Wat de 17de-eeuwse crypte van het ziekenhuis in Milaan vertelt over de patiënten

Talloze Milanese arbeiders met gebroken botten, tuberculose en syfilis klopten in de 17de eeuw aan bij Ospedale Maggiore. Dat was een groot ziekenhuis voor arme mensen in de stad Milaan. Veel van hen waren er zo slecht aan toe, dat de dokters niets meer konden betekenen. Deze patiënten stierven in het ziekenhuis. Het onderzoek naar de ondergrondse crypte van het gebouw vertelt veel over het leven van deze mensen.

Milaan was in de middeleeuwen een van de grootste steden van Europa. In deze welvarende handelsplaats waren arbeiders onmisbaar. Veel van hen waren arm en hadden niet de middelen of mogelijkheden om naar een dokter te gaan in geval van ziekte of bij een ongeluk. In 1456 werd daarom het ziekenhuis Ospedale Maggiore opgericht, specifiek bedoeld voor de arme bevolking van de stad. Het was een van de eerste niet-kerkelijke ziekenhuizen, ofwel: het maakte niet uit welk geloof je aanhing of waar je vandaan kwam, iedereen mocht hier om medische hulp vragen, mits je een laag inkomen had of kon aantonen dat je door ziekte of een ongeluk niet kon werken.

Ca’ Granda
Onder de bevolking werd dit ziekenhuis ook wel Ca’ Granda (Grote Fabriek) genoemd, dat verwees naar de grootte van het gebouw én de efficiëntie waarmee patiënten werden behandeld. Het ziekenhuis bestond uit vier vleugels, elk voorzien van meerdere lange rijen bedden. Het had een eigen riolering, een washuis, veel toiletten, een apotheek en een kapel. Op gespecialiseerde afdelingen werden patiënten met een specifieke aandoening afgezonderd en behandeld, bijvoorbeeld mensen die leden aan – het besmettelijke - tuberculose. Dokters zetten dagelijks botten recht, amputeerden ledematen indien nodig of verwijderden nierstenen: aan de lopende band werden er in het ziekenhuis patiënten met allerlei soorten kwalen, verwondingen en ziektes verzorgd. Maar niet iedereen overleefde het verblijf. 

Ca' Granda in Milaan in de 17de eeuw. (Afbeelding: Wikimedia Commons)
 

Een crypte onder het ziekenhuis
Naar schatting overleden in de 17de eeuw zo’n 10 à 15 patiënten per dag in het ziekenhuis. Dat roept de vraag op: wat gebeurde er met de lichamen? Vanaf 1637 hadden de medewerkers een nieuwe oplossing daarvoor. Onder de kerk vlak naast het ziekenhuis lag een grote crypte. Wanneer een patiënt overleed werd het lichaam door een tunnel geschoven, die uitkwam in deze ruimte. Duizenden lichamen stapelden zich zo op in de crypte. Door het koude en vochtige microklimaat, braken de lichamen langzaam af. En dat stonk. Het ziekenhuis voerde de lichamen 60 jaar op deze wijze af, maar moest de ruimte in 1697 afsluiten: de stankoverlast was te groot.

Laatste dagen
Sinds 2018 worden er opgravingen uitgevoerd in deze crypte. Archeologen vonden enkele sierraden, kruizen en spullen, maar bovenal stuitten zij op menselijke resten: naar schatting liggen er meer dan 2 miljoen botten. Een deel ervan is op het moment onderzocht. In de afgelopen jaren hebben wetenschappers van diverse disciplines tal van analyses en testen losgelaten op de 17de-eeuwse lichamen (lees onder meer hier meer over de inmiddels uitgevoerde onderzoeken). Met elk nieuw resultaat komen we meer te weten over de mensen die in het ziekenhuis hun laatste dagen doorbrachten.

In het voormalige ziekenhuisgebouw is nu een universiteit gevestigd (Afbeelding:Giovanni Dall'Orto, via Wikimedia Commons)
 

Wie waren ze?
In het massagraf zijn resten gevonden van vrouwen, mannen, baby’s, kinderen en ouderen. Veel van hen waren ondervoed. Ze leden aan uiteenlopende ziektes en verwondingen: syfilis en tuberculose kwamen veel voor. Uit toxicologisch onderzoek blijkt dat dokters medicatie toedienden zoals morfine, codeïne
, noscapine en papaverine (allen afkomstig van de plant Papaver somniferum). Deze werden bijvoorbeeld gebruikt als pijnstiller, verdovingsmiddel of spierverslapper.

Ook zijn er sporen gevonden van het gebruik van cannabis en de coca plant, maar deze middelen werden vermoedelijk door de mensen voor recreatieve doeleinden gebruikt en niet medicinaal voorgeschreven.

Onderzoekers analyseerden ook tandplak, afkomstig van de kiezen uit de crypte. Daaruit kunnen ze afleiden wat mensen eeuwen geleden aten. Zo bleek dat een 17de-eeuws dieet met name bestond uit verschillende soorten granen zoals tarwe, gerst, sorghum en rijst. Er werd aardappelzetmeel gevonden op de tanden, wat suggereert dat de - vanuit Amerika geïntroduceerde - aardappel in de 17de-eeuw al onderdeel was van het Milanese menu. Tot slot vonden de onderzoekers ook restjes van een plant, de zogenoemde: paardenstaart. Daarvan is bekend dat het vooral werd gebruikt om pannen schoon te maken, maar in tijden van hongersnoden als (nood)voedsel kon dienen.  

Het onderzoek naar de crypte en de daarin aanwezige resten duurt voort. Nog steeds komen er nieuwe conclusies aan het licht die meer vertellen over de afkomst, het dieet en levensomstandigheden van deze 'gewone' burgers van Milaan.

Delen: