Suriname 50 jaar onafhankelijk
Tot de jaren '70 was er in Suriname weinig steun voor onafhankelijkheid. Toch werd in 1975 de onafhankelijkheid een feit. Dit kwam nadat politicus Henck Arron, om de verkiezingen van 1973 te winnen, de steun had gezocht van een kleine nationalistische partij. Na de overwinning kondigde hij, tot verbazing van velen, in de regeringsverklaring aan dat de onafhankelijkheid uiterlijk in 1975 zou worden gerealiseerd. Over dit onderwerp was tijdens de verkiezingscampagne niets gezegd. Zijn toespraak sloeg in als een bom, en er ontstond grote onrust. De bevolking voelde zich overvallen en er dreigde zelfs een burgeroorlog uit te breken.
Geen nationalisme
Minister-president Joop den Uyl noemde de onafhankelijkheid van Suriname het voornaamste wapenfeit van zijn premierschap (1973-1977). In 1975 ondertekende hij met de Surinaamse premier Henck Arron de onafhankelijkheidsacte in Paramaribo. Samen met andere Nederlandse politici en met kroonprinses Beatrix en prins Claus nam Den Uyl vervolgens deel aan de feestelijkheden.
De koloniale relatie tussen Nederland en Suriname was overigens formeel al beëindigd: het Koninkrijksstatuut van 1954 verleende Suriname een autonome status binnen het Nederlandse koninkrijk. Het bestuurde zichzelf, terwijl defensie en buitenlandse betrekkingen de verantwoordelijkheid bleven van Nederland; dat droeg ook geld bij voor de economische ontwikkeling.
Tot eind jaren ’60 meenden de meeste Nederlandse politici dat niet Den Haag het initiatief diende te nemen voor wijziging of opheffing van dit Statuut, maar dat zo’n verzoek uit Suriname zelf moest komen. Het nationalisme was hier echter nauwelijks ontwikkeld. Voor een belangrijk deel hangt dit samen met het gesegmenteerde karakter van de Surinaamse bevolking. De drie grootste bevolkingsgroepen - Creolen, Hindostanen en Javanen - verschilden in taal, religie en tradities. Mede daardoor ontbrak een gevoel van onderlinge verbondenheid. Sinds eind jaren ’50 streefden Creoolse intellectuelen wel naar onafhankelijkheid, maar hun invloed onder kiezers was destijds gering. Javanen waren meestal niet voor onafhankelijkheid, maar vooral de politieke leider van de Hindostanen, Jagernath Lachmon, was een verklaard tegenstander van staatkundige veranderingen en het vertrek van de Nederlanders. Suriname diende eerst economisch tot bloei te komen. Hij vreesde dat anders de al decennia opgebouwde etnische spanningen in geweld zouden ontaarden, en dat de Creolen politiek dominant zouden worden en de Hindostanen in een tweederangspositie terecht zouden komen.
Stroomversnelling
Er was aan beide zijden van de oceaan dus lange tijd weinig animo voor onafhankelijkheid, maar dat veranderde eind jaren ’60. Begin 1969 leidden arbeidsonlusten tot de val van de toenmalige Surinaamse regering. In mei werden de belangrijkste winkelstraten in Willemstad op Curaçao geplunderd en platgebrand omdat een loonconflict bij olieraffinaderij Isla (Shell) uit de hand liep en tot een volksopstand uitgroeide. Met behulp van Nederlandse mariniers werd daar de orde hersteld.
‘Neokolonialisme’, werd er geroepen, ook in Nederland: dit was de tijd van studentenrevoltes, demonstraties tegen de oorlog in Vietnam en protesten tegen de neokoloniale uitbuiting van de derde wereld. Daarnaast groeide in andere kringen de angst dat Nederland ‘overspoeld’ zou worden door Surinamers; die kwamen namelijk al in de jaren ’60 in groten getale over om hier te studeren of werk te zoeken.
Medio 1971 wilden alle fracties in de Tweede Kamer dat Suriname en de Nederlandse Antillen onafhankelijk werden. De PvdA in het bijzonder streefde ernaar dat dat spoedig zou gebeuren, maar ook D’66 en de PPR spraken zich daarvoor uit. Het voornemen om een datum vast te stellen stond in 1973 in de regeringsverklaring van het kabinet-Den Uyl. Dit was mede een poging af te rekenen met postkoloniale schuldgevoelens en schaamte: de medewerking van de PvdA aan de koloniale oorlog in Nederlands-Indië werd gezien als een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de partij, ook al was die passief en onvrijwillig geweest.
Door de strot geduwd
Tegelijkertijd vond in Paramaribo een politieke omwenteling plaats: binnen de Creoolse politieke combinatie die onder leiding van Henck Arron in 1973 de verkiezingen won, zorgde een kleine nationalistische partij ervoor dat de onafhankelijkheid hoog op de agenda kwam te staan. Arron had dat partijtje nodig om zijn coalitie aan een overwinning te helpen, dus hij moest een concessie doen: in februari 1974 kondigde hij in de regeringsverklaring aan dat de kwestie ‘ultimo 1975’ geregeld zou zijn. Aangezien hier tijdens de verkiezingscampagne niets over gezegd was, sloeg dit in als een bom en het al sterk gepolariseerde Suriname dreigde in een raciale burgeroorlog te belanden. Er werd her en der brand gesticht in Paramaribo. Militante Hindostaanse groepen eisten een verdeling van het land in een Creools en een Hindostaans deel; dat laatste zou dan bij het Koninkrijk blijven. Enkele leden van de (Creoolse) regeringsfractie sloten zich aan bij de oppositie, want de regering duwde naar hun mening de bevolking de onafhankelijkheid door de strot. Andere eisten een referendum.
Arron behield uiteindelijk een uiterst krappe parlementaire meerderheid van één zetel, en zette de voorbereidingen en onderhandelingen met Den Haag door over bijvoorbeeld de opbouw van het Surinaamse leger en de hoogte van de ontwikkelingshulp - het eerste Nederlandse bod was 500 miljoen gulden (zo’n 230 miljoen euro).
Arron had Den Uyls kabinet als bondgenoot, dus de verschillende actiegroepen in Suriname die politieke interventie vanuit Den Haag vroegen, kregen nul op het rekest. Ondertussen lieten massa’s Surinamers zien wat ze van de hun opgedrongen onafhankelijkheid vonden: uit onzekerheid over de toekomst vertrokken in 1973, 1974 en 1975 zo’n zeventigduizend inwoners, bijna een vijfde van de bevolking, naar Nederland. Opgeteld bij de eerder gearriveerde migranten woonden hier eind 1975 in totaal ruim honderdvijftigduizend Surinamers; ter vergelijking: heel Suriname telde toen 350.000 mensen.
Onafhankelijkheidsdag, 25 november, leek door de verhitte gemoederen op een bloedbad uit te draaien maar een week van te voren verzoenden premier Henck Arron en oppositieleider Lachmon zich met elkaar. Den Haag kwam namelijk met een substantiële verhoging van het ontwikkelingsgeld over de brug: 3,5 miljard gulden (oftewel 1,6 miljard euro), uit te smeren over 10 jaar. Volgens Den Uyl maakte deze gouden handdruk het hele proces tot een unieke model-dekolonisatie. In elk geval trok het ‘afscheidsgeschenk’ Lachmon over de streep. Ook het feit dat de als onpartijdig beschouwde gouverneur Johan Ferrier de eerste president zou worden, stelde Lachmon gerust. De Surinaamse bevolking haalde opgelucht adem en Onafhankelijkheidsdag werd uitbundig gevierd.
Maar het vertrek van tienduizenden landgenoten had ingrijpende gevolgen, ook op de langere termijn. In het nieuwe nummer van Geschiedenis Magazine vertelt Hans Ramsoedh meer over de recente geschiedenis vanSuriname, van de onafhankelijkheid tot nu. Abonnees ontvangen dit nummer omstreeks 9 oktober. Dit nummer niet missen maar nog geen abonnee? Abonneer vóór donderdag 25 september, om dit nummer te ontvangen. Of haal het nummer na de verschijningsdatum in de boekhandel of in de online webshop.
Delen: