De werkende vrouw in het oude Rome
In het wereldbeeld van de Romeinse aristocratie was geen plaats voor werk. Deze minachting voor betaald werk klinkt door in de antieke literatuur, maar was niet de enige stem in de Romeinse samenleving. Talloze grafinscripties van vrijgelaten slaven in handel en ambacht stralen trots uit op hun beroep. Uit de inscripties blijkt dat ook vrouwen allerlei beroepen uitoefenden. De meesten van hen hadden tijdens hun leven in slavernij een vak geleerd in het huis of bedrijf van hun meesters. Daardoor hadden ze een voorsprong op arme vrijgeboren Romeinen, die meestal ongeschoold waren.
Inscripties op de graven van vrijgelaten vrouwen tonen hen in een groot aantal beroepen. Dit waren niet alleen de traditionele vrouwenberoepen als voedster, kinderverzorgster of kapster, maar ook talloze andere. We vinden hen als kleermaaksters, purperververs, bakkers, goudsmeden en juweliers, maar ook als artsen, managers van loodgieterijen of handelaarsters in wijn, olijfolie en tal van andere producten. Daarnaast zien we vrouwen die optraden als muzikanten, danseressen of toneelspeelsters. De meesten hadden tijdens hun leven in slavernij een vak geleerd in het huis of bedrijf van hun meesters. Rijke Romeinse huishoudens beschikten over honderden slaven, van wie velen waren getraind in gespecialiseerde functies en soms ook produceerden voor de markt. Daardoor hadden zij na hun vrijlating een voorsprong op arme vrijgeboren Romeinen die meestal ongeschoold waren.
Beroepseer
Blijkens inscripties en afbeeldingen op hun graven waren de vrouwen trots op hun vakbekwaamheid. De vrijgelatene Julia Primigenia spreekt vanaf haar graf in Rome de voorbijgangers toe met de woorden: ‘Ik die als vroedvrouw de levens van vele vrouwen redde, ontsnapte niet aan het doodslot. Na een goed leven vertrok ik naar het Huis van de Dood, waar voor mij een plaats onder de rechtvaardigen is gereserveerd.’
Voor vrouwen was deze openlijke voldoening echter niet vanzelfsprekend. Zij hadden niet alleen te maken met de Romeinse vooroordelen tegen werk, maar ook met het traditionele ideaal van de matrona, de getrouwde vrouw uit de gegoede klasse. Die hoorde thuis te zitten en zich te richten op haar huis en familie. ‘Ze spon wol, was toegewijd, zedig, ingetogen en kuis; ze bleef thuis’ luidt de lofzang op het graf van zo’n modelvrouw. Werk buitenshuis, en vooral werk waarvoor werd betaald, was met deze huiselijke deugden in strijd en kon een gevaar vormen voor haar reputatie. Een vrouw in het publiek heette al gauw een publieke vrouw.
Voor vrouwen met een verleden in slavernij was dit probleem nog groter omdat ze toch al de reputatie hadden van zedeloosheid. Tijdens hun leven in slavernij hadden ze immers geen zeggenschap over hun lichaam en konden zij seksuele avances van hun meester niet afwijzen. Dit vooroordeel bleef ook na hun vrijlating aan hen kleven. Vandaar dat velen zich op hun graf nadrukkelijk presenteerden als een traditionele Romeinse matrona.
De voorbeeldige matrona?
Een grafreliëf in Rome uit de eerste eeuw v. Chr. bijvoorbeeld, toont een man in toga en een vrouw in een lange tunica met daaroverheen een alles bedekkende mantel. Ze geven elkaar de rechterhand als teken van hun wettige huwelijk. Afgaande op hun presentatie lijken ze een traditioneel echtpaar uit de gegoede Romeinse burgerij. De inscriptie vertelt echter iets anders.
De afgebeelde personen, Lucius Aurelius Hermia en Aurelia Philematio, waren slaven geweest in hetzelfde huishouden. Vanaf haar zevende jaar had Hermia zich over de jongere Philematio ontfermd. Ze leefden waarschijnlijk in een contubernium, een informele relatie die aan slaven was toegestaan. Na hun vrijlating bleven ze samen tot haar dood op veertigjarige leeftijd. Hermia werkte als slager op de Viminalis, een van de zeven heuvels van Rome. Philematio komt naar voren als de voorbeeldige Romeinse matrona. Zij presenteert zich als ‘kuis, ingetogen’ en ‘trouw aan mijn man’. Bovendien was zij ‘onbekend met de massa’. Dit is moeilijk te rijmen met het slot van de inscriptie waaruit blijkt dat zijn zaken floreerden door haar ‘voortdurende plichtsbetrachting’. Dit suggereert dat zij meewerkte in de slagerij. Mogelijk verkocht ze vleeswaren in de winkel of deed ze de administratie, zoals op een reliëf uit latere tijd.
Tekst en beeld vullen elkaar dus aan. Datzelfde zien we op een aardewerken grafreliëf van de vroedvrouw Scribonia Attice in Ostia (afb. 3). Zij zit op een laag krukje tegenover een barende vrouw die tijdens de persweeën met beide handen de baarstoel vastgrijpt. Een assistente of vrouwelijk familielid ondersteunt de vrouw van achteren. De inscriptie vermeldt echter alleen dat Scribonia Attice het graf oprichtte voor zichzelf en haar familie, niet dat ze dat kon betalen dankzij haar verdiensten als vroedvrouw.
Reliëfs en inscripties vertellen ons meer over vakvrouwen die werkten in de kleding- en voedselproductie. Maar ze vertellen ons ook over vrouwen die geschoold waren in de kunst van de Muzen en hun geld verdienden als actrices, danseressen en zangeressen. Je leest meer over werkende vrouwen in het oude Rome in het aankomende nummer 5 van Geschiedenis Magazine. Abonnees ontvangen dit nummer omstreeks 11 juli. Dit nummer niet missen maar nog geen abonnee? Abonneer vóór donderdag 26 juni, om dit nummer te ontvangen.
Delen: