De onbekende slavernij in Oost-Indië

De slavernij in Suriname en de Antillen was niet uniek. Ook in Nederlands-Indië bestond ze, tot 1860. Ook hier werden eeuwenlang slaven wreed behandeld en afgebeuld. In de 17de eeuw waren het er zelfs meer dan in de West. Het gaat in totaal om ruim een miljoen mensen. Waarom behoort de Indische slavernij dan niet tot ons collectief geheugen, en de slavernij in de West wel? 

Er bestaat een schilderij dat heel treffend het verschil illustreert in omgang met het slavernijverleden in de Atlantische en de Aziatische wereld. Het hoort tot de collectie van het Rijksmuseum en is getiteld ‘Hollandse koopman met slaven in heuvellandschap’. We zien een ‘slavenhandelaar met zijn inlandse vrouw en twee slaven begeleid door drie bewakers’ lopen onder bomen. Toen het Rijksmuseum dit schilderij in 2005 aankocht, kwam het terecht in de categorie ‘West-Indië’. Het gaat om slavernij en slavenhandel, dus dat moet wel de Atlantische wereld zijn geweest. Toch? Niet dus. Nadere studie leerde dat het een Aziatisch tafereel is. Zomer 2015 heeft het museum de categorie veranderd. Het doek heeft nu als label ‘Oost-Indische Compagnie’. 

Het schilderij ‘Hollandse koopman met slaven in heuvellandschap’ (ca. 1700 – 1725) (Collectie Rijksmuseum Amsterdam)
 

Slavernij in Azië stond bekend als ‘mild’
Dat beelden die heel duidelijk het Aziatische slavernijverleden van Nederland tonen, als vanzelfsprekend ingepast werden in het Atlantische slavernijverleden, is niet zo vreemd. De slavernij in de West is immers veel bekender, bij het grote publiek en ook lange tijd bij historici. Daartegenover stond lange tijd vaag het beeld van de Aziatische slavernij als relatief mild: hier werkten de tot slaaf gemaakten immers rustig en beschermd als huisbedienden. Dit beeld is niet correct. 

Niet overal hetzelfde
Juist ook in de Indonesische archipel en rond Indische Oceaan werden mannen en vrouwen als handelswaar verkocht en gedwongen te werken in zware omstandigheden. Afrikaanse en vooral Aziatische slaven werden over lange afstanden verhandeld tussen oostelijk en zuidelijk Afrika, Zuid-Azië en Zuidoost-Azië. De slavenhandel verliep niet overal hetzelfde. Rond de Baai van Bengalen organiseerden slavenhandelaren grootschalige strooptochten en verkochten ze grote groepen krijgsgevangenen. In gebieden zoals Madagaskar kochten Europese en Arabische slavenhandelaren mensen van lokale koningen; zij waren tot slaaf gemaakt vanwege schulden of als straf voor een vergrijp. Slaven konden erg jong zijn. Van lokale Aziatische en Europese bewoners in Cochin in het zuidwesten van het huidige India kochten werknemers die op schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in de intra-Aziatische vaart voeren, jongens en meisjes in de tienerleeftijd met het doel hen voor winst weer te verkopen in plaatsen als Colombo en Batavia. 

Huisslavin Roosje, in Batavia getekend rond 1780 door Jan Brandes. Huisslaven hadden soms lichter werk, maar leefden wel onder zware druk door de constante nabijheid van hun meesters (m/v). Spanningen kwamen regelmatig tot uiting in gewelddadig protest, weglopen, zelfmoord of- verwonding en wrede straffen. (Collectie Rijksmuseum Amsterdam)
 

Mijnbouw
Slaven kwamen vervolgens terecht in een nieuwe omgeving waar zij de taal en gewoonten niet kenden. Ze werden behalve in huishoudens tewerkgesteld in economisch belangrijke sectoren waar zij productief werk deden, zoals in de specerijenproductie, op rijstvelden, in suikerbranderijen, op scheepswerven of het laden en lossen van schepen. In huishoudens sliepen vaak slaven op de keukenvloer of in de schuur. VOC-slaven verbleven in aparte ruimtes in het ambachtskwartier of op zolders van werkplaatsen. In de VOC-mijnen van Silida (Sumatra) werkten en leefden tezamen wel meer vijfhonderd mannelijke en vrouwelijke slaven geïsoleerd van de wereld met VOC-soldaten, enkele gevangenen en mijnbouwspecialisten.

Wreedheden op Nederlandse plantages
Het is opvallend dat over het werk en leven van slaven in Nederlands-Azië zo weinig geschreven is. Dit in tegenstelling tot de slavernij in de koloniale gebieden aan de andere kant van de wereld, in het Caribisch gebied en Suriname; deze Atlantische slavernij hield al vanaf de 17de eeuw zowel geleerden als het brede publiek bezig. Velen verdedigden het stelsel als economisch noodzakelijk en haalden de Bijbel erbij om hun opvattingen over door God bedoelde raciale verhoudingen te staven. Er waren echter ook predikanten en humanisten die zich al in de 17de en 18de eeuw soms scherp uitlieten over de slavernij in de West. De gruwelijkheden van het Atlantische slavernijsysteem werden al vroeg zichtbaar gemaakt in de beschrijvingen en afbeeldingen van criticasters als John Gabriel Stedman, die eind 18de eeuw in Suriname verbleef. Nog steeds worden afbeeldingen gebruikt uit zijn geïllustreerde reisverslag (1796) om te demonstreren hoe wreed het toeging op de Nederlandse plantages in de West. 

Afschaffingsbewegingen ook vooral aandacht voor Atlantische slavernij
De beweging voor afschaffing van de slavernij, die zich eind 18de eeuw vanuit Groot-Brittannië ontwikkelde en pas laat en voorzichtig navolging kreeg in Nederland, bediende zich ook primair van voorbeelden uit de Atlantische wereld, ook al bestreden de Britten de hándel in slaven begin 19de eeuw nadrukkelijk ook in Aziatische wateren. 

Vergeleken met deze aandacht voor de Atlantische slavernij bleef de veroordeling van de slavernij in Azië heel beperkt. Publicisten in Nederland noch in de Oost-Indische gebieden maakten veel woorden aan de slaven daar vuil. Zelfs de bekende criticus van Europese koloniale regimes in Azië, Jacob Haafner, die zelf voor de VOC had gewerkt, viel begin 19de eeuw vlijmscherp en trefzeker de gevolgen van zending en compagniebestuur in de Aziatische koloniën aan, maar noemde voor de slavernij toch alleen West-Indische voorbeelden. Wetenschappelijke aandacht is er pas zo’n dertig jaar voor. 

Bedrijfsgeheim
Er zijn historische omstandigheden die deze relatieve stilte rond de Aziatische slavernij verklaren, zoals het strikte geheimhoudingsbeleid van de VOC, die vanuit handelsbelangen informatiestromen zo veel mogelijk controleerde. Alle informatie uit Azië gold als bedrijfsgeheim. Dit had gevolgen voor het beeld van slavernij. Het nieuws dat slaven in 1782 na een grote opstand het VOC-schip Mercuur overnamen en vanuit Batavia wegvoeren, bereikte de Republiek bijvoorbeeld alleen in de vorm van vage geruchten, maanden later via opvarenden van een Deens schip. De Mercuur werd overigens in de Straat Sunda tot zinken gebracht. De meeste slaven bereikten land en wisten te ontsnappen.

Tot slaaf gemaakten aan het werk bij het Fort Batavia. Tekening door Dirk Langendijk, 1780 (Collectie Rijksmuseum Amsterdam)
 

Maar de geheimhouding is niet het hele verhaal. Ook in landen als Engeland en Frankrijk is van oudsher weinig aandacht voor de slavernij in voormalige Aziatische kolonies. Dit komt mede doordat de erfenis ervan in het Westen veel minder zichtbaar is. Het contrast met de Atlantische wereld is sterk. De strijd tegen racisme en raciale ongelijkheid hebben daar – mede dankzij emancipatoire bewegingen zoals die bijvoorbeeld ontstonden rond de Amerikaanse burgerrechtenstrijd – sterk bijgedragen aan de herkenbaarheid en het publieke bewustzijn van het Atlantische slavernijverleden.

Ook deze geschiedenis moet besproken worden
Ook in Nederland gebeurde dit. De slavernij in Suriname en de Antillen was vanaf begin 20ste eeuw uit het collectieve bewustzijn in Nederland weggezakt, en stond lange tijd ook niet hoog op de agenda van historici, maar geïmmigreerde nazaten hebben met toenemende kritiek vanaf de jaren tachtig de wetenschap geïnspireerd om dit pijnlijke onderdeel van het nationale verleden bespreekbaar te maken. Verschillende organisaties zetten zich actief in voor een publieke erkenning van de geschiedenis en de erfenis van de Atlantische slavernij.

Gelijkenis met Atlantische slavernij
Voor het grote publiek is slavernij nog altijd iets van de West, maar het begint in bredere kring door te dringen dat dit stelsel niet uniek was en dat Nederlanders elders ook slaven hielden en verkochten. Dit kan een knelpunt zijn. In de maatschappelijke en wetenschappelijke aandacht voor de erfenis van het Atlantische slavernijverleden is vaak gehamerd op het volstrekt unieke karakter ervan: de massaliteit van gedwongen verplaatsing, de scherpe raciale scheidslijnen en het harde, bijna industriële karakter zouden het Atlantische stelsel van slavernij vrijwel onvergelijkbaar maken, of tenminste zonder historische precedent. De stereotypen die daarbij ontstonden, marginaliseerden vaak andere slavernijgeschiedenissen. Vergeleken met het Atlantische systeem stelden die niet veel voor, was de redenering. Slavernij in de Oost kreeg kenmerken als ‘huishoudelijk’ en ‘mild’ terwijl slavernij in de West stond voor ‘plantages’ en ‘wreedheden’.

Nieuw onderzoek naar de slavernij wereldwijd en in het bijzonder naar de situatie in vroegmodern Azië ondergraaft deze claims. Wat in Suriname en de Antillen gebeurde, wás niet uniek en de oude karakterisering van slavernij in Azië als mild en marginaal blijkt niet meer houdbaar. Ook hier werkten vele slaven keihard om producten voor de wereldmarkt te maken. Ook hier was sprake van wrede mishandeling en had slavernij vooral ook een economische functie. Vergelijking met het Atlantische slavernijverleden kan juist heel verhelderend zijn. 

De ‘slaaf met pajong’ in Batavia, getekend door Jan Brandes. Brandes was een van de zeer weinigen in de 18de eeuw die het dagelijks leven in Indië vastlegde – dus ook dat van tot slaaf gemaakten. Hij woonde van 1779 tot 1786 in Indië. Hij hield zijn schetsboeken voor zichzelf. Het Rijksmuseum Amsterdam bezit ze inmiddels en publiceerde in 2004 de tekeningen in The world of Jan Brandes, red. Remco Raben en Max de Bruijn (Waanders Publishers).  
 

Samenleving vs. wetenschap
Niet iedereen lijkt bereid om de ‘Atlantische oogkleppen’ af te doen. Er is daarbij een opvallend contrast tussen samenleving en wetenschap. Maatschappelijk betrokkenen rond het Atlantische slavernijverleden stellen zich anders dan je misschien zou verwachten juist heel erg open op ten opzichte van deze nieuwe ontwikkelingen. Organisaties zoals Stichting Stil Verleden, dat de kennis over de slavernijgeschiedenis in Nederland wil vergroten, lopen zelfs voorop om een brug te slaan tussen het Atlantische en Aziatische slavernijverleden. Historici zijn echter minder bereid tot verandering en zijn verdeeld. Sommigen blijven het Aziatische slavernij marginaliseren, maar er zijn ook specialisten in het Atlantische slavernijverleden die juist nieuw onderzoek naar de Aziatische slavernij aanmoedigen. 

Herziening zal niet vanzelf gaan
Meer kennis van de Aziatische slavernij betekent ook een beter inzicht in de plaats van slavernij en onvrijheid in de Nederlandse geschiedenis in bredere zin. Het idee dat het slavernijverleden van de Republiek amper sporen nagelaten heeft, was al onderhevig aan revisie. Nieuw onderzoek op het gebied van de Surinaamse en Caribische slavernij en naar de Atlantische handelsstromen hebben dit in gang gezet. Het recente onderzoek naar de slavernij in de Oost, die grootschaliger was dan voorheen gedacht, is aanleiding om deze herziening door te zetten. Dat zal niet vanzelf gaan. Maar het is wel degelijk mogelijk. Dit bewijst het verhaal van het schilderij van de ‘Hollandse koopman met slaven’ dat dankzij nieuwe inzichten en discussie na jaren van ‘West’ naar ‘Oost’ is verhuisd.

Dit artikel verscheen eerder in Geschiedenis Magazine, jaargang 51 (2016), nummer 1.
 

Verder lezen:

Richard Allen, European Slave Trading in the Indian Ocean, 1500–1850, Ohio University Press, 2015

Reggie Baay, Daar werd wat gruwelijks verricht. Slavernij in Nederlands-Indië, Athenaeum-Polak&Van Gennep, 2015

Remco Raben en Ulbe Bosma, De oude Indische wereld 1500-1920, Bert Bakker, 2003

Delen: