Titia Bergsma: eerste westerse vrouw in Japan maakt grote indruk

Eeuwenlang verliep het enige contact tussen Japan en de westerse wereld via Deshima, een eilandje ongeveer zo groot als de Dam. Hier mochten sinds 1641 tien tot vijftien kooplieden verblijven, maar alleen Nederlanders en uitsluitend mannen. Vanaf 1817 kwam daar echter een vrouw bij: de Friezin Titia Bergsma. Ondanks haar korte verblijf maakte ze een enorme indruk. Twee eeuwen later zien we haar nog steeds terug in de Japanse portretcultuur.

Weg uit Leeuwarden
Wie was Titia Bergsma? En hoe kwam een Fries meisje in Japan terecht? Titia werd in 1786 in Leeuwarden geboren als de middelste van drie dochters van Ennius Bergsma en Barthina Bouwina Schultz. Het was een welgesteld gezin: Ennius was een gerenommeerd jurist die later zou toetreden tot wat nu de Hoge Raad heet. In 1804 ontmoette Titia de handelaar Jan Cock Blomhoff, die haar twee jaar later ten huwelijk vroeg. Titia’s ouders vonden haar echter nog te jong. Het gezin Bergsma verhuisde in 1811 naar Den Haag, waar Titia Jan in januari 1815 toevallig weer tegenkwam. Ze trouwden en verhuisden naar Dordrecht, waar Jan ging werken als boekhouder bij de legermagazijnen.     

In 1816 veranderde er veel voor het echtpaar. Niet alleen kregen ze hun eerste kindje – Johannes – maar Jan kon bovendien aan de slag als magazijnmeester in Batavia. Met haar man, Johannes en de min, Petronella Munts, zeilde Titia naar Java. Daar kreeg Jan te horen dat hij de lucratieve post van opperhoofd op het handelseiland Deshima kon vervullen. Met de Vrouwe Agatha reisde het gezin in 1817 naar dit Japanse eilandje, dat gelegen was in de smalle baai bij Nagasaki.

Titia kijkt naar haar zoontje Johannes op de arm van het dienstmeisje Petronella Munts. Anoniem, 1817 - 1864. Rijksmuseum Amsterdam.

  

Voorpost van een mysterieuze wereld
Voor buitenlanders was Japan in deze periode nog een groot mysterie. Het vasteland van Japan was hermetisch afgesloten van de buitenwereld en de internationale handel was buitengewoon beperkt. Er mocht alleen gehandeld worden met Chinese en Nederlandse kooplieden die uitsluitend toegang hadden tot twee kleine, afgesloten handelsposten in de baai van Nagasaki. De Nederlandse kooplieden hadden hun plek op het eilandje Deshima, andere buitenlandse kooplieden waren al sinds 1641 niet meer welkom. Deshima vormde zo de enige contact tussen Japan en het Westen, en alleen een smalle brug verbond dit kunstmatige eilandje met de rest van Japan. In ruil voor Hollandse stoffen kochten de Nederlandse handelaren veelal koper, goud, zilver en porselein uit Japan. De Japanse controle op de Nederlanders en hun handelswaar was buitengewoon strikt. Alles bij elkaar gingen er eens per jaar een of twee schepen vanuit Batavia naar Deshima.  

Toen Titia en Jan er vlak na de Franse Tijd aankwamen, was er echter in geen jaren contact geweest tussen Deshima en Batavia. Wat zich in Europa onder Napoleon had afgespeeld was goeddeels aan het eiland voorbij gegaan. De Engelsen hadden tijdens de Coalitieoorlogen nog geprobeerd de Nederlandse handelskolonie over te nemen, met de Franse bezetting in Europa was die in hun ogen immers ook in Franse handen gekomen. Maar de Japanners en de Nederlandse vertegenwoordiger hadden zich verzet tegen de annexatie. Deshima was hierdoor de enige plek ter wereld waar de Nederlandse driekleur in de Franse Tijd bleef wapperen.   

De baai van Nagasaki. Nederlandse en Chinese schepen liggen voor anker en op de voorgrond dobberen wat vissersbootjes. Links is het sikkelvormige eilandje Deshima te zien. Vanaf hier dreven de Nederlanders van 1641 tot 1859 als enig westers land handel met Japan. Op het rechthoekige eiland uiterst links was de Chinese handelspost gevestigd. Kawahara Keiga (atelier van), ca. 1833 - ca. 1836. Rijksmuseum Amsterdam.

 

Een exotische verschijning 
Voor Titia was het nog niet eenvoudig om op Deshima te verblijven. In overeenstemming met het strenge sakoku-beleid, de isolationistische buitenlandse politiek waarmee Japan zich sinds 1633 vrijwel geheel afsloot van de buitenwereld, mocht geen enkele westerse vrouw voet aan wal zetten in Japan. Ook niet op Deshima. Jan had dit kunnen weten want hij had van 1809 tot 1813 al op het kunstmatige eilandje bij Nagasaki gewoond. Maar hij dacht dat de autoriteiten voor hem wel een uitzondering zouden maken: hij had nu immers nu zo’n belangrijke positie. Zijn Europese mentaliteit zat hem daarbij flink in de weg. Hij rekende op de welwillendheid van de gouverneur van Nagasaki, en na flinke aarzeling gaf deze de hele familie uiteindelijk toestemming. De meerdere van de gouverneur, de shogun Tokugawa Ienari in Edo - het huidige Tokio -, dacht daar echter anders over. Ruim vijf weken later liet hij weten dat Titia, Petronella en Johannes Deshima alsnog moesten verlaten. De gouverneur had hun verblijf nooit mogen toestaan en kon meteen zijn biezen pakken. 

De komst van Titia was inmiddels echter niet onopgemerkt gebleven. Ze was, samen met haar min Petronella, namelijk de eerste westerse vrouw die, tegen de regels in, een bezoek bracht aan Japan. De meeste aandacht ging echter naar Titia. Met haar rode haar, ronde ogen, parfum, afwijkende kleding en een rechte manier van lopen, was ze voor veel Japanners een bijzondere verschijning. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. Ook omdat Titia gewoon hand in hand met haar man, in plaats van enkele stappen achter hem. 

Van links naar rechts: de min Petronelle Munts met het zoontje Johannes, de bediende Maraty en Titia. De tekst links verwijst naar hun komst in 1817. Deze ongesigneerde schildering lijkt compositorisch sterk op bekend werk van Ishizaki Yushi, maar is niet van zijn hand. Nationaal Museum van Wereldculturen.

 

Altijd met paraplu, oorbellen en haarkam 
Al snel trok Titia ook de aandacht van Japanse kunstenaars. Er waren in Nagasaki twee schildersgilden. Tot hun takenpakket behoorde onder meer het nauwkeurig vastleggen van alle exotische zaken die zich in Nagasaki afspeelden. Titia viel zeker in die categorie en talloze Japanse schilders hebben haar geportretteerd. Zo ook de twee gerenommeerde Japanse schilders Keiga Kawahara en Ishizaki Yushi. Keiga werd door het Hof aangewezen om te dienen als correspondent-schilder in Deshima. Zijn leermeester Ishizaki, wiens stijl veel volgelingen kende, moest van het Hof in eerste instantie vooral de Chinezen op ‘hun’ eiland in beeld brengen. Het waren deze twee kunstschilders die zich toelegden op het schilderen van Titia. Ze hadden veel bewondering voor de – in hun ogen – unieke verschijning en levensstijl van de Friezin. Ze portretteerden haar in alle mogelijke poses, vaak met andere leden van het gezin Cock Blomhoff. Er was veel vraag naar de afbeeldingen, want de inwoners van Nagasaki mochten niet zelf naar Deshima om haar met eigen ogen te bekijken. De portretten zijn later in diverse ateliers gekopieerd, vaak voorzien van nieuwe, eigen interpretaties.  

Veel Japanse schilders probeerden met hun werken het ‘typisch Hollandse’ in beeld te krijgen. Zo maakte de beroemde schilder Ishikawa Moko een schilderij van Titia terwijl ze op een piano speelt. Op het schilderij was ook te zien hoe haar man een pijp rookt, hoe Petronella zich ontfermt over de kleine Johannes en hoe de Javaanse dienstbode drankjes brengt. Het geheel moest ‘Hollandse gezelligheid’ uitstralen. Hetzelfde gold voor de schilderijen waarop te zien is hoe het Nederlandse gezin met gasten aan het eten is. Allerlei alledaagse zaken op Deshima legden de schilders op die manier vast.

Van links naar rechts: Jan Cock Blomhoff, de min Petronella Munts, Titia Cock Blomhoff-Bergsma met zoontje Jan en twee Javaanse bedienden. Toegeschreven aan Ishizaki Yushi, 1817. Rijksmuseum Amsterdam.

 

Op de schilderijen heeft Titia steeds enkele dezelfde kenmerken. Zo kijkt ze steevast naar links en heeft ze vaak een paraplu als attribuut. Oorspronkelijk werd ze vrijwel altijd afgebeeld met oorbellen, een haarkam, een specifieke jurk en een rode koraalketting. Hoewel de Japanse schilders het ‘exotische’ probeerden af te beelden, heeft Titia op veel afbeeldingen Japans aandoende ‘amandelogen’. Aan het talent van de schilders kan het niet hebben gelegen: Keiga was een grote naam, ook op het terrein van het mengen van oosterse en westerse stijlen. Verder springt het hoofd van de kleine Johannes in het oog: hij lijkt meer een kleine volwassene dan een kind. Het weergeven van de leeftijd was voor Japanse kunstenaars kennelijk minder relevant. Karakteristiek voor de Japanse traditie is dat de schilderijen zeer weinig diepte hebben. De ruimte waar Titia zich in bevindt is vaak niet afgebeeld. Het effect daarvan is dat alle aandacht automatisch gaat naar de voor Japanners zo exotische figuren.    

Van links naar rechts: de min Petronella Munts met de kleine Johannes, de Javaanse bediende Maraty, en Titia. Rolschildering op zijde, gemonteerd op papier, anoniem, 1817 – 1825. Rijksmuseum Amsterdam.

 

Vertrokken maar niet vergeten 
Na haar verblijf van drie maanden werd Titia uiteindelijk in december 1817 gedwongen te vertrekken. Ze schreef nog een smeekschrift, maar het mocht niet baten. Samen met Johannes, Petronella en haar bediende reisde ze terug met het schip waarmee ze was gekomen. Via Batavia kwam ze weer in Nederland terecht, waar ze uiteindelijk na enkele jaren van ziekte in 1821 op jonge leeftijd stierf. Ze werd begraven bij de Nieuwe Kerk in Den Haag. Haar man bleef achter op Deshima en vernam pas 1,5 jaar later (!) van haar overlijden.

In Japan werd Titia Bergsma niet vergeten. De sporen van haar korte verblijf op Deshima zijn ook twee eeuwen later nog zichtbaar in de Japanse portretcultuur. Talloze Japanse schilders hebben Titia als eerste westerse vrouw in Japan geportretteerd. De reputatie van Keiga Kawahara en Ishizaki Yushi heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de belangrijke rol die Titia is blijven spelen in de Japanse kunst en beeldcultuur. Hun beeltenissen van Titia zijn eindeloos gekopieerd op schilderijtjes, porseleinen servies en op honderden souvenirs die tot op de dag van vandaag worden verkocht in Nagasaki.


Deze tekst is gebaseerd op een artikel van Peter de Haan dat onlangs is verschenen in het Historisch Tijdschrift Fryslân afl. 2 van 2021 (maart/april). 


Verder lezen en kijken

Karin van der Wolf, Titia Bergsma. Friese charme betovert Japanners, 2021, ISBN 9789090342061, € 9,95, verkrijgbaar bij Keramiekmuseum Princessehof, het Fries Museum en via de webshop www.flevomedia.nl/boekenwinkel

Gijs van der Ham, ‘Japans portret van een Nederlandse familie’ in: De geschiedenis van Nederland in 100 voorwerpen, De Bezige Bij, 2013, p. 363-368 

René Bersma, Titia Bergsma 1786-1821: onbekend maar niet vergeten, korte documentaire, 2021, hier te bekijken

René Bersma, Titia, de eerste westerse vrouw in Japan, Mozaic, 2003 

Paul Kramer, Verliefd op Titia, documentaire, 2008

Jolien C. Hemmes, Brieven uit Deshima : met het manuscript van Ennius H. Bergsma over de reis, 200 jaar geleden, van Jan Cock Blomhoff en Titia Bergsma, met hun zoontje, naar Japan, Vivi Techni, 2017 

Delen: