Red Power: de bezetting van Wounded Knee in 1973
In 1973 bezetten activisten van de American Indian Movement het dorp Wounded Knee in de Black Hills van South-Dakota. Ooit was dit gebied per verdrag aan de Sioux toegewezen, maar daar kwam niets van terecht: de heuvels bleken rijk aan delfstoffen, waarover de Amerikaanse overheid de controle wilde behouden. Maar rondom de bezetting speelde meer dan een verdrag dat niet werd nagekomen. Wounded Knee is ook een belangrijke herdenkingsplek. Eind 19de eeuw richtte de cavalerie hier een bloedbad aan onder honderden ongewapende indianen.
Wounded Knee, niet meer dan een gehucht in het Pine Ridge Reservaat in de Amerikaanse staat South Dakota, had en heeft grote symbolische betekenis. Hier richtte een Amerikaans cavalerie-bataljon op 29 december 1890 een bloedbad aan: bijna 300 Lakota-Sioux kwamen om, overwegend vrouwen en kinderen. De soldaten namen zo wraak voor de nederlaag die ditzelfde bataljon onder leiding van commandant George Armstrong Custer in 1876 geleden had tegen de Lakota; Custer kwam hierbij om.
De afslachting van 1890 bij Wounded Knee maakte een einde aan een langdurige strijd. De Sioux probeerden onder aanvoering van de machtige Lakota natie al decennia de macht te behouden over de uitgestrekte gebieden in het middenwesten die ze eerder middels verdragen door de federale regering toegewezen hadden gekregen, of waarop ze op andere historische gronden aanspraak maakten.
Na Wounded Knee vielen alle indianen onherroepelijk onder de assimilatiepolitiek waarmee de Amerikaanse overheid ‘de indiaan uit de indiaan’ probeerde te verdrijven. De kinderen werden naar kostscholen gestuurd om hen te vervreemden van hun religie, taal en cultuur. De volwassenen kregen op het reservaat een jaarlijkse uitkering van voedsel, kleding en gereedschap. Hun traditionele nomadische en collectivistische leven moesten ze inruilen voor een armoedig en vreugdeloos bestaan als boeren op een individueel aan hen toegewezen stuk land op het reservaat. Politiek hadden ze als volk of individu niets in te brengen. Wel kregen de reservaten in 1934 zelfbestuur; tribal councils functioneerden als dagelijkse leiding. Dit hervormingsbeleid was ingegeven door het antropologisch inzicht van John Collier, de directeur van het Bureau of Indian Affairs in Washington, dat al vanaf 1824 verantwoordelijk was voor de uitvoering van het indianenbeleid. Hij wilde de reservaten weer collectief bezit van de stam maken en zelfbestuur geven om de indiaanse cultuur en identiteit te versterken.
Deze zogenoemde Indian New Deal werd na de Tweede Wereldoorlog grotendeels teruggedraaid. De Termination Act van 1953 en de Relocation Act van 1956 werden de leidraad voor het nieuwe overheidsbeleid. Dit was volledig gericht op het in hoog tempo afbreken van instellingen en regelingen die ooit waren ingesteld ter ondersteuning van de inheemse Amerikanen. Bezuinigingen en wantrouwen jegens alles wat naar collectivisme neigde - het was volop Koude Oorlog -, speelden hierbij mee. Overheidssteun in de vorm van uitkeringen en speciale scholen werd stopgezet. De indianen dienden eindelijk op eigen benen te gaan staan, was de redenatie. Aan de westkust werd een begin gemaakt met het sluiten van reservaten en ook elders werden indianen onder druk gezet de reservaten te verlaten en zich in de steden te vestigen, waar zij, zo was de gedachte, zouden opgaan in de burgerbevolking en opklimmen tot de middenklasse. Voor de meesten verliep die verhuizing tegen wil en dank echter heel anders: ze gingen op in een groeiende onderklasse, leefden onder de armoedegrens, onzichtbaar gemaakt als etnische groep.
Besef van gedeeld verleden
De trek naar de steden had echter onbedoeld ook een positief gevolg. Jongeren afkomstig uit verschillende reservaten vonden elkaar op school. Er ontwikkelde zich een besef van een gedeeld verleden, van een geschiedenis van onrecht én verzet die de talrijke inheemse volken van Noord-Amerika met elkaar verbond. Terwijl het hardvochtige termination and relocation beleid bedoeld was de stamverbanden te vernietigen en de reservaten op termijn op te heffen, ontstond bij velen, vooral jongeren, voor het eerst een bewustwording van een pan-indiaanse identiteit die de individuele inheemse naties overschreed.
Eerder al kwamen Amerikaanse soldaten van inheemse afkomst, die in groten getale in de Tweede Wereldoorlog meevochten, tot dit besef, en werd in 1944 het National Congress of American Indians opgericht, een gematigde burgerrechtenorganisatie. Twintig jaar later voelden veel indiaanse jongeren in de steden zich echter meer aangesproken door de nieuwe aanpak van de zelfbewuste radicale vleugel in de zwarte burgerrechtenbeweging. De leuze ‘Black Power’ had een enorme impact op andere etnische groeperingen in de VS, en bracht ook onder jongeren van indiaanse afkomst een golf van herkenning teweeg. Zij riepen op tot Red Power en directe actie. Met name het militante optreden van de Black Panther Party vormde een bron van inspiratie voor de American Indian Movement (AIM). In 1968 werd AIM in Minneapolis opgericht als grassroots-organisatie om de leefomstandigheden van indianen in de sloppenwijken te verbeteren.
Alcatraz
Wat AIM vooral leerde van de zwarte organisaties was het belang van publieke aandacht voor de uitzichtloze omstandigheden waarin de meeste Amerikaanse indianen leefden, zowel in de steden als op de reservaten: volgens cijfers uit 1970 was de werkloosheid onder indianen tien maal hoger dan het landelijk gemiddelde en leefde 40% van hen onder de armoedegrens. Het alcohol- en drugsgebruik was hoog. Ook waren zij veelvuldig slachtoffer van racisme en politiegeweld.
Er moest dus openlijk verzet worden gepleegd, voor het oog van de camera’s. In november 1969 bezetten activisten daarom het eiland Alcatraz in de baai van San Francisco. Alcatraz was jaren lang een beruchte federale gevangenis geweest, maar in 1963 vanwege onbetaalbare onderhoudskosten gesloten en verwaarloosd achtergelaten. Het eiland was al eerder bezet geweest: in 1964 claimde een groep onder leiding van de Lakota-activist Walter Means het, uit naam van de inheemse bevolking. Hij beriep zich op een bepaling in een oud verdrag waarin stond dat de Lakota recht hadden op door de federale overheid opgegeven en verlaten garnizoensgebouwen. Deze ludieke eerste bezetting van Alcatraz duurde slechts kort, maar kreeg wel aandacht. De tweede, met Walters zoon Russell Means als een van de initiatiefnemers, trok nog veel meer publiciteit. Dat kwam onder meer door de steun van beroemdheden, onder wie Jane Fonda, Marlon Brando en de popgroep Creedence Clearwater Revival. Na ruim anderhalf jaar maakte de overheid een einde aan de bezetting, maar door onderlinge conflicten en gebrek aan realistische plannen met het vervallen eiland, waren er niet veel bezetters meer over.
Trail of Broken Treaties
Toch had de bezetting van Alcatraz ingrijpende consequenties. Hoewel hij zich formeel terzijde hield, vatte president Richard Nixon sympathie op voor de bezetting. Dit kwam voort uit zijn religieuze achtergrond: hij behoorde tot de Quakers, een religieuze beweging die zich al eeuwen bekommerde om de inheemse bevolking. Ook was hij in zijn studententijd sterk beïnvloed geweest door zijn indiaanse rugby coach. Nixon had waardering voor inheemse culturen en was zich bewust van de achterstelling van Amerikanen van indiaanse afkomst. Dit leidde er in 1970 toe dat hij in een toespraak officieel erkende dat het uitzonderlijk hardvochtige termination and relocation beleid fout was. Indianen herinneren hem zich dan ook vooral vanwege deze koerswijziging: zelfbeschikking moest de kern van het overheidsbeleid ten aanzien van de indianen worden.
Het dagelijkse leven verbeterde echter niet direct. AIM ging dan ook door op de ingeslagen weg: in 1972 sloot AIM zich onder leiding van Russell Means aan bij wat de Trail of Broken Treaties genoemd werd - naar analogie met de Trail of Tears, de gedwongen migratie in de jaren 1830 van indianen uit Florida en Georgia westwaarts naar Oklahoma, het eerste indianenreservaat. Op de voettocht daarnaartoe vielen duizenden doden.
In 1972 ging het in omgekeerde richting: jongeren reden in karavaan via diverse reservaten naar Washington. Zo vroegen en kregen ze media-aandacht voor de leefomstandigheden op de reservaten en herinnerden ze de overheid aan haar in verdragen vastgelegde verplichtingen jegens inheemse volken.
In de hoofdstad aangekomen bezetten zij in de week van de presidentsverkiezingen van 1972 zes dagen lang het Bureau of Indian Affairs, voor hen synoniem met het institutionele onrecht dat indianen eeuwenlang was aangedaan. Toen de chaotische bezetting politiek gesproken geen resultaat boekte, richtten de activisten grote vernielingen aan in het gebouw. Er kwam een einde aan de bezetting toen de regering door bemiddeling van een adviseur van de zojuist herkozen Nixon geld beschikbaar gesteld had voor de terugreis van de karavaan. De antropoloog David Treuer, zelf van gemengd indiaans-Amerikaanse afkomst en opgegroeid op de Leech Lake Reservation van de Ojibwe-indianen in Minnesota, noemt in zijn boek The Heartbeat of Wounded Knee (2019) de bezetting een teken van een gewelddadige kant van Russell Means en sommige andere AIM-leiders. Means zou in de stijl van de Black Panthers gezegd hebben dat het nu tijd was om de wapens op te pakken. Ook konden andere AIM-activisten ternauwernood voorkomen dat hij met een molotovcocktail brand zou stichten in het bezette gebouw.
Bezetting van Wounded Knee
Het jaar erop hielden AIM-activisten het dorp Wounded Knee bezet, van 27 februari tot 8 mei 1973. De aanleiding was een intern conflict op het Pine Ridge Reservaat van de Oglala (een van de zeven groepen waaruit de Lakota-natie bestaat). Net als op veel andere reservaten had een bestuurlijke bovenlaag van gemengd indiaans-Amerikaanse afkomst de leiding. En ook hier werd die door andere inwoners en de traditionele leiders (de elders) beschuldigd van machtsmisbruik, nepotisme en corruptie. De tribal chair (voorzitter) van Pine Ridge, Richard Wilson, had daar nog een schepje bovenop gedaan door op gemeenschapskosten een privélegertje op te richten, dat politieke tegenstanders en de veelal in grote armoede levende inwoners in de meer afgelegen delen van het reservaat terroriseerde. Bovendien wilde hij eigenmachtig en tegen de zin van de traditionele Oglala een deel van het reservaat openstellen voor mijnbouw.
De elders probeerden hem af te zetten en riepen daarbij de hulp in van Russell Means, zelf een Oglala, en AIM. Toen de afzettingsprocedure mislukte, trokken de AIM-activisten zich op advies van de elders terug in Wounded Knee, waar een ceremoniële bijeenkomst werd gehouden bij het massagraf van de slachtoffers van het bloedbad van 1890. Vervolgens plunderden zij een ernaast gelegen souvenirwinkel van een witte Amerikaan. Hij verkocht er aandenkens aan het bloedbad van 1890, zoals foto’s van dode slachtoffers - vergelijkbaar met ansichtkaarten met foto’s van zwarte slachtoffers van lynchpartijen die eind 19de eeuw gretig aftrek vonden. Intussen waren FBI-agenten en andere federale ordetroepen op verzoek van Wilson gearriveerd. Ze omsingelden Wounded Knee, waar de bezetters elf niet-indiaanse dorpsbewoners gegijzeld hielden.
In de tweede helft van de 19de eeuw nam de westwaartse expansie van de VS een steeds hogere vlucht. De Sioux, een alliantie van zeven verwante inheemse volken op de Grote Vlakten, waaronder de Lakota, kwamen onder steeds grotere druk te staan. De ontdekking van goud en andere delfstoffen in de Black Hills, hun spirituele thuisland, speelde daarbij een grote rol. Door de komst van witte goudzoekers, settlers, de aanleg van spoorwegen en overbejaging namen de bizonkuddes in rap tempo af. Het naderende einde van de bizonjacht, zo cruciaal voor hun levensonderhoud en cultuur, dwong zelfs de Lakota-Sioux, die zich het felst en het langst verzet hadden, rond 1880 hun nomadenbestaan op te geven en zich op reservaten te vestigen.
De verdragen die ze onder steeds meer dwang met de regering sloten, bleken weinig waard: het Grote Sioux Reservaat dat hun in 1868 toegewezen was, werd in 1889 opgesplitst in zes kleinere reservaten, tezamen slechts de helft van het oppervlakte van het oorspronkelijke reservaat. In 1877 hadden zij de Black Hills al verloren. Het voedsel dat zij jaarlijks ter compensatie uitgekeerd kregen, was vaak van inferieure kwaliteit of kwam niet aan. Er heerste grote armoede en honger.
In de strenge winter van 1889-1890 bracht nieuws over een nieuwe religie rond een rituele Ghost Dance even hoop onder de gedemoraliseerde inwoners van de zes reservaten. Onder de Paiute-indianen in Nevada was een profeet opgestaan die de wederopstanding van de doden en de terugkeer van de bizons en de traditionele inheemse wereld voorspelde. Een derde van de Lakota bekeerde zich. De Amerikaanse regering vreesde dat de openlijke uitoefening van de Ghost Dance een bron zou zijn van nieuw gewelddadig verzet. Het cavalerie-bataljon dat onder Custer in 1876 zo’n smadelijke nederlaag had geleden tegen de Lakota werd naar het Pine Ridge reservaat gestuurd om orde op zaken te stellen. Een vermeende verzetsleider werd gearresteerd en zijn dorpsgenoten werden gedwongen kamp op te slaan bij de Wounded Knee Creek. Toen een jonge Lakota weigerde zijn geweer af te geven en het wapen in een handgemeen met de soldaten afging, barstte het geweld los: met kanonnen en geweren werd er een half uur lang door de soldaten gericht op de grotendeels ontwapende menigte geschoten.
Het kwam neer op een executie uit wraak. Hoeveel Lakota er gedood werden, is niet precies bekend. Pekka Hämäläinen zegt in zijn boek Lakota America. A New History of Indigenous Power (2019) dat het er minimaal 270 waren, onder wie ongeveer 170 vrouwen en kinderen. Foto’s die de dagen erna gemaakt werden van hun vaak verminkte lichamen, bevroren in de sneeuw, schokten de natie, maar gingen ook lang als souvenir over de toonbank.
In de volgende 71 dagen wisselden schietincidenten en onderhandelingen elkaar af. Een FBI-agent raakte ernstig gewond, een bezetter vond de dood. Beelden van de belegering door de zwaarbewapende troepen gingen de wereld over en wonnen vooral sympathie voor de bezetters. Internationale media stonden al vol van de demonstraties tegen de Vietnamoorlog, dit indianenprotest paste daar naadloos in. David Treuer wijst erop dat er ook militairen onder de ordetroepen waren, in burger: het was onwettig om het leger tegen de eigen burgers in te zetten, tenzij de nationale veiligheid in gevaar kwam - en dat was geen moment het geval. Een buitenproportionele en illegale ingreep dus.
Wat ook zeer tot de publieke verbeelding sprak, was de eis van Russell Means om, als vertegenwoordiger van de door AIM uitgeroepen ‘Independent Oglala Nation’, rechtstreeks met minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger te onderhandelen. Dit was vooral een publiciteitsstunt, maar historisch niet helemaal ongegrond. Weliswaar hadden indianen sinds 1924 de Amerikaanse nationaliteit, tot 1871 werden de ‘stammen’ als onafhankelijke naties behandeld.
Uiteindelijk werd een overeenkomst bereikt waarbij de overheid toezegde dat er onderzoek gedaan zou worden naar mogelijke criminele activiteiten op het Pine Ridge Reservaat. Means mocht op bezoek bij Nixon om te praten over de grieven van de Oglala. Maar toen Means weigerde een einde aan de bezetting van Wounded Knee te maken voordat het gesprek op het Witte Huis plaatsvond en tegen de afspraak zelf Washington verliet, braken er in Wounded Knee vuurgevechten uit tussen de federale troepen en de bezetters. Hierbij stierf een AIM-aanhanger door een verdwaalde federale kogel. Kort erop werd nog een activist gedood, een inwoner van Pine Ridge. Dit was voor de Oglala elders aanleiding om de bezetting te beëindigen.
Keystone XL Pipeline
Hoewel Richard Wilson de macht behield in Pine Ridge, vestigde de bezetting wel nationale aandacht op de wantoestanden op de reservaten, de schendingen van de 19de-eeuwse verdragen en het recht op soevereiniteit van de indiaanse naties. Met hun spraakmakende protestacties slaagde AIM erin de politiek onder druk te zetten. Begin 1975 werd de onder Nixon ingediende Self-determination and Education Assistance Act aangenomen, die tot wezenlijke verbetering van de leefomstandigheden en toekomstperspectieven van veel indianen zou leiden.
Dit betekent niet dat indianen sindsdien niet geprotesteerd hebben. Het meest recente voorbeeld is het verzet tegen de aanleg van de Keystone XL Pipeline voor olietransport van Canada naar de Golf van Mexico. De route leidde langs het Lakota-reservaat Standing Rock in Noord- en Zuid-Dakota, dat bij een eventueel lek de watervoorziening in gevaar zag komen. Elders schond de pijpleiding inheemse grafheuvels en andere heilige plaatsen. President Barack Obama zette mede hierom het werk aan de pijpleiding in 2015 stop maar zijn opvolger Donald Trump draaide dit in 2016 terug. Duizenden indiaanse demonstranten en andere milieuactivisten trokken in protest naar het Standing Rock reservaat en bleven aandacht voor de kwestie vragen. Op de dag van zijn inauguratie op 20 januari 2021 legde president Joe Biden inderdaad het werk aan de pijpleiding stil.
Dit artikel verscheen eerder in Geschiedenis Magazine onder de titel 'Red power: Wounded Knee wordt bezet'.
Delen: