Pechvogels en doodslagers: vrijplaatsen in de Republiek
Tot leedvermaak van de vele slachtoffers van zijn venijnige pen sloeg Jacob Campo Weyerman op de vlucht voor zijn schuldeisers, en arriveerde op 2 januari 1731 in Vianen. Die vrijstad aan de Lek bood de berooide broodschrijver een veilig heenkomen, totdat Weyerman zich ook hier onmogelijk maakte. Jaarlijks vroegen in de 18de eeuw gemiddeld drie personen asiel aan in Vianen en ook in de andere bekende wijkplaats, het Gelderse Culemborg. Die zogenoemde vrijplaatsen hadden een slechte reputatie. Maar of dat terecht was?
Jacob Campo Weyerman had vaak gespot met vrijsteden als Vianen en Culemborg. In die ‘roversnesten’ met bankroetiers en dieven was ‘de godin der gerechtigheyt’ ver te zoeken. Maar dat was voordat hij zelf asiel moest aanvragen, vanwege een te hoog opgelopen schuldenlast. Daartoe wendde de schrijver zich eerst tot de Gecommitteerde Raden in Den Haag. Deze instelling, belast met de dagelijkse bestuurszaken van de Staten van Holland, was sinds 1725 eigenaar van de heerlijkheid Vianen. Daarvóór was de beoordeling van asielzoekers een taak van de heer van Vianen.
Verzoekschrift
In zijn verzoekschrift deed Weyerman het voorkomen alsof zijn schulden maar weinig voorstelden. Hij zou zeker een regeling treffen met de grootste schuldeiser: zijn huisbaas in Amsterdam. De Gecommitteerde Raden geloofden Weyerman. Ze verstrekten hem een ‘vrijgeleide’, zoals de toestemming voor asielverlening heette. Van terugbetaling van de huurschuld zou het nooit komen.
Wijkplaatsen voor vervolgden - naast Vianen en Culemborg ook Buren, Leerdam en IJsselstein - waren gunstig gelegen, zelfstandige gebiedjes binnen de Republiek der Verenigde Nederlanden. Ze lagen met name in het rivierengebied, op de grenzen van Holland, Gelre en Utrecht. De vrije heerlijkheden hadden zich autonoom ontwikkeld, zodat de jurisdictie van de machtige gewesten er niet gold. Toen Culemborg in 1720 werd aangekocht door de Staten van het Kwartier van Nijmegen en Vianen vijf jaar later door Holland, bleef het recht op asielverlening in beide heerlijkheden bestaan. Aan hun soevereine status kwam pas een eind met de vestiging van de Bataafse Republiek in 1795. Als tegenprestatie voor de asielverlening betaalde de asielzoeker in Culemborg recognitiegeld: in de 18de eeuw was dat bedrag opgelopen tot 185 gulden. Uit pamfletten blijkt dat het hoogstwaarschijnlijk ook in andere wijkplaatsen nodig was om in de buidel te tasten.
Negatief imago
Wie zochten hier hun toevlucht? Vanwege het recognitiegeld, een inkomstenbron voor de autoriteiten waarmee door de ontvangers gefraudeerd kon worden, en door enkele geruchtmakende kwesties zoals een schakingsaffaire in 1664, kregen de plaatsen een negatief imago. Het zouden ‘vrijplaatsen’ zijn voor moordenaars, frauduleuze bankroetiers en leugenachtige schakers. Een spotprent uit 1720 toont Vianen en Culemborg (hier Kuilenburg geheten) als bestemming van drommen ‘actionisten’ zoals de speculanten in de Windhandel van dat jaar werden genoemd - een actie was een aandeel. Zij waren bankroet gegaan nadat de aandelenbubbel eerder dat jaar uiteen was gespat.
Piepklein percentage
In werkelijkheid viel het aantal van die actionisten die naar Vianen en Culemborg trokken reuze mee, en waren de meeste asielzoekers daar geen inhalige actionisten of kwaadwillige oplichters. Een heel piepklein percentage bestond uit minderjarige trouwlustigen zonder ouderlijke toestemming voor een huwelijk. Door hun uitwijking hoopten zij dat hun ouders alsnog zouden instemmen, wat dikwijls lukte. In 1745 ontvluchtte bijvoorbeeld Magadalena van Sorgen uit Zwijnsdrecht haar ouderlijk huis, waar ze was opgesloten door haar vader. Die zag haar voorgenomen huwelijk niet zitten, hoewel haar verloofde uit een goed nest kwam en dus van dezelfde ‘qualiteyt’ was. Tijdens haar verblijf in Culemborg zou haar vader kalmeren en zich bedenken.
Doodslagers
Tot de verbeelding spreken de ‘doodslagers’, circa 13% van alle asielzoekers die zich bij de poorten van de wijkplaatsen meldden. Doorgaans waren dit mannen die uit noodweer hun aanvaller hadden gestoken. In de laatste decennia van de 17de eeuw gebeurden zulke steekpartijen dikwijls, bijvoorbeeld op straat na een met drank overgoten herbergbezoek. In Amsterdam kwam ongeveer drie vijfde van de levensdelicten (periode 1651-1750) voort uit zulke conflicten tussen onbekenden. Hierdoor steeg het moord- en doodslagcijfer van gemiddeld vijf per jaar naar achttien, om pas in het tweede kwart van de 18de eeuw weer te zakken tot onder de vier.
Noodweer
Mensen die uit noodweer iemand hadden gedood, hoefden niet op een milde behandeling van justitie te rekenen. Door naar een andere jurisdictie uit te wijken, onttrokken zij zich aan gerechtelijke vervolging. Wel moesten de vermeende doodslagers bewijzen van de noodweer overhandigen en het asielverblijf benutten om tot een oplossing te komen, bijvoorbeeld door gratie te verzoeken van de hoge overheid. Culemborg en Vianen boden nadrukkelijk geen bescherming aan moordenaars, dus mensen die iemand met voorbedachten rade om het leven hadden gebracht.
Uiteindelijk was het aantal doodslagers maar een klein percentage. Het overgrote deel van de mensen die naar deze vrijplaatsen trok bestond uit schuldenaren: mensen die door tegenspoed hun financiële verplichtingen niet konden nakomen en op de vlucht sloegen voor hun schuldeisers. In het aankomende nummer 5 van Geschiedenis Magazine lees je meer over deze vrijplaatsen en de mensen die er woonden. Abonnees ontvangen dit nummer omstreeks 11 juli. Dit nummer niet missen maar nog geen abonnee? Abonneer vóór donderdag 26 juni, om dit nummer te ontvangen.
Delen: