Verhuizen of het gevecht aangaan: de groei van de Rotterdamse haven, 1945-2009

In de jaren vijftig en zestig moesten hele dorpen worden gesloopt, als gevolg van de snelle uitbreiding van de Rotterdamse haven met de aanleg van de Europoort. Voor een latere uitbreiding - de Maasvlakte II vanaf 1993 - hoefde niets onteigend te worden, want de aanleg zou plaatsvinden geheel op nieuw gewonnen land voor de kust. Het besluitvormingsproces duurde echter acht keer zo lang. Waarom was dat zo?

Dit artikel verscheen eerder in 2013 (nummer 6) van Geschiedenis Magazine onder de titel 'Verhuizen of het gevecht aangaan'. 

De basis voor de huidige positie van de haven van Rotterdam - de grootste van Europa gemeten in overslag in tonnen en tot 2004 zelfs de grootste ter wereld - werd gelegd na de Tweede Wereldoorlog. Tussen 1952 en 1972 was er sprake van een onstuimige groei. In de jaren vijftig werd de Botlekhaven gegraven om antwoord te bieden aan de sterkte groei van de wereldhandel, gevolgd door de Europoort- (speciaal voor oliebedrijven) en Maasvlakte-havens. Dit alles maakte de haven vijf keer zo groot in twintig jaar.

Dit had uiteraard gevolgen voor de omringende gebieden. De eerste havenuitbreidingen werden volledig gegraven in de polders ten westen van Rotterdam. Vruchtbare landbouwgrond verdween, hele dorpen moesten worden ‘geamoveerd’, ofwel onteigend en vernietigd. Zo maakten  Blankenburg en Nieuwe Sluis in 1965 plaats voor de Europoorthaven. In beide dorpen samen moesten meer dan honderd huizen worden afgebroken en werden zo’n zevenhonderd mensen gedwongen te verhuizen. Dat ging snel: binnen vijf jaar na de aankondiging per brief in 1960 verliet de laatste bewoner van Blankenberg zijn huis.   

Het voormalig dorp Blankenburg omstreeks 1925. (Afbeelding: Wikimedia Commons)
 

Demarcatielijn
Het hele besluitvormingsproces van planvorming tot het graven van Europoort nam slechts twee jaar in beslag, omdat ook het Duitse Wilhelmshaven in de race was. Om de concurrentie voor te zijn was haast geboden. Daarbij kwam het goed uit dat er vanuit de samenleving weinig verzet kwam tegen de transformatie van dorpen en platteland in havengebied. ‘Ach, onze voorstellen werden in de gemeenteraad bij acclamatie aangenomen, ’ zo herinnerde de toenmalige directeur van het Gemeentelijk Havenbedrijf (1959-1973) Frans Posthuma zich de reacties op de uitbreidingsvoorstellen. Dit had te maken met de mentaliteit zo kort na de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw. Veel Nederlanders herinnerden zich levendig de crisis en de grote werkloosheid van de jaren dertig en legden zich neer bij de onteigeningen voor de haven, in de hoop dat dit zou zorgen voor blijvende werkgelegenheid.

Verder had de Tweede Wereldoorlog duidelijk gemaakt dat Nederland economisch zeer afhankelijk was van Duitsland. Er bestond een publieke en politieke wens om onafhankelijker van het buurland te worden en dat dit industrialisatie en uitbreiding van de haven betekende, werd algemeen aanvaard. Een laatste factor die het gebrek aan weerstand verklaart is de tamelijk afwachtende houding van de bevolking ten opzichte van de politiek in het algemeen; er was meestal weinig verzet tegen het overheidsbeleid en daarnaast bestonden er geen uitgebreide inspraakprocedures en referenda zoals we die nu kennen.

Het natuurgebied De Beer moest plaats maken voor een groot deel van Europoort. Foto uit 1968. (Afbeelding: Fotocollectie Rijksvoorlichtingsdienst Eigen, Gemeente Rotterdam, via het Nationaal Archief, nr. 2.24.10.02)
 

De bevolking rond Rotterdam accepteerde in de eerste helft van de jaren zestig dat persoonlijke opoffering nodig was voor de economische ontwikkeling van Nederland als geheel. Tijdens het besluitvormingsproces van Maasvlakte I liet de provincie Zuid-Holland echter zien dat er weerstand geboden kon worden tegen de havenuitbreidingen. De provincie wilde voorkomen dat de Voornse Duinen, toen en nog steeds een uniek natuurgebied, aangetast werden. Om de duinen te sparen trok de provincie in 1964 een letterlijk rechte lijn op de kaart direct onder de eerdere havenuitbreidingen. Alleen boven deze demarcatielijn (lees: in zee) werden nog uitbreidingen toegestaan.

Dit had grote consequenties voor verder havenuitbreidingen, want een goedkope uitbreiding op land behoorde niet meer tot de mogelijkheden. De nationale overheid bekrachtigde de demarcatielijn toen de gemeente Rotterdam in 1969 probeerde de door de provincie opgelegde beperkingen te torpederen met het Plan 2000+. Deze toekomstvisie ging uit van een bevolkingsgroei tot 20 miljoen Nederlanders in 2000, en een even sterk toegenomen handel. De behoefte aan havenfaciliteiten zou volgens de gemeente Rotterdam navenant groeien. Dit was te zien op een kaart bij het plan, waarop een verdubbeling van de toen bestaande havens op Voorne-Putten was ingetekend, en alle dorpen waren geamoveerd, inclusief grote zoals Brielle, Spijkenisse en Hellevoetsluis. Het plan stuitte echter op felle kritiek uit Voorne- Putten en ging ook Den Haag te ver. De demarcatielijn moest de natuur beschermen, maar behoedde uiteindelijk ook de dorpen voor onteigening.

 

De Europoort groeit, door Polygoon-Profilti (producent) / Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (beheerder), is gelicenseerd onder Creative Commons - Naamsvermelding-Gelijk delen.

 

Maasvlakte II
De volgende belangrijke stap in de groei van de haven was Maasvlakte II, aangekondigd in 1993 in het Rotterdamse Havenplan 2010. Deze kwam geheel op nieuw te winnen land ten zuidwesten van de kust bij Hoek van Holland. Het duurde acht keer zo lang als bij Europoort, geen twee maar zestien jaar, voor het plan was uitgevoerd. ‘De traagheid van rinse appelstroop’, zo omschreef de toenmalige burgemeester Bram Peper het proces in 1996. Het duurde zo lang omdat het project ten eerste veel duurder was dan eerdere havenuitbreidingen. Dit kwam niet alleen omdat de demarcatielijn gehandhaafd werd, maar eveneens doordat lokale bewoners de uitbreiding om zo overlast te voorkomen, het liefst zo ver mogelijk uit de kust wilden laten uitvoeren. Hierdoor kostte Maasvlakte II uiteindelijk 2,3 miljard euro.

Ook maakte dit plan deel uit van een groter project met een dubbele doelstelling, namelijk het combineren van economische stimulering met natuurontwikkeling. Het ging om 750 hectare natuur, wat meer dan 300 miljoen gulden (170 miljoen euro) zou kosten. Door de enorme kosten bestond er veel twijfel in de nationale politiek of een uitbreiding tegen die prijs wel rendabel zou zijn. De discussie hierover zorgde meerdere malen voor uitstel van belangrijke beslissingen. Overigens moesten voor die 750 hectare aan nieuwe natuur wel gebieden onteigend worden.

Een tweede vertragende factor voor Maasvlakte II, naast de kosten, waren nieuwe inspraakprocedures. De burger werd steeds mondiger en wilde meepraten over dit soort megaprojecten. De regering zag zich daarom genoodzaakt in 1995 en 1996 een nationale discussie te organiseren. Verder kregen de milieu- en natuurorganisaties een speciale positie in de besluitvorming doordat ze bij veel besprekingen aanwezig waren, tot op het hoogste niveau. Hierdoor kwamen er veel compensatieprojecten van de grond, maar duurde het proces wel langer.

Lerend van burgerprotesten tegen projecten zoals de Betuwelijn dacht de landelijke overheid met een structurele inspraak aan het begin van het proces tot een snellere afronding te kunnen komen, maar dit was valse hoop. Een hoge mate van burgerparticipatie bleek echter niet te kunnen voorkomen dat organisaties en gemeenten alsnog via juridische wegen het project probeerden tegen te houden. Het kwam zelfs zo ver dat de Raad van State het project in 2004 verwierp, op basis van slecht of niet onderzochte feiten, zoals de invloed op de Waddenzee. Hierdoor werd uiteindelijk het project nog weer vier jaar vertraagd.

Links: De Rotterdamse Haven in 2005 (Afbeelding: NASA, via Wikimedia Commons). Rechts: Kaart van het Maasvlakte II bij Rotterdam uit 2008. (Afbeelding: Havenbedrijf Rotterdam N.V., Projectorganisatie Maasvlakte 2, via Wikimedia Commons)
 

Mentaliteit
Wie de gang van zaken rond de aanleg van Europoort en Maasvlakte II vergelijkt, moet concluderen dat onteigenen of niet onteigenen geen doorslaggevende factor is voor het tempo van de besluitvorming. Veel belangrijker is de heersende mentaliteit. Dat de uitvoering van Maasvlakte II zo lang duurde, kwam behalve door de hoge kosten door de toegenomen invloed van milieu- en natuurorganisaties, de uitbreiding van de inspraakprocedures en de toegenomen behoefte daar ook gebruik van te maken. Er was eenvoudigweg veel meer verzet tegen Maasvlakte II dan tegen Europoort. Waar in de jaren vijftig en zestig het uitbreiden van haven en industrie, ook als daar onteigeningen voor nodig waren, beschouwd werd als vooruitgang, zag men dit in de jaren negentig door de overlast eerder als achteruitgang.

Verder lezen
J.U. Brolsma, Havens, kranen, dokken en veren. De gemeentelijke Handelsinrichtingen en het Havenbedrijf der gemeente Rotterdam, 1882-2006, Matrijs, 2007
P. van de Laar, Stad van formaat. Geschiedenis van Rotterdam in de negentiende en twintigste eeuw, Waanders, 2000

 

 

Delen: