Spaanse Griep: mysterieuze ziekte met miljoenen slachtoffers

In China heerst momenteel een raadselachtig longvirus. De vroegste symptomen van dit zogenaamde coronavirus, dat het eerst opdook in de stad Wuhan, komen overeen met verkoudheid. Iets westelijker, in de provincie Shanxi woedde ruim honderd jaar geleden een andere moeilijk te duiden longziekte. Mogelijk ging het toen om de eerste uitbraak van de Spaanse Griep. Hoe verliep die epidemie? En hoe reageerden burgers, bestuurders en medici in China, Alaska, Spanje, New York en Nederland?

 

Mahoniebruine vlekken
Het was niet zomaar een griepje. Na een betrekkelijk milde griepgolf in het voorjaar van 1918, keerde de Spaanse Griep* in de herfst veel kwaadaardiger terug. Ook de kans op een bijkomende bacteriële longontsteking was groter. Angstaanjagend was dat juist volwassenen tussen de 20 en 40 slachtoffer werden. Eenmaal aangestoken kregen patiënten al snel ademhalingsproblemen. Er verschenen twee mahoniebruine vlekken op hun jukbeenderen, waarna binnen enkele uren het hele gezicht die kleur kreeg. Om inzicht te krijgen in het verloop van de ziekte probeerden artsen de gelaatstint zo precies mogelijk te duiden. Rood was nog hoopvol, hoe paars-blauwer hoe slechter. Een delirium kwam veel voor: geagiteerde patiënten moesten worden vastgebonden in bed. Sommige zieken begonnen spontaan uit hun neus en mond te bloeden. Hun borstkas zwol op, de longen zaten vol bloed. De vingers en tenen werden eerst zwart, inclusief de nagels, waarna de donkere kleur geleidelijk naar de romp optrok. Had de zwarte tint eenmaal zijn intrede gedaan, dan volgde de dood binnen enkele uren of dagen. 

Zelfportret met de Spaanse griep van Edward Munch. De schilder werd rond de jaarwisseling van 1918-9 ziek. Hij legde de verschillende stadia vast in een reeks schetsen en schilderijen (Nasjonalmuseet Oslo, publiek domein, via Wikimedia Commons).

 


Wie beter werd, had soms nog lang te kampen met gevolgen van de ziekte. Wanneer de koorts eenmaal gezakt was, voelden veel mensen zich depressief. Ze kwamen bij in een kleurloze, grauwe wereld: door de ontsteking van een oogzenuw kon de griep leiden tot een vorm van kleurenblindheid. Patiënten meldden bovendien duizeligheid, slapeloosheid en een aangetast gehoor- en reukvermogen. Een enkeling bleef chronisch ziek: de griep kon uitmonden in slaapziekte en ernstige Parkinson.

 

Het groot dodelijk tijdperk
Vergeleken met andere delen van de wereld viel het in Europa nog mee. De Spaanse griep rolde van begin 1918 tot eind 1920 in drie golven de wereld over en stak een op de drie mensen aan: in totaal ongeveer een half miljard. Naar schatting overleed tussen de 2,8 en 5,7 procent van de wereldbevolking aan de ziekte, dat is tussen de 50 en 100 miljoen mensen. In Europa lag dat gemiddelde met ca. 1,1 % aanzienlijk lager. Rijkere landen, stedelijke regio’s en gebieden met sterke transportnetwerken kwamen er het best vanaf. Zo velde de griep in Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Nederland ongeveer 0,5 % van de bevolking. Hoewel precieze aantallen onmogelijk zijn te reconstrueren, zijn wetenschappers het erover eens dat deze griep het meeste slachtoffers eiste in Afrika en Azië, waar India het hardst werd getroffen; hier stierven volgens een zuinige schatting ongeveer 18 miljoen inwoners (5%). 

Het kwetsbaarst waren sterk geïsoleerde plaatsen, waar de bevolking niet regelmatig met griepvirussen in aanraking kwam en slechts beperkte toegang had tot medische zorg. Op de eilanden van Tonga in de Grote Oceaan overleed ongeveer 10% van de inwoners, op West-Samoa was dat zelfs 22%. Sommige gemeenschappen kwamen de Spaanse griep nooit meer te boven. In Brevig Mission in Alaska stierf 90% van de Iñupiat bevolking. Slechts een handvol kinderen van 14 en 15 jaar overleefde. Het Yupik gebied rond Bristol Bay verloor ongeveer 40% van zijn bevolking. Dorpen hielden eenvoudig op te bestaan. De overlevende Yupik zouden zich de periode herinneren als de ‘Tuqunarpak’ , het groot dodelijk tijdperk. 

Slachtoffers van de Spaanse griep worden begraven in North River, Labrador, Canada (1918). Net als in Alaska had de epidemie in Labrador rampzalige gevolgen voor de inheemse bevolking: bijna een derde van de Inuit bevolking stierf eraan de ziekte. In 1951 en opnieuw in 1997 opende Brevig Mision, in Alaska, zou de Amerikaanse arts Johan Hultin in Brevig Mision (in Alaska) 1951 – en opnieuw in 1997 – met toestemming van de dorpsraad een massagraf openen en haalde longweefsel van een griepslachtoffer weghalen. Door de permafrost was het materiaal bijzonder goed bewaard. Op basis hiervan werd in 2005 de eerste complete genensequentie van de Spaanse griep vastgesteld (foto publiek domein, via Wikimedia Commons).

 

Geen voetnoot bij de Eerste Wereldoorlog
Er is lange tijd weinig aandacht geweest voor de Spaanse griep. Dat is gezien het dodental schokkend, maar niet moeilijk te verklaren: het grootste deel van onze geschiedschrijving gaat immers nog steeds over West-Europa en de Verenigde Staten. En in het Westen had de Eerste Wereldoorlog (17 miljoen dodelijke slachtoffers) meer impact dan de griep. In Frankrijk eiste de oorlog zes keer meer levens dan de pandemie, in Duitsland vier keer en in Groot-Brittannië drie keer. Daarbij was het geschiedverhaal van de Spaanse griep ook niet zo makkelijk te schrijven: het was gissen naar het aantal slachtoffers en de verspreidingsroute van de ziekte was vaak onduidelijk, ze kwam ineens op en was net zo plots weer verdwenen. Bovendien waren er eigenlijk alleen maar verliezers. Wie had er baat bij om stil te staan bij de griep: de artsen die met lege handen hadden gestaan, de overheden die niet wisten wat ze moesten?

Sinds een jaar of twintig is dat echter veranderd. In recente populaire televisieseries en films, zoals Downton Abbey en The Twilight Saga speelt de Spaanse griep een belangrijke rol. De herhaaldelijke uitbraken van de vogelgriep de afgelopen jaren en van de - aan de Spaanse griep verwante - varkensgriep in 2009 hebben zowel de angst voor een grieppandemie als de interesse voor de Spaanse griep nieuw leven ingeblazen. De terugblik op de pandemie, eind 2018 honderd jaar geleden, was aanleiding voor een stroom aan documentaires, kranten- en tijdschriftartikelen en (gedenk)boeken. Zo verscheen van Laura Spinney al de belangrijke en vlot geschreven synthese De Spaanse griep. Hoe de pandemie van 1918 de wereld veranderde. Ook de wetenschappelijke griepgeschiedschrijving heeft sinds het einde van de jaren 1990 een enorme vlucht genomen. Medici, biologen, genetici, psychologen, economen, geografen, sociologen en historici hebben zich op het onderwerp gestort, en ze kijken verder dan West-Europa en de Verenigde Staten. Beetje bij beetje worden de witte vlekken op de kaart ingevuld. We zien hoe hetzelfde griepvirus in noordelijk China, Alaska, Spanje, New York en Nederland heel verschillende culturele en politieke antwoorden kon uitkokken, maar ook dat de onzekerheden, angsten en bestuurlijke reacties opmerkelijk vaak overeenkwamen.

 

Verpleging van grieppatiënten in het Amerikaanse legerhospitaal Walter Reed Hospital, het ziekenhuis voor het Ameriaanse leger in  Washsington D.C. Vanuit de legerbases aan de oostust van de VS werden mMilitairen uit heel het landde VS vertrokken via legerbases aan de oostkust naar het frontingescheept  innaar Frankrijk. Juist deze massale troepenverplaatsing droeg bij aan de snelle verspreiding van de ziekte (Library of Congress).

 

Was het longpest?
We moeten niet vergeten: eerst wist niemand wat het was. In december 1918 brak de Spaanse griep voor de tweede keer uit in de heuvelachtige omgeving van Fenzhou, midden in de geïsoleerde en aartsconservatieve Chinese provincie Shanxi. De westers georiënteerde provinciegouverneur, Yen Hsi-shan (Yan Xishan), riep de hulp in van Amerikaanse missionaris Percy Watson. Na een tocht van vijf dagen per muildier kwamen Watson en zijn medewerkers aan in het besmette gebied. Watson kwam erachter dat er verderop in het district eind november al een oude vrouw was overleden die heftige neusbloedingen had gehad - karakteristiek voor de Spaanse griep. Volgens traditioneel gebruik had de vrouw tien dagen opgebaard gelegen in een open kist op de binnenplaats. Watson reconstrueerde dat zij heel goed de ‘link’ tussen de najaarsepidemie en de nieuwe uitbraak kon zijn. 

Toch twijfelde hij aan de diagnose. De nieuwe epidemie was namelijk zowel extreem besmettelijk als zeer dodelijk: rond de 80% van de mensen die in contact waren geweest met een levende patiënt werd ziek en geen van hen herstelde. Hij dacht eerder aan de longpest. De enige manier om duidelijkheid te krijgen was door sectie te verrichten op een overleden patiënt, maar dat was voor de conservatieve bevolking onacceptabel. Uiteindelijk wisten Watson en zijn assistenten toch enkele monsters sputum en longweefsel van slachtoffers in handen te krijgen. Bij microscopisch onderzoek troffen ze echter geen pestbacterie aan, wel zagen ze de sporen van zwelling in het longweefsel die deden denken aan de Spaanse griep. 

 

Kleiner dan een bacterie
Watson was niet de enige die het allemaal niet precies wist. Omdat de oorzaak van de ziekte nog niet bekend was, kon de Spaanse griep in 1918 nog niet met zekerheid gediagnosticeerd worden. Het succes van de in de tweede helft van de 19de eeuw door Louis Pasteur en Robert Koch verfijnde ziektekiemtheorie maakte het verleidelijk om voor elke aandoening een bacterie aan te wijzen. Richard Pfeiffer, een student van Koch, identificeerde dan ook de bacterie die verantwoordelijk zou zijn voor de influenza. De bacil van Pfeiffer wordt inderdaad vaak in het menselijk keelgat aangetroffen en veroorzaakt een ziekte, maar geen griep. Tijdgenoten twijfelden. De bacil van Pfeiffer werd niet bij alle grieppatiënten aangetroffen, dus dat kon de boosdoener niet zijn, maar een andere oorzaak zagen ze ook niet. De medici tastten in het duister. Sommigen vermoedden wel dat er ‘iets’ moest zijn dat kleiner was dan een bacterie, maar een virus is wel 20 keer kleiner en niet met een optische microscoop waar te nemen. Werkelijke zekerheid over het griepvirus zou er pas in de jaren ’30 komen.

Het virus werd gereconstrueerdhet virus en ligt nu opgeslagen in bewaakte laboratoria. Hier zien we er een electronenmicroscopische foto van het griepvirus (foto publiek domein via Wikimedia Commons).

 

Knokkelkoorts of cholera
Het is dus niet vreemd dat de Spaanse griep in warme landen vaak verward werd met knokkelkoorts, die begon immers net zo goed met koorts en hoofdpijn. Ook cholera was een mogelijkheid, patiënten kregen toch een vergelijkbare blauwe tint. Nog moeilijker werd de diagnose wanneer er meerdere ziekten tegelijk rondgingen, zoals in Rusland dat naast griep met een vlektyfusepidemie kampte, ook een ziekte met griepachtige symptomen. In Nederland vreesde de bevolking echter net als in Shanxi dat het hier eigenlijk om longpest ging.  Zo dook  najaar van 1918 het gerucht op dat de longpest ‘overgewaaid’ was van de Belgische slagvelden. Reden voor de Centrale Gezondheidraad om sputum en longen van enkele Limburgse slachtoffers te laten onderzoeken op pestbacillen, die niet werden aangetroffen. Een anonieme Rotterdamse arts legde het ter geruststelling nog even uit in de krant:  de longpest was veel besmettelijker en dodelijker dan de griep en werd bovendien voorafgegaan door builenpest. En die was de Nederlandse artsen heus wel opgevallen.

 

‘Drukke plaatsen mijden’
De tweede golf van de griepepidemie bereikte in september 1918 het west-Spaanse Zamora, thuisbasis van een groot aantal rekruten én een ambitieuze bisschop. De soldaten werden snel ziek en de stedelingen en boeren in de buurt volgden. De oogst bleef op het land. De voedseltekorten werden steeds groter, de hygiëne in de stad was erbarmelijk en het stadsbestuur deed niets. De provinciale gezondheidscommissie adviseerde drukke plaatsen te mijden. Dit was buiten de bisschop gerekend, die eind september een noveen gebood ter ere van Sint Rochus, de beschermheilige van lijders aan de pest en besmettelijke ziekten. Hij riep dus op negen opeenvolgende avonden mensen naar de kerk voor een gebed. Een maand later bereikte de epidemie zijn hoogtepunt. De gezondheidscommissie voerde een sanitaire dictatuur in om ingrijpen mogelijk te maken. Het stadsbestuur deed er weinig mee, de bisschop bleef missen opdragen en de toestroom van doodsbange gelovigen werd alleen maar groter.

In Zamora werkten de autoriteiten misschien wel heel erg sterk langs elkaar heen en tegen elkaar in, maar hun bestuurlijke manoeuvres zien we in essentie overal ter wereld terug. Plaatselijke en landelijke overheden worstelden overal met dezelfde vragen: moesten ze scholen en uitgaansgelegenheden sluiten, samenscholingen verbieden en gebedsdiensten ontraden? Of had het de voorkeur het maatschappelijk leven zo veel mogelijk zijn normale gang te laten gaan? Moesten ze maar liever afwachten? Het hoofd van de volksgezondheidsdienst van New York erkende pas na maanden dat er sprake was van een epidemie. Ook de Nederlandse nationale overheid blonk niet uit in doortastendheid. De minister dacht aan sanitaire maatregelen maar volgens de Centrale Gezondheidsraad  waren er geen middelen bekend die enige kans van slagen hadden tegen een zo besmettelijke ziekte. Wel werd 28 november uitgeroepen tot Algemene Biddag.  De Amsterdamse wethouder van Volksgezondheid beargumenteerde dat schoolsluiting weinig nut had, om de verspreiding van de griep werkelijk tegen te gaan zou je alle ziektegevallen moeten isoleren. En dat ging nu eenmaal niet. Ook het Haagse stadsbestuur was terughoudend: het was niet de bedoeling het hele maatschappelijk verkeer plat te leggen, het middel moest niet erger zijn dan de kwaal.

 

Bietjes of kwik
Zonder zekerheid over ziekteverwekker, medicijnen en maatregelen, verlieten de artsen zich op de geneesmiddelen die ze al kenden en schreven (te) hoge doses aspirine, kinine en arseenhoudende preparaten  voor. Sommige dokters grepen terug op het aderlaten, anderen adviseerden even omstreden nieuwe middelen, zoals het inademen van sigarettenrook of kwikdampen. Mensen zochten zelf hun toevlucht tot huis-tuin-en-keuken-middeltjes en alternatieve geneeswijzen. Sommige Nederlanders geloofden dat de griep te bezweren viel door het eten van bietjes, Chinezen probeerden het met opium en flink zweten in de publieke baden en in Amerika waren in de kerosine gedrenkte suikerklontjes gangbaar. Hoe dan ook was in december 1918 de tweede en ernstigste griepgolf in het grootste deel van de wereld voorbij. De Australische regering hief de quarantaine op. Dat was te vroeg: in januari 1919 sloeg de derde, iets mildere griepgolf toe. 12.000 Australiërs overleden eraan. Ondertussen waren in Versailles de vredesonderhandelingen begonnen. Afgevaardigden van verschillende landen werden ziek, ook de Amerikaanse president Woodrow Wilson, maar in mei 1919 was de pandemie op het noordelijk halfrond echt afgelopen. Op het zuidelijk halfrond was dat door de seizoenen een half jaar later. De Spaanse griep verdween vanzelf en plotseling - zoals hij gekomen was.
 

* Zo genoemd omdat veel mensen ten onrechte dachten dat de griep het eerst uitbrak in Spanje. Hier werd echter anders dan in oorlogvoerende landen de pers  niet gecensureerd en schreven de kranten openlijk over de ravage die de epidemie teweegbracht. 

In ‘De familie’ (1918) verbeeldt door Egon Schiele verbeeldt de schilder zichzelf, zijn vrouw Edith en hun ongeboren kind. Het gezin zou er nooit komen. Edith overleed op 28 oktober 1918 aan de Spaanse griep, ze was toen zes maanden zwanger. Egon Schiele zelf stierf drie dagen later (Oberes Belvedere, publie domein via Wikimedia Commons).

 

Wat we nog níet weten

Hoewel er de laatste jaren meer aandacht is voor de sporen die de griep achterliet buiten de westerse wereld, zijn de witte vlekken op de kaart nog lang niet ingevuld. Vooral naar de griepgeschiedenis in Azië, Afrika en het Midden-Oosten is nog veel onderzoek nodig. Maar er resten nog meer vragen. Hoe verhield de Spaanse griep zich bijvoorbeeld tot de Eerste Wereldoorlog? Vast staat dat ze nauw met elkaar verwikkeld waren, maar hoe precies? Faciliteerde de oorlog met zijn grote concentraties verzwakte soldaten bijvoorbeeld de ontwikkeling van het dodelijke virus? Welke rol speelde de oorlog in de verspreiding van de ziekte? En heeft de Spaanse griep, andersom, de uitkomst van de oorlog beïnvloed?

Zelfs de meest elementaire vraag wacht nog op een eenduidig antwoord. Want waar begon de pandemie eigenlijk? Er zijn drie serieuze opties. Zo zou het kunnen zijn dat een als longpest gediagnosticeerde epidemie in december 1917 in Shanxi eigenlijk de eerste uitbraak van de Spaanse griep was. Een recentere theorie zoekt de eerste griephaard vlakbij de grootste slagvelden van de Eerste Wereldoorlog, in het enorme Britse legerkamp van Étaples even ten zuiden van Boulogne-sur-Mer. Niet lang na de vijf maanden durende slag bij de Somme woedde daar in december 1916 een kleine griepachtige epidemie. Of begon de pandemie toch eenvoudig vlak bij het eerste geregistreerde geval in Kansas in de Verenigde Staten?  Daar meldde Albert Gitchell, een legerkok in Camp Funston, zich op 4 maart 1918 ziek. Hij had een zere keel, koorts en hoofdpijn: hij had de Spaanse griep. Hij zou indirect besmet kunnen zijn door een boer uit de buurt. Veel van de rekruten kwamen van het plaatselijke platteland en daar heerste in de eerste maanden van 1918 een Spaanse griepachtige ziekte. Shanxi, Étaples of Kansas: de onderzoekers zijn er nog niet uit. Op één punt zijn ze het eens: in Spanje is de Spaanse griep in ieder geval niet begonnen.

Delen: