5 juni 1625: Staatse troepen verlaten Breda
400 jaar geleden, op 5 juni 1625, verlieten de soldaten van het Staatse leger Breda. Bij hun vertrek passeerden ze de kampementen van de troepen van Spinola. De stoet werd begeleid met trommels en trompetten, maar het was geen triomftocht. De belegering was voorbij, Breda was (weer) in handen van het Spaanse Rijk en de Staatse soldaten moesten de stad verlaten.
Gedurende de Tachtigjarige Oorlog werden tientallen steden belegerd door legertroepen van zowel het Spaanse Rijk als van de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Duizenden soldaten verschansten zich rondom stadsmuren, schoten kanonnen af, blokkeerden bevoorradingsroutes of wachtten af totdat de voedselvoorraden op waren en er geen andere keuze meer was voor inwoners dan overgave. Een belegering was een dure aangelegenheid die soms maanden kon duren.
Meer informatie over het begin van de Tachtigjarige Oorlog en de partijen die hierbij een belangrijke rol speelden, lees je in het artikel: 'Alva's bril en het bloedige jaar 1572' van Raymond Fagel en Judith Pollmann. Historici benadrukken steeds meer naar het internationale karakter van het conflict. Lees meer.
Dat was ook het lot van Breda: een stad die door beide kanten als aanwinst werd gezien en gedurende de Tachtigjarige Oorlog meerdere keren was ingenomen. De beroemdste verovering vond plaats in 1590. Op dat moment waren er troepen van het Spaanse Rijk in de stad gelegerd. De troepen van Maurits van Nassau verstopten zich in een turfschip. Dat schip kon nietsvermoedend langs de stadsmuren naar het kasteel van Breda varen. Rond middernacht kwam het leger van Maurits tevoorschijn en overrompelde de Spaanse troepen: het Paard van Troje van de Lage Landen. Dit plan kwam uit de koker van een schipper uit de buurt, Adriaen van Bergen. Het verlies van de stad was nog altijd een smet op het militaire blazoen van de Spanjaarden.
Een gerucht
In 1624 zag het Spaanse Rijk een mogelijkheid om Breda opnieuw in te nemen. Die taak was toebedeeld aan de ervaren Italiaanse legeraanvoerder Ambrogio Spinola (1569 -1630). Hij stond voor een lastige opgave: de stad had flinke vestingwerken en binnen de muren was een Staats garnizoen gelegerd. Toen eenmaal het gerucht rondging dat Spinola Breda wilde innemen, werd het garnizoen nog eens versterkt. De stad legde voorraden rogge, haver, kaas en stokvis aan. En de burgers moesten al het goud en zilver inleveren, zodat het omgesmolten kon worden tot soldij voor het garnizoen. Zo kon Breda het wel een poosje uithouden. De verantwoordelijkheid voor de verdediging van Breda lag toen bij een buitenechtelijke zoon van Willem van Oranje, Justinus van Nassau.
Breda onder vuur
Op 27 augustus 1624 was het zover: Spinola viel Breda aan met een internationale troepenmacht bestaande uit soldaten uit Spanje en de Zuidelijke Nederlanden en huurlingen uit onder meer Frankrijk, Engeland en Ierland. Een leger van meer dan 20.000 troepen omsingelde de stad. De belegering zou negen maanden duren.
In die periode probeerde het garnizoen van Justinus van Nassau meerdere malen de omsingeling te doorbreken. Zonder succes. In december ondernam het Staatse leger - van buitenaf - nog een poging om Breda van nieuwe voedselvoorraden te voorzien via schepen over de Mark. Maar ook dit mislukte. In mei hadden de inwoners in de stad inmiddels bijna geen voedsel meer. Daar kwam nog bij dat ziektes als scheurbuik en dysenterie veel slachtoffers eisten.
Justinus merkte dat het einde van het beleg naderde. Breda moest snel ontzet worden met hulp van buitenaf, anders moest de stad zich overgeven aan de Spanjaarden. Op 15 mei deed 'stedendwinger' Frederik Hendrik van Oranje nog een laatste poging om Breda te ontzetten, maar ook die mislukte: Frederik Hendrik trok zich terug. Hij liet kort daarna een bericht smokkelen naar Justinus, waarin hij aangaf dat het hem niet meer zou lukken om Breda te bevrijden: Justinus kon zich beter overgeven. Dat deed hij enkele dagen later.
Onder bepaalde voorwaarden
Na de overgave konden de onderhandelingen beginnen. Justinus had een reeks capitulatievoorwaarden opgesteld voor Spinola. Hij vroeg onder andere het volgende:
- De gouverneur, officieren en manschappen van het Staatse garnizoen mogen met hun echtgenotes en kinderen ongemoeid de stad verlaten richting Geertruidenberg, inclusief handwapens, eigendommen, paarden en voertuigen. Tijdens de uittocht mocht de Spaanse tegenpartij hen niet beledigen of vijandig benaderen. Het garnizoen mocht bovendien vaandels dragen en onder begeleiding van trompetten en trommels hun tocht vervolgen. Dit gold overigens ook voor de veldpredikers, chirurgijns, kanonniers en andere betrokkenen bij het leger.
- Spinola zou wagens en paarden leveren voor het vervoer van voor zieken, goederen en bagage.
- Ook eventueel meubilair – inclusief de huisraad van de prins van Oranje uit het kasteel van Breda – zou mee verhuisd mogen worden (of anders veilig worden gestald, totdat het mogelijk was de spullen te verhuizen).
- Militairen die te ziek waren en niet konden reizen, mochten nog even blijven tot ze aan de betere hand waren en konden vertrekken.
- De krijgsgevangenen van beide kanten zouden worden vrijgelaten.
- De Spanjaarden mochten de oorlogsbuit bewaren, maar geen verdere brandschatting vragen of geld afpersen.
- De achtergebleven aanhangers van de hervormde godsdienst zouden hun kerkdiensten in de stad mogen blijven uitoefenen.
Spinola stond over het algemeen bekend als een hoffelijk man. Ook in deze situatie. Historici suggeren dat Spinola mogelijk zo meegaand reageerde op de capitualtievoorwaarden, omdat hij hoopte dat een verzoenende houding andere steden zou aanmoedigen zich sneller over te geven bij toekomstige belegeringen. Ook speelden paktische motieven mee. Voor de stad Breda moest er een einde komen aan de belegering. Maar voor Spinola was het ook genoeg: een belegering was duur en hij en zijn leger hadden er baat bij om dit hoofdstuk af te ronden.
De gestelde voorwaarden werden dan ook bijna allemaal toegekend, op één na. De godsdienstvrijheid voor protestanten. Alleen de katholieke mis mocht nog in Breda beoefend worden. Protestanse families mochten vertrekken samen met het garnizoen. Op 2 juni werd het verdrag getekend. De staatse soldaten en hun families bereidden zich voor op het vertrek uit Breda.
De uittocht
De echtgenotes en kinderen van de soldaten waren een dag eerder al vertrokken. Spinola had volgens de afspraak wagens geleverd. Het garnizoen volgde de dag erna op 5 juni. Het was nog vroeg in de ochtend toen de soldaten hun wapens en eigendommen bij elkaar raapten. Samen vormden ze een lange colonne. Ze marcheerden door over de Teteringsedijk naar Geertruidenberg. Ze droegen vaandels in de hand en werden muzikaal begeleid met trommels en trompetten. Om hen heen stonden Spaanse soldaten. Spinola zou hen de opdracht hebben gegeven om het vertrekkende garnizoen niet te beledigen. Zijn troepen mochten ook niet te uitbundig doen over de Spaanse overwinning. De Staatse soldaten konden zo eervol vertrekken. De troepen van het Spaanse Rijk trokken vervolgens Breda in.
Het Spaanse Rijk had Breda niet lang in het bezit: op 11 oktober 1637 heroverde de stedenbedwinger Frederik Hendrik – na een belegering van 3 maanden – de stad.
Delen: