22 augustus 1914: De dodelijkste dag in de Eerste Wereldoorlog

De dodelijkste dag uit de hele Eerste Wereldoorlog is al vrijwel direct aan het begin: op 22 augustus 1914 vallen in de Belgische Ardennen ruim 27.000 Franse en 14.000 Duitse soldaten. Een van de redenen: de starre houding van de Franse officieren.

Begin augustus 1914 hebben de Europese grootmachten elkaar de oorlog verklaard: Duitsland en Oostenrijk-Hongarije aan de éne kant, Frankrijk, Rusland en Groot-Brittannië aan de andere kant. Duitsland volgt daarbij het Von Schlieffenplan: eerst Frankrijk verslaan, daarna oprukken tegen Rusland. België wijst de Duitse eis af om het Duitse leger vrije doorgang richting Frankrijk te verlenen. Daarop verschaffen de Duitsers zich die manu militari zelf en vallen in de vroege ochtend van 4 augustus België binnen. Het gaat er bijzonder gewelddadig aan toe. Luik en zijn forten zijn niet bestand tegen het 420 mm-geschut van de Dikke Bertha’s, op talloze plaatsen branden de invasietroepen dorpen plat en doden onschuldige burgers. Op 20 augustus nemen Duitse troepen Brussel in - de Belgische regering is dan al uitgeweken naar Antwerpen.

Hoogst onwaarschijnlijk
Meteen na de Duitse invasie trekken ook Franse troepen de grens over, om de Belgen te helpen bij de verdediging maar ook om te vermijden dat de Duitsers langs deze route Frankrijk bereiken. Het lijkt de Franse opperbevelhebber Joffre echter hoogst onwaarschijnlijk dat het gros van de Duitse troepen via de Ardense bossen naar Frankrijk zou oprukken: het Franse opperbevel gaat er ten onrechte vanuit dat de Duitse hoofdmacht tegen Frankrijk zich in de (op dat moment Duitse) Elzas bevindt.

Joffre onderschat dus schromelijk de omvang van de Duitse troepen in de Ardennen, die daar in werkelijkheid naderen over een breed front. Generaal de Langle de Cary - bevelhebber van het Franse Vierde Leger - bevindt zich in de Gaume, de heuvelachtige en beboste streek aan de zuidkant van de Belgische Ardennen, en krijgt de opdracht de volgens Joffre beperkte Duitse troepenmacht terug te drijven richting Heimat.

Zijaanzicht van een Gamma-Gerät. (Afbeelding: Collectie Australian War Memorial, no. A02560).
 

Tussen de dichte mist
Op 21 augustus marcheren zijn troepen bijna twintig uur lang in de stromende regen ‘richting  Neufchateau’, zoals de wat vage marsorder luidt. Om middernacht houden ze halt, om voor de dageraad alweer te vertrekken. De waarschuwingen van de bevolking in diverse dorpen dat de bossen verderop vol Duitsers zitten, slaan de Franse officieren in de wind. Het terrein waarlangs zij hun troepen laten oprukken is modderig en drassig. Na de regenbuien van de vorige dag hangt over de velden en tussen de bomen een dichte mist, die het zicht zeer bemoeilijkt.

Levende schietschijven
Om hun posities niet vrij te geven, sturen ze geen verkenners vooruit, en stuiten zo totaal onverwacht op sterke Duitse tegenstand. Ook de Duitsers zijn verrast, maar reageren onmiddellijk; tussen de bomen stellen zij hun machinegeweren op. Hun Feldgrau uniformen bieden een goede schutkleur. Nadat de Fransen van hun verbazing bekomen zijn, voeren ze een stormaanval met de bajonet uit. Tijdens hun opleiding hebben de Franse officieren namelijk voortdurend te horen gekregen dat de aanval het hoogste goed is: ‘offensive à outrance!’ Op hun bevel stormen de soldaten daarom de vijand tegemoet. In hun helderblauwe uniformjas en knalrode broek vormen ze levende schietschijven, zelfs in de dichte mist. Bij duizenden maaien de mitrailleurs hen neer. Maar er vallen ook veel slachtoffers aan Duitse kant, vooral wanneer het Franse veldgeschut wordt ingezet - de legendarische 75 mm kanonnen, die weliswaar een klein kaliber hebben maar bijzonder wendbaar zijn.

Affiche uit 1915 'Découpages Pellerin: Imagerie d'Épinal n°17 (tirettes) - série de guerre' uit 1915. Je kon verschillende hoofden in de soldaat plaatsen. Hier zien we de: le Père-de-Famille. (Afbeelding: G. Morinet pour Éditions Pellerin, via Wikimedia Commons)
 

Starre houding
In het hele gebied tussen Virton en Neufchâteau, met uitlopers tot aan Charleroi, barst op 22 augustus een verwoede strijd los, het heftigst langs de weg van Rossignol naar Neufchâteau. Opnieuw duikt de vijand onverwacht in groten getale op, hoewel ook hier de bewoners tippen dat het in het bos vlakbij wemelt van de Duitsers. En weer eist de starre houding van de Franse officieren extra slachtoffers. Ditmaal wordt de 3de Koloniale Infanteriedivisie, zo’n 16.000 manschappen sterk, in de pan gehakt. De naam doet vermoeden dat het om Algerijnse of Marokkaanse troepen gaat, maar het zijn Franse soldaten die dienst doen in de toenmalige kolonies. Ze gelden als elitetroepen, vergelijkbaar met de huidige Amerikaanse marines.

‘Wat een catastrofe!’, noteert korporaal Paul Laifin. ‘De weg is bezaaid met brokstukken, dode paarden, gewonde en gesneuvelde soldaten. Kapotgeschoten bomen versperren de weg, voortdurend vallen takken naar beneden’. Aan beide kanten vallen duizenden slachtoffers. Toch lijkt 22 augustus 1914 in het collectieve geheugen nauwelijks aanwezig. Je leest meer over de dodelijkste slag tijdens de Eerste Wereldoorlog in het aankomende nummer (editie 5) van Geschiedenis Magazine. Dit nummer ook ontvangen? Neem vóór donderdag 27 juni een abonnement, dan krijg ook jij dit nummer omstreeks 11 juli in de brievenbus.

Delen: