Op vakantie in het buitenhuis van de baas

Lange tijd kon geen arbeider zich een vakantie of zelfs maar een dagje uit veroorloven. Daar kwam omstreeks 1900 verandering in. Hervormers én progressieve fabrikanten startten toen initiatieven waardoor het werkvolk zich kon ontspannen. Christianne Smit schetst hoe deze arbeidersuitstapjes voor beide partijen - voor zowel de werkgever als werknemer - voordelig waren.

Volksverheffingswerk
‘Er gingen oude menschjes weg, zoo saai en suf waren zij, en er kwamen frissche, vroolijke kinderen terug.’ Zo juichte de leiding van de Centrale Commissie voor de uitzending van Nederlandsche Kinderen Naar Buiten (KiNaBu) in 1918 over het heilzame effect van een vakantie op hun klantjes, verzwakte arbeiderskinderen die in de zomermaanden een tijdje op het platteland verbleven. De KiNaBu was in 1918 opgericht als overkoepelende organisatie van verschillende verenigingen die allemaal met particuliere giften hun eigen tehuis hadden waar arme, zieke kinderen kracht konden opdoen, en zond jaarlijks zo’n vierduizend kinderen ‘naar buiten’. Deze verenigingen hadden zich laten inspireren door eerdere initiatieven, zoals de kampeervakanties die het latere Tweede Kamerlid Anton Kerdijk vanaf de jaren 1880 organiseerde voor groepen ziekelijke arbeiderskinderen in de bossen bij Amersfoort. Ook enkele rijke echtparen, betrokken bij het volksverheffingswerk in Amsterdam, huisvestten ’s zomers kinderen uit de achterbuurten in hun strandvilla bij Zandvoort.

Groepsportret op de heide bij Loenen 1904. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam, RP-F-2007-15-155).
 

Betaalde vakantiedagen
Dat ook volwassen arbeiders op zouden knappen van een korte rustperiode, drong in dezelfde tijd door bij vooruitstrevende werkgevers als de gebroeders Stork in Hengelo of Jacques van Marken van de Delftse Gist- & Spiritusfabriek. Zij stelden omstreeks 1900 als eersten betaalde vakantiedagen in voor hun personeel. Het leek de werkgevers vooral belangrijk dat de arbeiders hun horizon zouden verbreden met uitstapjes. De dagbesteding werd in elk geval niet geheel aan hun eigen inzicht overgelaten. Stork sloot bijvoorbeeld een overeenkomst met de spoorwegen om reisjes te bevorderen: treinkaartjes werden tegen gereduceerd tarief aangeboden, terwijl de vakantievierders nauwkeurig moesten noteren hoe de dagen waren gespendeerd.

Een harmonieuze maatschappij?
Een dagje niet werken zal welkom zijn geweest, maar de paternalistische invulling die Stork en andere ondernemingen aan het vakantievieren gaven, was wel erg sturend. Dan deden de buurthuizen, vanaf omstreeks 1890 opgericht om de kloof te overbruggen tussen rijke burgers en achterbuurtbewoners, het anders. In de buurthuizen konden mannen, vrouwen en kinderen uit de arbeidersklasse zich onder de bezielende leiding van vooral dames uit de middenklasse ontwikkelen. Het doel was tweeërlei: clubs, cursussen en fatsoenlijke geachte ontspanning brachten de deelnemers bij hoe ze zich als nette burgers dienden te gedragen én zij leerden vaardigheden om zich in hun leven staande te houden. Er kwam een scala aan initiatieven die niet direct nut hadden voor het werk, maar zich op den duur toch in gelukkiger werknemers zouden uitbetalen. En dát betekende weer een meer harmonieuze maatschappij, want een tevreden arbeider is niet vatbaar voor opstand of revolutie. Misschien werd hij niet direct productiever van een buurthuiscursus over kunst of hygiëne, was de redenering, maar zijn geestelijk leven werd rijker en hij en zijn gezin werden gezonder en gelukkiger.

Groepsportret van een onbekend gezelschap langs een rotswand te Valkenburg. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam, RP-F-F21245)
 

Uitvliegen
Het doorbreken van de dagelijkse sleur en het verkennen van de wereld ging al snel onderdeel van het buurthuisideaal vormen. Ons Huis in Amsterdam, het Volkshuis in Leiden en andere centra organiseerden veelvuldig uitstapjes: leerzame dagjes naar fabrieken of musea met de ‘uitvliegersclub’, maar ook ontspannende tripjes naar hei, bos of strand. Het animo voor deze uitstapjes was groot. Het enthousiasme begon al met het wekelijks sparen voor het dagje uit terwijl het nog winter was. De spanning bouwde op tot die ene dag in het jaar waarop ze met de trein de stad uit reden.

Zon op je boterham
Rond de eeuwwisseling werden de trips uitgebreid. Sommige welgestelde vrienden van de buurthuisleiding, zoals de vermogende sociaaldemocraat Pibo Pijnappel of de excentrieke filantroop Kees Dudok de Wit, stelden hun buitenhuizen beschikbaar. Groepjes jongens of meisjes konden er een dag of zelfs een hele week verblijven, genietend van natuur en rust. Gezien de ansichtkaarten die ze schreven - in 1912 berichtte een van de kinderen verwonderd: ‘Moeder, de zon schijnt hier zoomaar op je boterham’ - bleek het voor hen werkelijk een heel andere ervaring dan het leven in bedompte arbeidersbuurten.

Vrij van de dagelijkse sleur
De kroon op de buurthuisvakanties was natuurlijk het eigen buitenverblijf. Dat stond het hele jaar ter beschikking, zodat ook volwassenen een weekend ontspanning konden vinden. Ons Huis kreeg Huis De Leperkoen in Lunteren dankzij een gift van Cornelia Voûte en Villa Zonneberg in Ede van mevrouw Crone-Muller, het Leidse Volkshuis had uit donaties De Vonk in Noordwijkerhout laten bouwen. Velen zouden er een tijdelijke vakantie genieten, waarbij de rust en het natuurgenot voor tevredenheid en levensverrijking zorgden. De leiding rapporteerde: ‘Eerst voel je alleen de pure joligheid van het vrij zijn, vrij van werk en dagelijksche sleur; en dan langzamerhand word je gepakt door weelderigen heidebloei, […] door dennegeur na zomerregen, door schaterende vogelvreugd. Je voelt, dat dit alles er ook voor joù is, … dat je oogen en ooren, een hoofd en een hart hebt om ervan te genieten; je voelt je rijker worden van binnen.’

Reisclubs
In navolging van Britse voorbeelden werden ook echte reisclubs opgericht. Eerst kwamen de buurthuizen ermee, later ontstonden zelfstandige organisaties zoals de Nederlandsche Reisvereeniging (1906), die zich op de ‘betere’ arbeiders en middenklasse richtte. Dat het vakantievieren voor deze groepen niet vanzelf sprak, bleek wel uit de uitgebreide verslagen van de pioniers. Ze publiceerden in nauwkeurig bijgehouden reisdagboeken hun aanwijzingen waar het mooi en interessant was, waar je moest wezen voor een aangenaam verblijf en op welke plekken de maaltijden op fatsoenlijke wijze en conform de eigen stand genuttigd konden worden.

Gezelschap in een open bus in Berlijn in 1923. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam, RP-F-F01203-DI)
 

Tent blijft thuis
Opvallend: kamperen was niet geliefd. Toen het bij een deel van de rijkere reizigers mode werd om tijdelijk ‘terug te keren’ naar een simpeler levenswijze - wandel- en fietstochten en overnachtingen in een tent -mochten die nog zo idealistisch verkondigen dat iedereen op het kampeerterrein gelijk was, dit sloeg bij de arbeidersreisclubs niet zo aan. Zij prefereerden tripjes naar Vaals, Brussel of zelfs Parijs, als een kopie op bescheiden leest van de luxereizen die de meer gefortuneerde burgers altijd al ondernamen. Ook in de vrije dagen was het verheffingsideaal doorgedrongen.

Dit artikel verscheen in 2018 in Geschiedenis Magazine (nr. 6) onder de titel: 'De zon op je boterham'.

Delen: