Waar draaide de 'Guldensporenslag' om?
Op 11 juli 1302 werd bloedig gevochten bij Kortrijk. De verzamelde ambachtsmilities van Gent, Brugge en Ieper stonden tegenover het ervaren ridderleger van de Franse koning Filips IV de Schone. Het ondenkbare gebeurde: ze wonnen. Over deze veldslag, beter bekend als de Guldensporenslag, is veel geschreven. En steeds krijgt de aanvoerder Pieter De Coninck, een wever uit Brugge, een belangrijke rol toegedicht. Maar wat zei Pieter zelf over deze slag? Jelle Haemers vertelt er meer over.
In het voorjaar van 1306 blikte lakenwever Pieter De Coninck terug op de gebeurtenissen van bijna vier jaar geleden, waarbij hij een van de aanvoerders was geweest. Hij deed dit in het enige document dat we hierover van hem hebben: een brief aan Lambert De Wakere, een wever in Sint-Omaars, destijds een belangrijke textielstad in het Noord-Franse graafschap Artesië. Lambert had de ervaren en inmiddels alom bekende Pieter raad gevraagd, zoals ontevreden ambachtslieden in de 13de en begin 14de eeuw vaker met elkaar correspondeerden over onrecht en elkaar aanspoorden de wapens op te nemen.
In de zakken van rijke kooplieden
Lambert wilde namelijk in Sint-Omaars samen met vrienden uit de textielambachten toetreden tot het stadsbestuur, maar dat werd tegengehouden door de dominante rijke kooplieden - en zij werden militair gesteund door de Franse koning. Dit was eerder in Brugge ook zo geweest, en er bestonden meer overeenkomsten: in beide textielcentra werden de ambachtslieden onderbetaald. De winst van de internationale textielhandel belandde voornamelijk in de zakken van rijke kooplieden. Ze verdeelden de functies in het stadsbestuur, de rechtspraak en het politieapparaat onderling en negeerden de looneisen van de wevers, volders, kaarders, spinners en andere ambachtslieden.
Hoe begin je een opstand?
Tegen die politieke onderdrukking waren Pieter en andere Bruggelingen voorjaar 1302 in opstand gekomen, en met blijvend succes. Hoe was dat in zijn werk gegaan, wou Lambert weten. Ze wilden zoiets ook in Sint-Omaars, maar de schermutselingen tussen handwerkers en de welvarende elite die er tot nu toe waren geweest, hadden niet tot het gewenste resultaat geleid. Hoe moesten ze het wel aanpakken?.
Broeders
In Pieters antwoordbrief, die als onderdeel van een processtuk in Franse vertaling bewaard wordt in het archief van de graven van Artesië te Atrecht, adviseert hij om alle ambachtsorganisaties in één front te verenigen. Het was het beste om ook de kleine met respect te behandelen en de leden als broeders te beschouwen, want zo had hij Brugge gered, schreef hij. In een typische vorm van middeleeuwse solidariteit sloot Pieter af met de vraag om één van de kledingstukken die Lambert gemaakt had, mee terug te geven aan de boodschapper van de brief. Tegen betaling, uiteraard!
Een geslaagde oproep
De broederlijke eenheid die Pieter aanbeveelt, had de Brugse ambachtslieden de overwinning tegen het establishment opgeleverd: ze wisten in mei 1302 niet alleen de Brugse bewindvoerders door een verrassingsaanval met geweld te verjagen, maar ook de Franse ridders die met hun voetvolk het bestuur te hulp waren geschoten en Brugge hadden ingenomen. De ambachten werden nu heer en meester in Brugge: ze namen de schepenzetels van de stad in. Daardoor konden ze zich bewapenen en benaderden ze in eenzelfde geest van broederschap ambachtslieden uit andere steden waar ook geslaagde opstanden hadden plaatsgevonden, zoals Gent, Ieper, Brussel, Leuven, Antwerpen en Den Bosch. De Bruggelingen riepen hen op, de Franse troepen nu ook uit het de rest van graafschap Vlaanderen te verjagen, en wel voorgoed. Dit liep uit op de Guldensporenslag bij Kortrijk later dat jaar.
Politiek spel
Hier komen de twee verhaallijnen samen die de Guldensporenslag bijzonder maken: enerzijds vormde de veldslag het een belangrijke mijlpaal in een politieke strijd tussen ambachten en elites binnen de steden in het graafschap Vlaanderen. Anderzijds was het een militair treffen tussen de verenigde ambachten van de drie grootste Vlaamse steden en het Franse ridderleger dat koning Filips had gestuurd om de stadselites te steunen.
Hij deed dat niet uit altruïsme: hij wilde Vlaanderen zelf regeren, in plaats van zijn vazal graaf Gwijde Van Dampierre. Die trok politiek gezien zijn eigen plan en zocht zelfs toenadering tot de koning van Engeland, waar Vlaanderen textiel inkocht. Dat zinde zijn leenheer Filips niet. Die zette graaf Gwijde in 1300 gevangen en nam het graafschap gewapenderhand in; de aanvoerder van zijn ridderleger stelde hij aan als gouverneur over Vlaanderen. De stedelijke elites concurreerden met graaf Gwijde om de macht en verwelkomden deze koninklijke inmenging. Ze maakten handig gebruik van Filips’ legermacht om de groeiende onrust van de ambachtslieden de baas te kunnen, maar op den duur bleken die in Brugge, Gent en Ieper toch sterker.
De Franse ridders werden uit Brugge verjaagd, maar verwachtten toch, zelfingenomen als ze waren door hun hogere status, dat ze de onvermijdelijke veldslag tegen het ambachtsleger wél zouden winnen. Ze maakten zich meester van het grafelijk kasteel in Kortrijk en wachten daar vol vertrouwen de oprukkende ambachtslegers op. Maar ze kwamen bedrogen uit: de Vlaamse stedelingen waren met veel meer en hadden betere kennis van het terrein. Bovendien gebruikten ze onconventionele methoden. De Vlamingen vochten te voet, vielen de paarden van de ridders aan, die zo gedwongen werden tot man-tegen-man gevechten op de grond. Maar door hun zware harnassen en onhandig lange lansen waren ze in de drassige omgeving geen partij voor de fanatieke stedelingen. Veel ridders sneuvelden op 11 juli 1302. Hun aanvoerder, de graaf van Artesië, werd ook gedood, hoewel de gewoonte was dat overwonnen edelen gevangen genomen werden om later tegen losgeld vrij te komen.
Verbijsterd
Het was de Vlaamse ambachten echter niet zozeer om geld te doen, maar om politieke inspraak. Dat kan men ook afleiden uit de brief van Pieter De Coninck aan Lambert De Wakere: hoewel hij zelf een contingent Bruggelingen uit verschillende ambachten op het slagveld geleid had, rept Pieter met geen woord over de militaire tactiek te Kortrijk. Misschien omdat Lambert weinig met krijgsaanwijzingen kon - dat stadium was in Sint-Omaars (nog) niet bereikt - maar allicht ook omdat het gewicht van de overwinning voor Pieter vooral lag in de machtswisseling te Brugge. Die was overeind gebleven, ook toen de Vlaamse ambachtslieden in 1304 samen opnieuw vochten tegen een Frans leger, dat de vernedering van Kortrijk ongedaan wou maken. Die veldslag (bij de Pevelenberg) eindigde onbeslist, en in de nasleep ervan sloten Brugge, Gent en Ieper een vredesverdrag met Filips IV. Zij beloofden niet meer in opstand tegen hem te komen. De koning op zijn beurt zou zich niet langer bemoeien met de verdeling van de schepenzetels in de Vlaamse steden. De ambachten behielden er hun pas verworven sleutelpositie in het stadsbestuur, naast die van de kooplieden. In de andere steden waar een machtswisseling had plaatsgevonden, werd die nu echter teruggedraaid.
Toen hij de brief aan Lambert schreef, in 1306, beschouwde Pieter dát als zijn grootste succes, ook al lieten tijdgenoten zich vooral verbijsterd uit over het verlies van de altijd zo effectieve Franse ridders bij Kortrijk. Zo berichtte de Florentijnse kroniekschrijver Giovanni Villani (ca. 1280-1348), die zich op correspondentie met Bruggelingen baseerde, over de ondenkbare zege van het ambachtsleger, dat onder leiding van een kleine welbespraakte wever de edele tegenstanders in de pan had gehakt.
Maar het was het politieke succes van de Vlamingen dat ambachtslieden in Brabant, Luik, Artesië, Henegouwen, Utrecht en naburige regio’s sterkte in hun al decennia broeiende rebellie tegen de status quo. Her en der braken, geïnspireerd door ‘1302’, opnieuw opstanden uit, met wisselend succes. Ook in Sint-Omaars vielen ambachtslieden vanaf eind 1305 schepenen aan. Indachtig Pieters advies lukte het Lambert De Wakere in het voorjaar van 1306 om de onderlinge verdeeldheid te beslechten en brak er een periode van geweld aan. Het werd weliswaar zijn eigen ondergang - Lambert werd gepakt en terechtgesteld - maar de ambachten wisten er uiteindelijk ook hier een nieuwe ordening van het stadsbestuur uit te slepen: de poorters (burgers met stadsrechten, ook aangeduid als ‘het gemeen’) kregen permanente inspraak in de samenstelling van het bestuurscollege van Sint-Omaars.
Het jonge België
Het verhaal over de Slag bij Kortrijk raakte na de middeleeuwen wat op de achtergrond, maar dat veranderde in 1838, kort na de Belgische Onafhankelijkheid van 1830. Bij zijn zoektocht naar roemruchte heldendaden om de creatie van de nieuwe natie te bezingen, rakelde de schrijver Hendrik Conscience de veldslag op. Hij gaf hem meteen een nieuwe naam, de ‘Guldensporenslag’, naar een gegeven dat hij in een kroniek aantrof: de Vlaamse ambachtslieden zouden in Kortrijk de vergulde riddersporen van gesneuvelde Fransen hebben geroofd. Het is onzeker of dat echt gebeurd is. Wat er ook van zij, Conscience laat in zijn roman getiteld De Leeuw van Vlaenderen of de Slag der Gulden Sporen de Vlamingen gloriëren in de typische romantische stijl van zijn tijd. Hij presenteert de strijd tegen Frankrijk als hun hoofddoel.
Dit is niet juist, want het ging Pieter De Coninck c.s. niet om onafhankelijkheid. Ze betwistten niet dat Vlaanderen deel uitmaakte van Frankrijk en zijn de koning ook nooit afgevallen. Ze verzetten zich enkel tegen zijn inmenging in stedelijke bestuurszaken. Toen Conscience dit boek schreef, bestond echter een reële dreiging vanuit Frankrijk. Of het jonge België het zou redden was toen allerminst zeker. En dus kon hij een historische legitimatie voor een strijdend ‘Belgisch volk’ goed gebruiken. De roman kende een gigantisch succes, en voedt de beeldvorming over de veldslag tot op de dag van vandaag.
Bepaalde groeperingen herdenken de ‘Guldensporenslag’ nog steeds. Het feit dat ze dat onder deze benaming doen, toont aan waar ze hun inspiratie vandaan halen. Het gaat nu echter niet meer om een Belgische strijd: sommigen beschouwen de slag als een belangrijk wapenfeit in de ontwikkeling van een Vlaamse identiteit. Anderen gebruiken ‘1302’ als een historisch argument om Vlaamse onafhankelijkheid te claimen. In 1973 verhief de Cultuurraad van de Nederlandse Cultuurgemeenschap, de voorloper van de Vlaamse regering, 11 juli tot het Feest van de Vlaamse Gemeenschap. Deze herdenking zegt meer over hedendaagse zorgen dan over middeleeuwse geschiedenis. Met de visie van Pieter De Coninck op de ‘slag bij Kortrijk’ heeft het allemaal maar nog weinig te maken...
Verder lezen
P. Trio, D. Heirbaut & D. van den Auweele (red.), Omtrent 1302, Leuven University Press, 2002
Dit artikel verscheen eerder in Geschiedenis Magazine in nummer 7, jaargang 2024.
Delen: