Van ‘klein grijpwerk’ tot roofmoord: vrouwen in de misdaad 17de en 18de eeuw
Chantagemeesteres, dievegge, moordenares… oude rechtbankverslagen maken duidelijk dat ook vrouwen goed voorbereide misdaden pleegden en als crimineel zelfstandig in hun inkomen voorzagen. Tanja Wassenberg spitte strafzaken in Haarlem en Amsterdam uit en schreef er het boek Quaataardige vrouwen in de achttiende eeuw over. Ze belicht voor Geschiedenis Magazine enkele vrouwen die van misdaad leefden.
Grietje en Clara Harmens | 1684
De zussen Grietje en Clara Harmens, vijftien en twintig jaar oud, leefden vermoedelijk onder de armoedegrens, een hard gelag voor jonge vrouwen zonder man, familie of middelen van bestaan. Ze stalen om te overleven, want bedelen was verboden. Een alternatief was het Aalmoezeniershuis, maar de zussen kozen voor een riskantere, maar lucratievere weg. Ze waren naar Haarlem getrokken nadat Clara in Amsterdam met Justitie in aanraking was gekomen. Voor de diefstal van een paar mutsen en een strijkijzer - geen grote buit - werd ze gegeseld en te boek gesteld als ‘notoire dievegge’. Daarna werd ze de stad uitgezet, maar in Haarlem zetten ze hun criminele bedrijf gewoon voort.
Ze specialiseerden zich daar in wat destijds ‘klein grijpwerk’ werd genoemd: een laken gappen van een waslijn in een steeg, sokken pikken van een lijn langs het Spaarne. De één leidde af, de ander graaide; een goed op elkaar ingespeeld duo met een duidelijke taakverdeling. Hun ambities groeiden, en ze sloegen vervolgens toe in een stoffenzaak aan de Damstraat, die uitkomt op het Spaarne. Ze verstopten drie lappen onder hun rokken en verlieten de winkel ongehinderd. Kleding was schaars en leverde goed geld op, net als lappen stof, maar het ging mis toen ze de buit probeerden te verkopen. De rechter veroordeelde hen tot publieke geseling en vier jaar opsluiting in het Werkhuis. Dat was niks bijzonders. Openbare straffen waren de norm: de gestrafte zou zich zó schamen dat die het niet nog eens zou doen, en anderen met criminele plannen werden hopelijk afgeschrikt. Of dat werkte? Als je de oude prenten bekijkt, zie je weinig angst bij het toegestroomde publiek - eerder nieuwsgierigheid en sensatiezucht.
Een verblijf in een Werkhuis betekende dwangarbeid onder een streng regime. Zowel mannen als vrouwen werkten hier lange dagen. Dat diende om hun discipline bij te brengen én om geld in het laadje te brengen voor het Werkhuis zelf. De dagelijkse taken voor vrouwen bestonden uit vlas kammen en kaarden, garen spinnen, stoffen weven, lakens spoelen en kleding naaien of breien.
Anna Jesberg en Hendrica van der Kraaij | 1800
Anna Jesberg, een moeder van drie kinderen, werd weduwe in een tijd zonder sociale voorzieningen. Mensen waren bij tegenslag afhankelijk van familie en vrienden. Maar Anna had nauwelijks een vangnet. Haar broer Hendrik, ooit eigenaar van een broodbakkerij aan de Weesperstraat in Amsterdam, had zijn pand in 1792 met verlies moeten verkopen. Door de toestroom van Joodse bewoners was de buurt veranderd, en haalden vooral kosjere bakkers klanten binnen. Hendrik raakte vermoedelijk failliet en kon Anna na de dood van haar man niet helpen. Ze begon een zwervend bestaan en liet waarschijnlijk haar kinderen achter. Onderweg ontmoette ze Hendrica van der Kraaij, ook een weduwe.
Samen trokken van stad naar stad - Utrecht, Den Bosch, Amsterdam, Haarlem - en trokken een spoor van winkeldiefstallen. Ze waren steengoed op elkaar ingespeeld en lieten niets aan het toeval over. Hun werkwijze was geraffineerd: terwijl de een zich voordeed als klant en een klein, goedkoop artikel kocht, liet de ander dure waar verdwijnen in haar kleding. Bij een bakker bijvoorbeeld rekende de een wat meel af en schoof de ander onopgemerkt een lading luxe koeken onder haar schort. In een stoffenwinkel pasten ze een variant op die beproefde methode toe; ze hadden een deken bij zich als afleidingsmanoeuvre. Een van de vrouwen klaagde dat de deken te zwaar was, legde hem op de grond en wist er in een oogwenk kostbare lappen stof in te verstoppen. Daarna vertrokken ze rustig. Alles met een glimlach, alles volgens plan.
Uiteindelijk liepen de doorgewinterde oplichters in Haarlem tegen de lamp en werden ze wegens bedrog en diefstal veroordeeld. Hun straf is niet bekend, vermoedelijk ook publieke geseling en/of jarenlange opsluiting in het Werkhuis.
Zij waren niet de enige. Cultuurhistoricus Tanja Wassenberg vertelt meer over deze initiatiefrijke vrouwen: deze veelplegers bevonden zich in lastige situaties en handelden om hun eigen leven te kunnen leiden en niet aan de bedelstaf te raken of afhankelijk van de armenhulp te worden. Ze gebruikten slimme afleidingsmanoeuvres, werkten nauw samen en hadden een duidelijke taakverdeling en planning. In het nieuwe nummer 8 van Geschiedenis Magazine lees je er meer over en maak je kennis met andere vrouwen in de misdaad. Abonnees ontvangen dit nummer omstreeks 27 november. Deze editie niet missen maar nog geen abonnee? Abonneer vóór donderdag 13 november om dit nummer te ontvangen. Of haal het na de verschijningsdatum in de boekhandel of in de online webshop.
Delen: