Hoe barmhartig was keizer Karel de Grote?

Het is een wijdverbreid idee dat het leven in de vroege middeleeuwen onbarmhartig hard was voor mensen aan de onderkant van de samenleving. In werkelijkheid bekommerden veel vooraanstaande Karolingische lieden zich in de 8ste en 9de eeuw wel degelijk om de sociaal en economisch zwakkeren. Ook keizer Karel de Grote lijkt daar werk van te hebben gemaakt.

Bisschop Theodulf van Orléans schreef rond het jaar 800 een gedicht: ‘U die over de armen waakt, behandel hen met de grootst mogelijke compassie, want weet dat zij van nature gelijk zijn aan uzelf. Het is niet hun status, maar een onrecht dat hen onder uw juk brengt, dat ervoor zorgt dat een mens onderworpen is aan een ander mens. Hun harde werk en afdrachten verrijken u, u bent in uw eentje rijker dan zij allen tezamen. Zoals grote rivieren groeien uit de samenkomst van kleine stroompjes, profiteert de rijke man van het werk van de arme.’

Morele plicht
Theodulf richtte zich in dit gedicht tot keizer Karel de Grote en zijn hovelingen. Het was zijn bedoeling dat het aan het hof voorgelezen werd - we weten helaas niet of dat ook is gebeurd, al kunnen we uit enkele bronnen opmaken dat het op zeker moment wel bredere bekendheid genoot. Theodulf herinnerde zijn tijdgenoten in andere dichtregels aan hun morele, juridische én christelijke plicht om de armen niet te onderdrukken maar juist te beschermen tegen uitbuiting en gerechtigheid te bieden. Hiermee sloot hij aan op Karels ambities, normen en waarden die we kennen uit de capitularia: de edicten in lijstvorm die de Karolingische vorsten uitvaardigden. Hun afgezanten (de missi dominici ) kregen deze voorschriften mee om bekend te maken in het hele rijk. We kunnen eruit opmaken dat Karel van zijn vertegenwoordigers eiste dat ze rechtschapen, eerlijk en onomkoopbaar waren, zeker in rechtszaken met betrekking tot de armen.

Schildering door Georg Sturm van Karel de Grote en Einhard. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam)
 

Vorsten en geestelijken lieten zich in hun geschriften over sociale rechtvaardigheid inspireren door de Bijbel en haalden er Romeins en Frankisch recht bij om het ideaal van caritas, aequitas en iustitia - barmhartigheid, rechtsgelijkheid en rechtvaardigheid - te vertalen naar praktische regels. Zo richtten ze zich op drie specifieke groepen die ook in de Bijbel een beschermde positie genoten: de armen, weduwen en wezen (die ook vaak arm waren overigens). Het Utrecht Psalter, een Karolingisch geïllustreerd psalmboek uit de jaren 820-30, toont in een afbeelding bij Psalm 111/112 hoe de Karolingen die rechtvaardigheid praktisch voor zich zagen.

Voor de behoeftigen
Was dit enkel geïdealiseerde barmhartigheid die niets met de werkelijkheid van doen had? Historici zijn het daar niet over eens, maar er bestaan zeker aanwijzingen dat de voorschriften echt werden nageleefd. Zo beschikten kerken en kloosters over armenhuizen en hospitalen waar ze behoeftigen, pelgrims en andere ‘vreemdelingen’ verzorgden. Daarnaast boden ze onderdak en bijstand aan mensen die onderdrukt of uitgebuit werden (het zogeheten kerkasiel) en zetten ze middelen opzij voor incidentele hulp aan bedelaars en noodlijdenden die niet tot hun vaste kudde behoorden maar toch bij hen aanklopten Een significant deel van de tienden die geestelijke instanties inden was voor armenzorg bestemd, weten we uit handboeken van Karolingische abten en kerkelijke concilieteksten.

17de-eeuwse prent van Jean Couvay, naar ontwerp van: Claude Vignon. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam)
 

De hulp aan armen rustte verder in de praktijk vooral op de schouders van de heersers en hun hoge edellieden, en ook zij lijken daar echt werk van te hebben gemaakt. Uit testamenten, biografieën en brieven weten we dat ze geld reserveerden voor het uitdelen van aalmoezen en het stichten van armen- en vreemdenhuizen. Toen in 779 een hongersnood uitbrak, gebood Karel de Grote zijn graven en vazallen om naar draagkracht geld te schenken zodat de zwakkeren eten konden krijgen.

Een arme boer en een rijkaard
Men besefte terdege dat de overheid een proactieve rol diende te spelen bij het handhaven van de barmhartigheidsregels. In het verslag van een in 829 onder Lodewijk de Vrome en zijn zoon Lotharius (toen beiden keizer) bijeengeroepen concilie van bisschoppen treffen we bijvoorbeeld een fictief gesprek tussen een armlastige boer en een rijkaard tijdens een hongersnood. De sluwe rijke man wilde de bedelende boer geen graan geven. Wel mocht hij het op de pof kopen tegen opgeblazen prijzen, zodat de rijkaard wanneer de hongersnood voorbij was wel drie of vier keer zoveel graan terug kon vorderen. Voor de helderheid: dat was het verkeerde voorbeeld volgens de bisschoppen. Ze adviseerden de koning, zijn goede ambtsdragers te belonen en de slechte hard te straffen, teneinde iedereen aan te sporen ware barmhartigheid te tonen. In datzelfde jaar nog volgden de keizers deze raad en kwamen met strenge maatregelen.

Zo spoorden ze hun missi dominici aan om actief de bredere bevolking binnen hun ambtsgebied te ondervragen om misstanden boven tafel te krijgen. Ook moesten ze hun eigen gezellen wijzen op hun plichten jegens God en keizer.

Smeekbedes
De onderdrukten en zwakkeren wisten op hun beurt de vorst vaak ook zelf te vinden. Op het einde van de 8ste eeuw klaagde een dienstmeid van Karel de Grote (we kennen helaas haar naam niet) in een brief aan hem, dat één van zijn eigen vertegenwoordigers haar samen met de lokale bisschop gedwongen had een erfenis te schenken aan de kerk van Tours. Zij smeekte de koning haar bij te staan. Ze beschikte namelijk over een beschermbrief van zijn hand, een oorkonde waarmee de koning aangaf haar en haar eigendom te zullen beschermen tegen kwaadwillenden - hij verstrekte die vaker, aan allerlei instellingen en personen. Bovendien, schreef ze, had ze hém deze erfenis willen nalaten. 

We weten helaas niet of Karel in dit geval, al dan niet uit eigenbelang, ingegrepen heeft, maar wel is er een verzameling aan keizerlijke oorkonden overgeleverd uit de tijd dat Lodewijk de Vrome op de troon zat, en die als voorbeeld moest dienen voor de kanselarij van zijn zoon, mede-keizer Lotharius. Veel van die oorkonden laten zien dat Lodewijk zeer begaan was met het lot van de zwakkeren. Zo vinden we hierin een model-beschermbrief voor een bedreigde weduwe. Ook zitten er oorkonden bij waarop een onrecht werd rechtgezet dat mensen door rechters of plaatselijke machthebbers was aangedaan; die hadden  zonder rechtsgrond hun bezittingen afgepakt en  hen in slavernij gebracht. 

Verder treffen we beschermbrieven voor Joodse handelaars uit Spanje aan. Het Karolingische rechtssysteem hanteerde in eerste instantie geen specifieke regels voor deze groep maar ze waren vanwege hun geloof en beroep wel het doelwit van discriminatie, uitbuiting en bekeringspogingen. Lodewijk sprak zijn bescherming uit en gaf de handelaars hun eigen status met bijbehorende rechten. Voortaan moesten bijvoorbeeld bij aanklachten tegen hen ook Joodse getuigen ingeschakeld worden, om een oneerlijk (antisemitisch) proces te voorkomen. Ook armen, weduwen, wezen en bepaalde kloosters en kerken kregen vanwege hun precaire of juist vooraanstaande posities het voorrecht om rechtszaken waarbij zij betrokken waren, enkel te laten beslechten nadat betrouwbare getuigen gehoord waren. 

Buste van Karel de Grote van ca. 1350. (Afbeelding: Florian B. Gutsch, via Wikimedia Commons)
 

Beperkingen
Werkten de maatregelen? De besluiten die aan het hof waren genomen, bleken soms op regionaal niveau moeilijk in praktijk te brengen. Fundamenteler is echter dat Karel de Grote en Lodewijk de Vrome weliswaar misstanden en uitwassen probeerden aan te pakken, maar nooit tornden aan de sociale en religieuze hiërarchie in hun rijk. Slavernij en andere vormen van onvrijheid (vroeger vaak samengevat onder de noemer horigheid) werden niet uitgebannen, er kwam geen algemene religieuze tolerantie, en er werden geen grootschalige bestaanszekerheidsprogramma’s uit de grond gestampt. Zelfs Theodulf van Orléans, die zo roerend sprak over de natuurlijke gelijkheid van alle mensen, nam in een later gedicht als vanzelfsprekend aan dat onvrijen een eigen, beperkte rechtspositie hadden. 

De vroegmiddeleeuwse aanpak van sociale onrechtvaardigheid had dus zijn beperkingen. Maar Karel de Grote en andere vroegmiddeleeuwse machthebbers namen wel degelijk hun verantwoordelijkheid, des te meer omdat zowel hun bisschoppen als de sociaal benadeelden zelf hen daar veelvuldig kritisch aan herinnerden. 

Dit artikel verscheen in nummer 1 van Geschiedenis Magazine in 2025 onder de titel: ‘Keizer Karel, u die over de armen waakt’.

Online verder lezen: Zelfs voor Karel de Grote was Europese eenheid een uitdaging
Karel de Grote wordt dikwijls de ‘Vader van Europa’ genoemd. De Frankische koning verdient deze titel omdat hij drie eeuwen na de ineenstorting van het Romeinse Rijk een groot deel van Europa weer onder één gezag wist te brengen. Hoe slaagde hij erin de vele veroverde gebieden en volkeren in zijn rijk te integreren? Je leest er meer over in het artikel van Robert Vlierman: 'Zelfs voor Karel de Grote was Europese eenheid een uitdaging'.
Delen: