Oostenrijkse Nederlanden in kaart gebracht

Op 10 december 1777 overhandigde graaf de Ferraris drie pakketten handgetekende en ingekleurde kaarten aan de Oostenrijkse keizer Jozef II. Daarmee was een huzarenstuk afgerond. Benieuwd naar de kaarten? Neem hier een kijkje!

Hoewel de geografie van de Oostenrijkse Nederlanden tegen het midden van de 18de eeuw vrij goed bekend was, ontbrak een systematisch overzicht van het grondgebied. Dat was weinig rationeel en efficiënt en werd onder invloed van de ideeën van de Verlichting steeds meer als een gemis beschouwd. Bovendien had keizerin Maria-Theresia militaire redenen om haar grondgebied goed in kaart te laten brengen. De Oostenrijkse Nederlanden vormden een daarbij ideaal beginpunt: het terrein was al vrij goed bekend, goed toegankelijk en strategisch gelegen aan de Noordzee.

De opdracht ging in 1764 naar graaf Joseph François de Ferarris, een hoge militair die het project liet uitvoeren door de begaafde ingenieur Leopold François Cogeur. Onder diens leiding trokken vanaf 1770 meer dan honderd artilleristen, landmeters, studenten en tekenaars-kopiisten door het land om alles op te meten en in te tekenen. 

In 1777 was het project voltooid en kon de Ferraris drie met de hand getekende en ingekleurde sets kaarten overhandigen aan de opvolger van Maria-Theresia, keizer Jozef II. Het ging om 275 kaarten van de Oostenrijkse Nederlanden én de aangrenzende prinsbisdommen Luik en Stavelot en het hertogdom Bouillon. De kaarten voor de keizerin, ook wel de ‘Kabinetskaarten’ genoemd, waren ongeveer 91 bij 141 cm groot hadden een uitzonderlijk grote schaal: 1:11.522; één centimeter stond voor 115,22 meter.

De 275 kaarten van een enkele set Kabinetskaarten staan op de website van de Koninklijke Bibliotheek van België.

Afdrukken van individuele Kabinetskaarten kunnen worden gekocht bij het Nationaal Geografisch Instituut van België.

Detail van de Ferrariskaart van Tournay, met diverse molens ingetekend (via Wikimedia Commons).
 
Galg

De  Kabinetskaarten boden een nauwkeurige weergave: iedere straat, elke parochiegrens, elke opmerkelijke plek, alle tuinen, kastelen, kustlijnen, waterlopen, verbindingswegen, huizenrijen, alleenstaande woningen, molens, kapellen, mijlpalen, hagen en zelfs galgen werden opgetekend. Informatie die voor militairen van pas kon komen, kreeg extra aandacht. Volgens de overlevering heeft de hertog van Wellington inderdaad de kaarten geraadpleegd voor de slag bij Waterloo tegen Napoleon. 

Een galg is via de website van de Koninklijke Bibliotheek van België te zien op bijvoorbeeld kaart 156, Heure. Op het bovenste deel van die kaart, iets rechts van het midden, staat daar een galg tussen het B(ois) D’Enville en Hau Ramezé (Hau betekent gehucht).

 

Voor de handel

Het is de vraag of de Ferraris zelf ook echt beter is geworden van het project. De subsidie die Maria-Theresia ervoor overhad, volstond niet. Aanvankelijk mopperde de graaf daarover, maar al snel zag hij een oplossing: naast de kaarten voor de keizerin besloot hij een eenvoudiger handelseditie uit te brengen. Deze ‘Carte Marchande’ – die een schaal kreeg van 1:86.400 – zou geen commercieel succes worden. 

Deze kaarten van de handelseditie zijn hier te bekijken op de Beeldbank van de Vrije Universiteit Amsterdam.

 

Verder lezen? Herman Clerinx vertelt over de werkwijze van de Ferraris en Cogeur in het septembernummer van Geschiedenismagazine  
 

Delen: