De langere koloniale geschiedenis van hiv en aids
Hiv en aids staan (nog steeds) vooral bekend als het virus en de ziekte die in de jaren 1980 en ’90 onder homo’s rondgingen en daar veel slachtoffers maakten. Uit recent onderzoek blijkt echter dat het Human Immunodeficiency Virus (hiv), dat dit jaar veertig jaar geleden officieel als term werd gemunt, veel ouder is en veel bredere groepen trof. De koloniale overheersing en programma’s voor de bestrijding van tropische ziekten in vroeg 20ste-eeuws Centraal-Afrika hadden hierbij een belangrijke rol.
Componist Thomas van Dun kreeg tien jaar geleden te horen dat hij hiv in zich droeg, het virus dat aids veroorzaakt. Dat is al lang geen doodvonnis meer. Van Dun verbaast zich echter over de maatschappelijke omgang met hiv en aids. In een interview met journalist Robbert Blokland voor diens onlangs verschenen boek Live to tell, over de geschiedenis van hiv en aids in Nederland, zegt hij: ‘Altijd alleen maar die oude beelden uit de jaren ’80 en ’90 die in ons collectieve geheugen gegrift staan. Het lijkt alsof daar helemaal niets anders tegenover is komen te staan.’
Wie de hernieuwde publieke belangstelling voor hiv en aids van de laatste jaren een beetje heeft gevolgd, kan Van Dun moeilijk ongelijk geven. In 2017 verscheen de Franse film 120 BPM, over het aidsactivisme van het uit de Verenigde Staten overgewaaide actiegroep ACT UP in de jaren ’90. In 2021 volgde de Britse serie It’s a Sin, waarin een woon- en vriendengroep van vijf (overwegend homoseksuele) studenten wordt getroffen door aids. In de zomer van 2024 presenteerden Randy Vermeulen en Maurits de Bruijn de VPRO-podcastserie En niemand bleef onaangeraakt, waarin aids weliswaar vanuit verschillende perspectieven werd belicht, maar met het persoonlijke verhaal van twee homomannen uit de jaren ’90 als leidraad.
Het is belangrijk dat deze verhalen worden verteld, vooral omdat de publieke belangstelling voor de persoonlijke verhalen rondom aids lange tijd gering is geweest. Toch wringt er iets. Want wordt aids, door de bijzondere aandacht voor de jaren ’80 en ’90, niet tóch weer onbedoeld die ‘homoziekte’, gewoon omdat homoseksuelen in die jaren de meest zichtbare slachtoffergroep waren?
De vraag klemt des te meer omdat epidemiologen en microbiologen al enkele decennia vermoeden dat aids al ongeveer honderd jaar onder mensen rondgaat, en pas in een laat stadium bij homoseksuelen terechtkwam. Veel van hun onderzoek werd samengebracht in de enkele jaren geleden herziene, gezaghebbende synthese The Origins of AIDS van de microbioloog Jacques Pépin. Wat vertelt dit boek ons over de oorsprong van aids, en hoe verhoudt die kennis zich tot het eendimensionale beeld van aids als homoziekte?
Kopieerfoutjes
Genetisch onderzoek vormt vandaag de dag de voornaamste bron van kennis over de herkomst van hiv en aids. Onderzoekers bestuderen de genetische code van hiv, dat uit ongeveer 10.000 bouwblokjes (nucleotiden) bestaat. Nucleotiden bestaan weliswaar slechts in vier varianten, maar met die vier varianten zijn eindeloze combinaties te maken die samen de genetische code van een virus vormen. Wanneer een virus overspringt door zich te kopiëren, maakt het kleine kopieerfoutjes. Dankzij deze foutjes veranderen (muteren) virussen, en door dit mutatieverloop nauwkeurig te bestuderen, kunnen onderzoekers de herkomst van een virus min of meer traceren.
Onfeilbaar is deze methode niet, want onderzoekers redeneren op basis van waarschijnlijkheid, niet op basis van waarneming, en dus is circumstantial evidence cruciaal om vermoedens over de herkomst van aids te bevestigen. In 1989 werd in het West-Afrikaanse Gabon voor het eerst een chimpansee met hiv aangetroffen, en al snel bleek de chimpanseepopulatie in een aantal nabijgelegen gebieden breed besmet. Onderzoekers vermoeden inmiddels dat het virus al enkele honderden jaren onder chimpansees rondgaat, maar waarschijnlijk pas ergens tussen 1884 en 1933 onder mensen verspreid is geraakt, wellicht na bloedcontact tijdens de jacht.
Oude medische vriezers
Dat hiv als virus levensvatbaar werd onder mensen, is eigenlijk een klein wonder. Hoewel het virus onder meer via onbeschermde seks wordt overgedragen, is de kans op besmetting in vergelijking met veel andere virussen klein. Chimpansees, die het ongeveer achthonderd keer met elkaar moeten doen om één nakomeling te verwekken, en bovendien seks hebben met veel verschillende partners, zijn aanmerkelijk kwetsbaarder voor een infectie dan mensen. Toch kwam hiv onder mensen in omloop, vrijwel zeker in een gebied waar chimpansees en mensen met elkaar in aanraking konden komen, en waar de verdere omstandigheden voor de verspreiding van het virus gunstig waren.
Zoekend naar zo’n locatie kwamen onderzoekers al snel uit in Centraal-Afrika, waar hiv veel rondging. Pépin haast zich te zeggen dat het aantal besmettingen op zichzelf weinig zegt over de herkomst van een virus, want dat kan zich soms ook in korte tijd verspreiden. Worden er echter in één gebied ook veel virusvarianten aangetroffen (wat wijst op mutaties, die zich alleen in de loop der tijd ontwikkelen), dan is dat wél waarschijnlijk dat een virus al langere tijd in de regio rondgaat. Dat bleek vooral in Congo het geval. Toen bij het uitruimen van oude medische vriezers in de Congolese hoofdstad Kinshasa twee bloedmonsters uit 1959 en 1960 werden ontdekt waarin het hiv-virus was aangetroffen, was dat een sterke indicatie dat men op het goede spoor zat.
Kernvraag bleef: waarom werd hiv juist in deze regio levensvatbaar onder mensen? Dat lijkt te maken te hebben gehad met de strijd tegen tropische ziektes die onder andere Frankrijk en België in de jaren 1910 en 1920 in hun West en Centraal-Afrikaanse koloniën voerden. De plaatselijke bevolking kreeg massaal via naalden medicijnen toegediend. De naalden daarvoor werden indertijd hergebruikt, vermoedelijk vrijwel altijd zonder tussentijdse reiniging. Via naalden verspreidt hiv zich ongeveer tien keer gemakkelijker dan via seks.
Neem de Franse koloniale arts, Eugène Jamot, die in de jaren twintig kosten noch moeite spaarde om in de Franse kolonie Kameroen de strijd aan te binden met de daar heersende, dodelijke slaapziekte. Jamot hield zijn administratie goed bij. Tussen 1917 en 1919 onderzocht hij 89.743 individuen. Hij stelde 5347 gevallen van slaapziekte vast, en behandelde zijn patiënten met slechts zes naalden. Onomstotelijk bewijs is er niet, maar epidemiologen vermoeden sterk dat hiv tijdens deze campagnes van massa-inentingen onder mensen verspreid is geraakt in Centraal-Afrika, en dat het virus vervolgens zijn weg heeft gevonden naar de hoofdstad van het destijds door België gekoloniseerde Congo.
In het aankomende nummer 3 van Geschiedenis Magazine belicht Bram Mellink de geschiedenis van hiv en aids, vanaf massainentingen in de koloniale tijd tot nu. Abonnees ontvangen dit nummer omstreeks 16 april. Dit nummer niet missen maar nog geen abonnee? Meld je aan vóór donderdag 2 april, dan krijg ook jij dit nummer thuisgestuurd!
Delen: