Leven in bittere kou: de Kleine IJstijd in de Nederlanden

Twee eeuwen geleden, in 1823, was de gemiddelde temperatuur in Nederland in januari zeven graden onder het vriespunt. Kouder is hier nooit gemeten. Het is misschien moeilijk voor te stellen gezien de huidige opwarming van de aarde, maar de periode die we de Kleine IJstijd noemen, ligt niet zo ver achter ons. Adriaan de Kraker neemt ons mee terug.

Ons klimaat is geen stabiel natuurlijk systeem. Het is niet alleen aan kortetermijnschommelingen onderhevig, maar verandert ook na verloop van tijd. IJstijden (glacialen), waarbij de ijskap zich naar het zuiden uitbreidde, werden gevolgd door warmere perioden. Zo was het tijdens de hoge middeleeuwen (ca.1000-1250) tamelijk warm en konden er in de Nederlanden druiven geteeld worden, maar dit begon in de 14de eeuw te veranderen. Rond 1320 was het enige jaren heel slecht weer, waardoor de oogsten mislukten, met hongersnood in Engeland en Frankrijk tot gevolg. De pest leidde vervolgens tot de dood van ruim een derde van de reeds verzwakte bevolking.

Aert van der Neer, Riviergezicht bij winter (ca.1654). Bron: Rijksmuseum Amsterdam (public domain)
Aert van der Neer, Riviergezicht bij winter (ca.1654). (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam (public domain)

 

Het begin van de Kleine IJstijd
Sommige onderzoekers zien hier de eerste tekenen van het afkoelen van het klimaat: de Kleine IJstijd. Anderen laten deze begin 15de of zelfs 16de eeuw pas beginnen, onder andere omdat de Vikingen rond 1410 hun nederzettingen op het steeds kouder wordende Groenland verlieten. Het KNMI neemt 1430 als beginpunt van de Kleine IJstijd, maar licht dit verder niet toe. Wel heeft Jan Buisman voor zijn omvangrijke Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen (deel 2) uitgezocht dat er op 1430 vier bitter koude winters volgden.

Alle onderzoekers zijn het erover eens dat de Kleine IJstijd, wanneer die ook precies begon, van de 16de eeuw tot in de 19de eeuw het weer in Europa beheerste. Wat maakt deze periode tot een Kleine IJstijd? Onderzoekers hebben aan de hand van de gemiddelde jaartemperatuur en het verloop daarvan over een aantal eeuwen vastgesteld dat er het tussen circa 1560 en eind 18de eeuwen kouder was dan ervoor en erna, én dat er drie erg koude subperioden waren, de zogeheten Grindelwald Fluctuation (1560-1630), het Maunder Minimum (circa 1650-1720) – vermoedelijk het koudste – en de laatste decennia van de 18de eeuw.

IJsschotsen bedreigen de dijk en de molen van Gorinchem, 20 februari 1799. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam)
 

Waarom was het zo koud?
Waarom deze relatief kouder waren is moeilijk te zeggen. Gewezen kan worden op een lichte afwijking in de baan die de aarde om de zon maakte, verminderde zonneactiviteit en vulkaanuitbarstingen die as de atmosfeer inbliezen waardoor er minder zonlicht de aarde bereiken kon. Berucht is het jaar zonder zomer, 1816, na de uitbarsting van de Tamboravulkaan op Sumbawa in 1815. De impact van zulke enorme uitbarstingen is groot, maar in feite beperkt tot een temperatuurdaling gedurende enkele jaren: een vele decennia durende periode kunnen ze niet verklaren.

Jaarringen en metingen
Om de gemiddelde jaartemperatuur vast te stellen worden de jaarringen van eiken bekeken - die vertonen het duidelijkst allerlei signalen - en boringen in de ijskap leveren stalen op waaruit met behulp van bepaalde chemische waarden een lange temperatuurreeks kan worden gereconstrueerd. Donkerder laagjes verraden overigens de neerslag van vulkanisch as, bijvoorbeeld uit 1816. Ook zijn er in Nederland vanaf 1707 temperatuurwaarnemingen genoteerd, vaak in en rondom Amsterdam. Dit gebeurde in combinatie met metingen van de waterstand, windkracht en windrichting, want het ging hierbij vooral om het vaststellen van het juiste moment voor de waterlozing vanuit de Amstel op het IJ en het Haarlemmermeer naar het noorden. Bij bepaalde waterstanden op het IJ en wind uit het noorden en noordoosten was het lozen lastig.

Kolfspelers op het ijs door Hendrick Avercamp. Claes Caescooper uit Koog aan de Zaan schreef in 1692 in zijn dagboek: ‘vroor fel nogh al scrickelijke snee jaght bevonde op sommige plaetsen tsnee soo hoogh gestoove als een huijs […] dat was bij cans als sandt duijne …. tsne lagh op somige plaetsen tot half April op een plaets was nogh sneu den eeste Meij.’ (Afbeelding: 1625, Houston Museum of Fine Arts).
 

De kou in beeld
En dan zijn er de vele afbeeldingen van de winterkou. In zeer strenge winters, zoals die van 1510-1511, 1564-1565, 1607-1608, 1671-1672, 1694-1695, 1708-1709, 1739-1740, 1783-1784 en 1788-1789 waren de wateren twee maanden of langer bevroren. Het ijs en de sneeuw spraken zo tot de verbeelding dat tal van tekenaars en schilders ze vereeuwigd hebben. Om enkel twee beroemde te noemen: Pieter Breughels schilderij De telling van Bethlehem, overladen met sneeuw, dateert uit 1565, terwijl Hendrick Avercamp in 1608 begon met zijn welbekende winterlandschappen. Hij was vooral geïnteresseerd in het genoegen dat een bevroren kanaal of stadsgracht bood, maar het ging bij de prenten en schilderijen niet altijd om ijspret. Soms wilden ze juist het gevaar van ijsdammen of -schotsen tonen. Als het ging dooien, werden enorme ijsmassa’s door de rivieren afgevoerd, maar in bochten hoopten die zich op waardoor ijsdammen ontstonden. Door hun grote gewicht en druk kon dit leiden tot dijkbreuken, gevolgd door overstromingen.

In dagboeken en kronieken
Naast beeldmateriaal gebruiken onderzoekers dagboeken en kronieken om iets over het weer te weten te komen. Zo heeft Claes Aris Caescooper een dagboek (1665-1717) nagelaten waarin hij het winterweer beschreven heeft. Hij leefde in Koog aan de Zaan en vond het eigenlijk wel prettig dat hij op de schaats verschillende dorpen en steden beter en sneller kon bereiken dan in de zomer.

Omdat extreem weer nu eenmaal veel indruk maakt, leest men in dagboeken vaak een variant op de uitdrukking ‘nooit eerder meegemaakt of gezien’. Voor de 17de eeuw moesten we die opmerkingen echter niet al te letterlijk nemen: een strenge winter was toen eigenlijk een normaal verschijnsel.

Boeren brengen hun waar naar de markt over het dichtgevroren IJ; ze glijden langs de galgen van de Volewijck (Afbeelding: Hendrick Avercamp, ca. 1620,
Rijksmuseum Amsterdam).
 

Rekeningen en boekhouden
Brieven, stadsrekeningen en de boekhouding van landgoederen bieden ook informatie over het weer. Met name winterse omstandigheden komen dan aan bod, die vroegen meer aandacht dan de zomer vanwege het risico van bevroren wateren tijdens oorlogen en de schade die vorst kon toebrengen. De winter bracht heel wat ongemak met zich mee. Vorst leidde tot het bevriezen van de houten sluizen zodat waterlozing onmogelijk werd. Ook rijshout op zeedijken kon zwaar worden aangetast door ijsvorming.

Bij strenge vorst zonder beschermend, isolerend sneeuwdek konden belangrijke gewassen zoals koolzaad en wintergerst en -tarwe bevriezen. Dit gebeurt met koolzaad vanaf vier weken vorst. Hier stond tegenover dat veldmuizen, die aasden op het graan, het loodje legden bij langdurige strenge vorst.

Door het bevroren ijs breken
Bovendien was er geen scheepvaart mogelijk. Soms bevroor zelfs de zee voor de kust. Trekschuiten gingen niet. Schippers en vissers zaten zonder werk, de tolgaarder had niets te innen. De bevoorrading van steden kon in gevaar komen. In de belangrijkste waterwegen werd zo goed en zo kwaad als het ging een vaargeul vrijgemaakt. Aanvankelijk gebeurde dit handmatig: het ijs werd stukgehakt en met haken naar de kant getrokken. Eind 14de eeuw was er in Brugge een primitieve ijsbreker in gebruik, een vaartuig waarvan de boeg en een deel van de bodem met ijzeren platen was verstevigd. Het werd voortgetrokken door paarden. Dit voorbeeld werd nagevolgd. In 1696 lieten de bierbrouwers van Amsterdam, die afhankelijk waren van de aanvoer van zoet water van buiten de stad, een vrij grote ijsbreker bouwen die door twintig paarden werd getrokken. Ook liet het stadsbestuur het ijs soms breken om smokkelaars te verhinderen hun waar de stad in te brengen zonder het betalen van tol, of om de vijand tegen te houden.

Vooral de armsten worden geraakt
Koude bood zeker ook nieuwe mogelijkheden. De gebroken blokken ijs kregen een bestemming in de vele ijskelders van herenhuizen en buitens. Tijdens de winter van 1607-1608 kon men per slede over de Zuiderzee van Kampen naar Amsterdam, en waren de kanalen en rivieren goed bevroren, dan konden zo ook goederen worden vervoerd. Burgers vermaakten zich op het ijs met schaatsen en sleden en lieten en passant hun rijkdom zien. Weer anderen profiteerden van zo’n mensenmassa door koek en zopie (sterkedrank) aan te bieden. Een enkeling maakte wakken in het ijs om snel vis te kunnen vangen. Maar alle grondwerk lag tijdens vorst stil. Niemand die buitenshuis water gebruikte kon zijn werk doen. Vorstverlet werd voor vele getroffen beroepsgroepen niet gecompenseerd. Er was meer turf en hout nodig om mens en dier maandenlang warm te houden. Illegale houtkap of gewoonweg houtsprokkelen kwam dan ook vaker voor. Verder kon er voedselschaarste ontstaan, wat tot prijsstijgingen leidde, met name in de maanden maart tot juni, waarvan vooral de armen slachtoffer waren.

Een koppel vervoert per slee gesprokkeld hout over het ijs (Afbeelding: 1849, door Andreas Schelfhout, Rijksmuseum Amsterdam).
 

Uit de belastingkohier en de verpachting van weiden in het hooggebergte blijkt dat deze gebieden vanaf omstreeks 1700 minder opbrachten. Weiden werden bedolven door het oprukkende gletsjerijs, gebouwen verwoest, dorpelingen verlieten de streek. Ook Alpenpassen bleven langere tijd gesloten.

Industrialisatie en de opwarming van de aarde
De gletsjers in de Alpen begonnen zich echter in de loop van de 19de eeuw weer terug te trekken, en hoewel het zee-ijs in het Noordpoolgebied zich nog uitbreidde, geldt dit toch als teken dat de Kleine IJstijd voorbij was. De drijvende krachten achter het einde van de Kleine IJstijd, zoals onder andere versterkte zonnevlekactiviteit, werden versterkt door de invloed van de industrialisatie in de westerse wereld, sterke bevolkingsgroei en ontbossing. Het gebruik van steenkool, olie en gas heeft steeds meer CO2 in de atmosfeer gebracht. Het broeikaseffect dat hierdoor ontstond, maakte dat veel uitgestraalde warmte in de dampkring bleef hangen, wat voor opwarming van de aarde zorgde.

Dit effect treedt sinds eind 20ste eeuw versneld op. We kennen inmiddels de verschijnselen: langere perioden van droogte, zwaardere neerslag in korte tijd en hogere gemiddelde temperaturen tijdens vrijwel alle seizoenen. Elk heeft ook weer zijn eigen gevolgen: watertekort bijvoorbeeld leidt niet alleen tot problemen in de landbouw en de binnenvaart, maar ook tot verdere inklinking van veengebieden waardoor nog meer uitstoot van CO2 plaatsvindt, en verzakkende huizen. Daar staat tegenover dat het verbouwen van nieuwe, meer mediterrane gewassen en planten kans maakt.

Klimaatsverandering vroeg tijdens de Kleine IJstijd veel van de weerbaarheid en veerkracht van een samenleving, en dat is nu ook zo. Weerbaarheid vereist echter consensus om de problematiek aan te pakken, veerkracht vraagt om het snel en efficiënt invoeren van aanpassingen en toepassen van nieuwe oplossingen. De vraag blijft of onze huidige samenleving daartoe uitgerust en bereid is.

Verder lezen
Jan Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, 7 dln., 1995-2019, Van Wijnen, 1995-2019

Dit artikel verscheen eerder in 2023 (nummer 1) van Geschiedenis Magazine onder de titel: 'De Kleine IJstijd'.

Delen: