Vader van de economie: Adam Smith en de 'onzichtbare hand'
Op 17 juli 1790 overleed Adam Smith in Edinburgh. Onder meer een plaquette in zijn geboortedorp Kirkcaldy en een standbeeld in Edinburgh werden ter ere van hem geplaatst. Smith werd vooral bekend door een boek in het bijzonder: The Wealth of Nations (1776). Het boek was meteen een groot succes en lanceerde de Schotse filosoof als grondlegger van de economische wetenschap. Hij is nog steeds zeer invloedrijk. Maar wie was hij? En met welk gedachtegoed werd hij zo beroemd?
Adam Smith kwam ter wereld in 1723, in de Schotse kustplaats Kirkcaldy. Het was een tijd van razendsnelle veranderingen, de tijd van de Verlichting, waarin het draaide om wetenschappelijke vooruitgang, de kracht van de rede en grondrechten voor burgers. Tegelijkertijd werden de gevolgen van de industrialisatie voor steeds meer mensen voelbaar: traditionele beroepen verdwenen, de trek naar de steden met hun nieuwe werkgelegenheid nam toe en er verschenen in de loop van de eeuw steeds meer rokende fabrieksschoorstenen
Op veertienjarige leeftijd, niet ongebruikelijk voor die tijd, ging Smith studeren, aan de Universiteit van Glasgow. De charismatische professor moraalfilosofie Francis Hutcheson nam Smith onder zijn vleugels en maakte hem wegwijs in onderwerpen als de logica, ethiek en kennistheorie.
Hoogleraar moraalfilosofie
Na drie jaar kreeg Smith een beurs voor de Universiteit van Oxford als voorbereiding voor een functie in de Anglicaanse kerk, maar dat liep fout. Het anti-Schotse sentiment en de in zijn ogen zeer matige colleges van de professoren maakten het voor Smith geen gelukkige tijd. Hij keerde daarom voortijdig terug naar huis, en stortte zich op het docentschap. Eerst aan de Universiteit van Edinburgh en na een jaar in Glasgow waar hij in eerste instantie een leerstoel logica en metafysica bekleedde. Het duurde niet lang voordat hij in de voetsporen van zijn oude leermeester Hutcheson trad als hoogleraar moraalfilosofie.
Smith was populair onder de studenten. Hij sprak eenvoudig en onverstoorbaar en hij slaagde er altijd in hen te boeien. Ze bewonderden hem ook omdat hij niet zo formeel en stijf was als andere professoren. De avonduren vulde Smith met ontmoetingen met andere filosofen en wetenschappers zoals uitvinder van de stoommachine James Watt.
Empathie
Ondertussen werkte hij aan zijn eerste publicatie. In 1759 verscheen The Theory of Moral Sentiments waarin hij het morele gedrag van mensen verklaarde. Volgens Smith draaide het vooral om wat wij nu beschouwen als empathie: het vermogen van mensen om zich in te leven in de gevoelens van anderen door zich voor te stellen hoe zij zich in dezelfde situatie zouden voelen. Volgens Smith leidde dat tot deugden als rechtvaardigheid, voorzichtigheid en zelfbeheersing. De samenwerking tussen deze ‘morele sentimenten’ liet volgens Smith de samenleving als geheel goed functioneren.
Een langdradige grand tour
Zijn boek vond gretig aftrek in binnen- en buitenland, en trok ook buiten de universitaire wereld de aandacht. De politicus Charles Townshend was zo onder de indruk dat hij Smith een baan aanbood als leermeester van zijn stiefzoon Henry Scott, de hertog van Buccleuch. Smith moest hem voorbereiden op een internationale politieke carrière door tijdens een Grand Tour verschillende Europese landen met hem te bezoeken. Het was een lucratief voorstel: vijfhonderd pond per jaar en een pensioen van driehonderd pond per jaar voor de rest van zijn leven. Smith hapte dan ook toe en reisde van 1764 tot 1766 samen met de hertog, een jonge tiener, naar Toulouse, Genève en Parijs.
Voor Smith was het meer dan alleen financieel interessant. De toer gaf hem de kans in contact te komen met de Europese intelligentsia, zoals de filosoof Voltaire in Genève en de econoom en arts François Quesnay in Frankrijk. Die laatste was een van de grondleggers van de fysiocratie, een nieuwe leer die inging tegen de mercantilistische overtuiging die toen het economisch denken beheerste. Mercantilisten gingen ervan uit dat de rijkdom van een land voortkwam uit handel en het oppotten van goud en zilver. Fysiocraten beweerden daarentegen dat landbouw de basis van de welvaart was.
Voor het overige stelde de langdradigheid van de reis Smith teleur. Vanuit Frankrijk schreef hij zijn vriend en medefilosoof David Hume: ‘Het leven dat ik in Glasgow leidde, was een plezierig, losbandig bestaan vergeleken met het leven dat ik hier momenteel leid. Ik ben begonnen met het schrijven van een boek om de tijd te doden.’ Dat werd uiteindelijk zijn magnum opus An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations (letterlijk: Een onderzoek naar de aard en oorzaken van de rijkdom der naties).
Slechts een kamerjas
In 1766 kwam de reis door Europa tot een abrupt einde toen de jongere broer van de hertog overleed en ze gedwongen huiswaarts keerden. Smith ging terug naar zijn geboorteplaats Kirkcaldy - waar hij samenwoonde met zijn moeder die zo lang als ze leefde en hij in de buurt was voor hem zorgde - om daar zijn eerdere colleges en alle nieuw opgedane inzichten en theorieën te verwerken. Tussendoor maakte hij lange wandelingen om zijn gedachten te ordenen. Kennelijk was hij nogal verstrooid. Het verhaal gaat dat een van die wandelingen uitliep op een tientallen kilometers lange tocht naar Dunfermline waar hij, in gedachten verzonken en slechts gekleed in een kamerjas, pas door het geluid van de kerkklokken van de stad zich weer bewust werd van waar hij was.
Op wereldtoneel
De wereld stond ondertussen niet stil en nieuwe financiële en economische ontwikkelingen hielden Smith zeer bezig, waardoor zijn onderzoek almaar meer tijd kostte. Zijn voormalige werkgever Charles Townshend was in 1766 tot minister van Financiën benoemd en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor nieuwe belastingen die de Amerikaanse koloniën aan het moederland moesten betalen. De spanningen met Londen namen hierdoor sterk toe. Ook interessant voor Smith was de discussie vanaf 1772 in het Britse parlement over het inperken van het monopolie van de private East India Company over Brits Indië; het bedrijf was kort tevoren in financiële problemen geraakt en de overheid moest financieel bijspringen.
Slechte gezondheid
Daarnaast speelden privéomstandigheden een rol in het uitblijven van zijn boek. In 1772 schreef Smith aan een vriend dat het ‘deze winter klaar zijn zou geweest voor de drukker. Maar onderbrekingen, deels veroorzaakt door een slechte gezondheid, voortkomend uit gebrek aan vermaak en door te veel nadenken over één ding […] zullen mij ertoe verplichten de publicatie ervan nog een paar maanden uit te stellen.’
Een paar maanden werden uiteindelijk een paar jaar, want in 1773 verhuisde hij naar Londen: hij wilde bovenop het laatste nieuws over de rebelse Amerikaanse koloniën zitten en meteen kunnen zien wat het zou betekenen als een land geen last had van oude feodale wetten en instellingen. Bezoeken aan de wetenschappelijke Royal Society of London en de British Coffeehouse, waar veel andere Schotten kwamen, brachten vertier.
Een onzichtbare hand
Eind 1775 bracht hij dan toch zijn boek naar de drukker en op 9 maart 1776 kwam An Inquiry into the Nature and Causes of The Wealth of Nations in de verkoop. De eerste druk, van naar verluidt 750 exemplaren, bestond uit twee delen die samen bijna duizend pagina’s besloegen. Daarin betoogde Smith dat de welvaart van een land afhankelijk was van de hoeveel goederen en diensten die arbeiders konden produceren. De productie kon worden verhoogd door werk op te delen in gespecialiseerde taken. Handel tussen landen en steden zorgden er in de ogen van Smith voor dat iedereen produceerde waar hij het beste in was. Hij pleitte daarom voor concurrentie en vrije handel, en was tegen monopolies en handelstarieven en bekritiseerde daarmee ook de beknotting van de Britse kolonies.
Aansprekend was zijn term ‘onzichtbare hand’: als mensen hun eigen economische belangen nastreefden, droegen ze onbedoeld ook bij aan het welzijn van de samenleving als geheel. Zo oefenden ze een onzichtbare en tegelijkertijd onmisbare positieve invloed uit op de maatschappelijke harmonie en welvaart. De overheid moest zich dan wel beperken tot kerntaken: defensie, rechtsspraak, onderwijs en publieke werken zoals kanalen en wegen, die immers cruciaal waren voor welvaart en economische ontwikkeling. Smith vond belastingen noodzakelijk om deze overheidstaken te financieren, maar benadrukte dat ze rechtvaardig, efficiënt en voorspelbaar moesten zijn en de economische groei niet mochten verstikken.
Een succes
Binnen zes maanden was de eerste druk uitverkocht, en tot aan het overlijden van Smith in 1790 zou dat nog vier keer gebeuren. Een groot succes, en dat valt te verklaren. Zijn theorie sloot veel beter dan het mercantilisme en de fysiocratie aan bij de steeds sneller industrialiserende maatschappij. Daarmee inspireerde hij politici van zijn tijd, zoals de Britse premier William Pitt de jongere en Thomas Jefferson, een van de Founding Fathers van de Verenigde Staten. Andere economen als David Ricardo en Thomas Malthus, maar ook fervente tegenstanders zoals Karl Marx, bouwden voort op zijn werk.
De nalatenschap van Smith was echter groter dan dat. Zijn ‘onzichtbare hand’ legde de basis voor de vrijemarkteconomie. The Wealth of Nations was het fundament van het invloedrijke klassiek liberalisme waarin eigendom, individualisme en marktwerking centraal staan. Nog steeds, 250 jaar na dato, gebruiken politici, economen en voor- zowel als tegenstanders van vrije handel of overheidsingrijpen het voor de onderbouwing van hun eigen ideeën. Niet voor niets geldt Adam Smith in brede kring als de vader van de economie.
Verder lezen
- Ian S. Ross, The Life of Adam Smith, Oxford University Press, 2010
Dit artikel verscheen eerder in Geschiedenis Magazine (nummer 1, jaargang 2026) onder de titel: 'Vader van de economie'.
Delen: