Het Romeinse Rijk bleef altijd kwetsbaar

De Romeinen bewaakten hun grens, maar in het binnenland waren geen soldaten. Dit hoefde niet, dachten ze. Dankzij de ‘pax romana’ kon iedereen ongestoord rondreizen in hun immense gebied. Herman Clerinx legt uit dat de Romeinen er een vals gevoel van veiligheid aan ontleenden. Plunderaars wisten keer op keer de grenzen te passeren.

Als wij het over een ‘grens’ hebben, denken we aan een mooi afgebakende lijn tussen twee landen. Bij de Romeinen lag dat soepeler. Toen het Romeinse Rijk eind eerste eeuw zijn grootste omvang had bereikt en de Romeinen begrepen dat ze niet heel de wereld konden onderwerpen, begonnen ze met het vastleggen van hun rijksgrens, de befaamde Limes.

Symbolische grens
Zij beschouwden die als een overgangszone tussen hun gebied en dat van de barbaren. De Limes was niet bedoeld om iedereen buiten te houden. De imposante Muur van Hadrianus tussen Engeland en Schotland en de iets minder imposante palissade tussen de Rijn en de Donau vormden uitzonderingen. Meestal bestond de Limes uit een natuurlijk fenomeen zoals de Rijn in Nederland of de Sahara in Noord-Afrika. Zo’n barrière was goed herkenbaar maar kon relatief vlot worden overschreden.

De bekendste Romeinse grens: de muur in het noorden van Brittannië, in de 2de eeuw gebouwd door Hadrianus. (Foto: Steven Fruitsmaak, publiek domein via Wikimedia Commons)
 

Natuurlijk verdedigen de Romeinen hun Limes terdege, met bijvoorbeeld in Nederland om de zeven kilometer een fort en daartussen de nodige wachttorens. Maar dan nog was de grens niet waterdicht. Hier en daar liet de verdediging steken vallen en tevens bevatte de Limes openingen om mensen en verkeer door te laten. Dikwijls was de rijksgrens weinig meer dan een symbolische afbakening waarmee de Romeinen aangaven waar de beschaving begon dan wel eindigde. Het idee dat achter de Limes heel het Romeinse systeem school, met zijn goed georganiseerde gezag en zijn succesrijke leger, moest helpen om vijanden af te schrikken.

Beschaving belangrijker dan vrijheid
Over het algemeen pakte dat behoorlijk goed uit. Natuurlijk waren er schermutselingen maar dan traden de Romeinen kordaat op, desnoods buiten hun eigenlijke gebied. Trots en overmoedig sprak men over de pax romana, de ‘Romeinse vrede’: Rome had landen en volkeren veroverd, maar eigenlijk mochten die daar dankbaar voor zijn. Rome bracht immers vrede en beschaving, en dat woog ruimschoots op tegen het verlies van vrijheid. Voor het eerst kon een handelaar ongestoord van Schotland naar Perzië reizen, of van Voorburg naar Carthago.

De Bataven verslaan de Romeinen bij de Rijn. Door Otto van Veen (ca. 1600-1613) (Collectie Rijksmuseum Amsterdam)
 

Vanaf ongeveer het begin van onze jaartelling tot 160 kende het rijk een relatief vreedzaam bestaan. Weliswaar namen overwonnen volkeren af en toe de wapens op, zoals de Joden tussen 66 tot 74 of de Bataven in 69, maar dat waren incidenten die het Rijk slechts even beroerden.

Plunderaars steken de rijksgrens over
Omstreeks 160 kwam er onverwacht verandering. Uit Syrië waaide een epidemie van vermoedelijk de pokken over, die dodelijk om zich heen greep. Naar verluidt vielen alleen al in Rome ruim 2000 slachtoffers per dag. De economie begon te sputteren, het centrale gezag haperde en het leger raakte uitgedund. Vijanden zoals de Marcomannen in Bohemen voelden zich ineens dapper. In 166 staken ze de Donaugrens over en begonnen gretig te plunderen.

Krijger van het Germaanse volk der Marcomannen. Maker: anoniem, naar een prent van Cornelis Visscher (ca. 1712 – 1714) (Collectie Rijksmuseum Amsterdam)
 

Keizer Marcus Aurelius (161-180) kon hen terugdrijven, maar alleen ten koste van veel mensenlevens. Volgens antieke bronnen was de strijd tegen de Marcomannen de ergste die Rome ooit had gevoerd. Met slaven, gladiatoren en vreemde huursoldaten moest het leger weer op sterkte gebracht worden.

Speldenprikken
Tot in onze streken waren de gevolgen merkbaar. Omstreeks 170 overschreden plunderaars de Rijngrens en vielen andere rovers via de Noordzee binnen. Steden als Bavay, Doornik en Thérouanne werden tot de grond vernield. Ook ver landinwaarts en ver van de Rijn, in Tongeren, kunnen archeologen brandsporen uit die tijd aanwijzen.

Het waren meest speldenprikken van gelegenheidsrovers, die dorpen of steden leegroofden en vervolgens maakten dat ze wegkwamen. Dat hun dit lukte kwam doordat de Romeinse verdediging uitsluitend steunde op troepen bij de grens, maar in het binnenland geen soldaten telde. Als plunderaars de Limes wisten te passeren, lag het binnenland weerloos op hen te wachten.

De discipline verzwakt
Na de crisis van 160-180 krabbelde het rijk weer overeind. Steden als Tongeren en Nijmegen kregen een veilige stadsmuur, bij de Noordzee werd een rij forten gebouwd. Opnieuw wentelden de Romeinen zich in de droom van een welhaast eeuwigdurende vrede. En opnieuw bleek dat een misrekening. De periode van de soldatenkeizers brak aan: tijdens de derde eeuw riepen militairen een officier tot keizer uit, waarna die in Rome de troon ging opeisen. Met geweld probeerden troonpretendenten hun voorgangers en rivalen af te zetten.

Historische kaart van Nederland in de Romeinse tijd, met de Latijnse plaatsnamen (ca. 1636 en/of 1644-1680) door Pieter van der Keere (prentmaker) en Abraham Ortelius (cartograaf) (Collectie Rijksmuseum Amsterdam)
 

Tussen 235 en 285 speelde gemiddeld om het jaar iemand anders voor keizer. Bijna al de aandacht ging naar het veroveren en behouden van de keizerstroon, en nauwelijks naar het besturen van het rijk. Soldaten werden van de Limes weggeroepen om in Rome een keizer te helpen, anderen steunden in datzelfde Rome een tegenkandidaat. Andere legionairs werden na hun afzwaaien niet vervangen. Wie toch nog bij de Limes verbleef, stoorde zich niet langer aan de militaire discipline en plichten.

De Germanen komen
De gevolgen lieten zich raden. Vanaf 240 staken Germaanse plunderaars bij herhaling in oost en west de grenzen over. Rond 275 bereikten hun invallen over de Rijn het hoogtepunt. Een hele winter verbleven Germanen in het westen van het rijk, tot in Spanje toe. Overal grepen ze wat hun aanstond, bij voorkeur juwelen en goud, zilver en brons. Bij het verdelen van de buit braken ze voorwerpen uit tempels ongegeneerd in tweeën: het was hun puur om het edelmetaal te doen. Na hun strooptocht lieten ze menige nederzetting, tempel, villa of stad in lichterlaaie achter.

Pas vanaf 276 ebde de onrust enigszins weg. Keizer Marcus Aurelius Probus (276-282) bezat een iets sterkere machtsbasis dan zijn voorgangers en slaagde erin de Germanen terug te dringen. Hij achtervolgde hen tot over de Rijn en plunderde op zijn beurt Germaans woongebied.

Romeinen buiten beeld door nieuwe grenzenpolitiek
Rome had zijn les geleerd. Keizer Diocletianus (284-305) bleef lang genoeg aan de macht om het leger en de grensbewaking te kunnen hervormen. In het noorden van Gallië schiep hij een dubbel grenzensysteem: hij behield de Rijngrens maar legde in het binnenland, naast de weg van Keulen over Maastricht naar Boulogne, een tweede rij forten aan. De zone tussen de weg en de Limes gaf hij in bruikleen aan bevriende Germaanse stammen. Als vijanden nog ooit de Rijn zouden oversteken, moesten die de eerste klappen opvangen.

Voor onze streken betekende de nieuwe grenzenpolitiek een omwenteling. Terwijl rond de Moezel en in het centrum van Gallië de Romeinse beschaving voortbloeide en zelfs nieuwe toppen bereikte, verdwenen bij ons vanaf 300 de Romeinen steeds meer buiten beeld. Germanen namen het stokje over en de oudheid maakte geleidelijk plaats voor een nieuw tijdperk: de middeleeuwen. Het idee van duidelijke rijksgrenzen kon voor eeuwen worden opgeborgen.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Geschiedenis Magazine, jaargang 51 (2016), nummer 7.

 

Verder lezen:

Jona Lendering en Arjen Bosman, De rand van het Rijk. Romeinen en de Lage Landen, Athenaeum–Polak & Van Gennep, 2010

Jeroen Wijnendaele, Romeinen en barbaren. De ondergang van het Romeinse Rijk in het westen, Davidsfonds, 2013

 

 

Delen: