De FSFI hield vervolgens in augustus 1922 de eerste Olympische Vrouwenspelen: de Jeux Olympiques Féminins vonden plaats in het Pershing Stadion. Er waren vijf landenteams aanwezig, uit de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Zwitserland, Tsjechoslowakije en gastland Frankrijk. Het publiek (meer dan 20.000 personen) zag in elf atletiekwedstrijden achttien atleten verschillende wereldrecords voor vrouwen breken. Milliat bleef nog tot in de jaren ’30 aparte vrouwenspelen organiseren, maar liet onder druk van het IOC de term ‘Olympiques’ vallen.
Dilemma
De vrouwen-Olympiade in Parijs werd breed uitgemeten in de media en was daarnaast een groot commercieel succes. Dit benadrukte het immense potentieel van de vrouwensport en Coubertin en de zijnen stonden voor een groot dilemma: óf meer disciplines openstellen voor vrouwen, óf accepteren dat er alternatieve spelen voor vrouwen zouden komen die niet onder hun organisatie zou vallen. Ze kozen uiteindelijk en met veel mitsen maren voor het eerste.
In Stockholm (1912) waren nog maar 48 van de ca. 2400 sporters vrouw, in 1920 (Antwerpen) 65 van de ruim 2600. Tijdens de Olympische Spelen in 1928 in Amsterdam mochten ze ook uitkomen bij atletiek en turnen, wat een aanzienlijke toename tot gevolg had: 277 van de 2883. De Poolse Halina Konopacka werd de eerste olympische atletiekkampioene.
Aan het einde van de 800 meter hardlopen probeerden enkele uitgeputte loopsters struikelend en vallend over de eindstreep uit alle macht nog een plaats op te schuiven in het klassement. Volgens deskundigen en toeschouwers leden de dames echter niet zozeer aan uitputtingsverschijnselen, maar lieten zij op deze wijze onsportief hun gevoelens over hun verlies de vrije loop. Dat kon natuurlijk niet! Het leidde tot een fikse discussie binnen het IOC over het nut en de noodzaak van vrouwenwedstrijden op de Spelen. De nieuwe IOC-voorzitter, de Belgische graaf Henri de Baillet-Latour, was er voor om die te elimineren, met uitzondering van turnen, zwemmen, tennis en schaatsen. Dit voorstel haalde het niet, wel werd de 800 m voor vrouwen geschrapt: te zwaar. Pas in 1960 kwam dat onderdeel terug, in Rome.
Team-, contact- en vechtsport
Amsterdam had nog een andere primeur: bij het turnen was er naast medailles voor de individuele disciplines (sprong, brug met ongelijke leggers, brug en kuur) ook een voor gymnastiekteams. Het taboe op teamsport werd dus voor het eerst doorbroken, maar nog wel voorzichtig, want bij turnen ontbreekt onderling fysiek contact. Dat was ook zo bij volleybal, dat vanaf 1964 op het programma van de Spelen in Tokio stond. Deze sport was aan eind 19de eeuw ontstaan als alternatief voor basketbal, dat als te grof en inspannend voor vrouwen gold. Men combineerde de bal van basketbal met het net van tennis, en het gebruik van de handen kwam uit handbal.
Het vooroordeel bij het IOC tegen contactsporten voor vrouwen was hardnekkig. Pas in 1976 kwam daar verandering in, nadat ze in Montreal mochten uitkomen in basketbal en handbal. In 1980 (Moskou) kwam hockey erbij, in 1996 voetbal en in 2020 rugby (respectievelijk Atlanta en Tokio).
Tegen vechtsporten bestonden ook bezwaren. Dit had vooral te maken met de doorgaans weinig verhullende kleding en het idee dat vrouwen tegen pijn ‘beschermd’ moesten worden. Daarnaast speelde de opvatting mee dat het kwetsbaarder vrouwenlichaam bij de ruwe vechtsporten meer te verduren had dan mannenlijven. Schermen werd al in 1924 (Parijs) een vast onderdeel van de Olympische Spelen voor vrouwen. Misschien omdat de vereiste outfit de armen en benen zedig bedekt, hoewel judo, waar dat ook voor geldt, er pas bijkwam in Barcelona in 1992. Dit terwijl Japanse vrouwen al judoden sinds eind 19de eeuw. Worstelen, gewichtheffen, boksen en taekwondo volgden in of na het jaar 2000.
Standbeeld
Dat was ruwweg tachtig jaar nadat Milliat in Parijs de Olympische tegenbeweging was gestart, en nog langer na de voetbaltoernooien die ze voor vrouwen had georganiseerd omdat ze het onzin vond dat ‘het zwakke geslacht’ niet zwetend en verre van sierlijk achter een bal aan hoorde te hollen. Sinds 8 maart 2021 (internationale vrouwendag) staat er terecht een standbeeld van haar in het hoofdkantoor van het Franse Nationale Olympische Comité. Ze is vormgegeven als een moderne sculptuur, terwijl buiten een traditioneel borstbeeld van haar tegenstrever Coubertin prijkt. Beide kunstwerken lijken niets met elkaar te maken te hebben. Dat is jammer, want ze zouden met elkaar in verbinding moeten staan. Beiden gaven de 21ste-eeuwse Olympische Spelen vorm.
Dit artikel verscheen in 2024 (editie 5) van Geschiedenis Magazine onder de titel: ‘Vrouwen mogen alleen aanmoedigen’.
Verder lezen
- David Goldblatt, The Games. A Global History of the Olympics, Pan Books, 2016
Delen: