Nepnieuws in een nazikrant: hoe de Duitse bezetter berichtte over stakingen en verzet

De Duitse bezetter begon na de inval op 10 mei 1940 niet meteen met openlijk geweld. Tot de Februaristaking van 1941. Daarna verhardde het Duitse optreden snel. Dit proces is goed te volgen in de nazikrant: Die deutsche Zeitung in den Niederlanden. Katharina Büdenbender onderzoekt de reactie van deze krant op vier grote stakingen en verzetsdaden in de Tweede Wereldoorlog.

Gematigd
De Duitsers toonden zich na de Nederlandse capitulatie op 14 mei 1940 aanvankelijk verzoeningsbereid. Rijkscommissaris Arthur Seyß-Inquart sprak in zijn eerste openbare toespraak over Duitsers en Nederlanders als ‘Germaanse broedervolken’. De Joden vielen hier weliswaar buiten, maar antisemitische maatregelen bleven vooralsnog uit. Het moest zo kalm mogelijk blijven in de bezette gebieden, om optimaal te kunnen profiteren van het Nederlandse bedrijfsleven en een goed functionerend overheidsapparaat. De Duitsers hoopten ook dat de Nederlanders zichzelf zouden nazificeren, en een van de minder bekende middelen daarvoor was Die deutsche Zeitung in den Niederlanden (DZN). Die nazikrant, met Duits als voertaal, verscheen dagelijks van 5 juni 1940 tot de Duitse capitulatie in Nederland op 5 mei 1945. Alleen op feestdagen en in enkele uitzonderingsgevallen kwam de krant niet uit.

Kant-en-klare kopij
Nederland was na Polen en Noorwegen het derde van de veertien landen waar Duitse bezetters zo’n dagblad uitbrachten. Het ging om twintig in totaal, en ze leken sterk op elkaar: naast artikelen over het bezette land zelf, die moesten voldoen aan de richtlijnen van de propaganda-afdeling van de NSDAP, bevatten ze vooral kant-en-klare kopij die de uitgeverij in Duitsland regelde. Dat was de Europa Verlag, een dochteronderneming van Franz Eher Verlag, de uitgeverij van de nazipartij. De oorlogsberichten van de Wehrmacht stonden bijvoorbeeld in die kranten, en stukken die de Europa Verlag speciaal voor de bezettingspers opstelde.

Een van de belangrijkste thema’s hierin was ‘het nieuwe Europa’ dat Duitsland met zijn nieuwverworven machtspositie zou bewerkstelligen. De bezettingskranten hadden een voortrekkersrol: ze moesten het doorgeefluik zijn van de nazi-ideologie en van de moderne Europese ordening die door de Duitse machtsontwikkeling mogelijk gemaakt zou worden.

Naast inwoners van de bezette landen (en journalisten die er voor de gelijkgeschakelde pers werkten) had de bezettingspers met name Duitse lezers op het oog: gestationeerde militairen en ambtsdragers én de landgenoten die er al voor de oorlog woonden.

Een affiche voor de Deutsche Zeitung in den Niederlanden uit 1940. (Afbeelding: AG/00030, Oorlogsaffiches NIOD 1933 - 1946, NIOD/KB)
 

Kruiswoordpuzzels
De krant werd in Amsterdam in elkaar gezet door met de nazi’s sympathiserende Duitse redacteuren en verslaggevers. Soms scheven hooggeplaatste nazi’s in Berlijn of Den Haag, onder wie Seyß-Inquart, het commentaar.

De eerste tijd was het in praktisch opzicht behelpen: de hoogste politieke leiding zat ver weg in Berlijn, men beschikte nog niet over telefoon of telegraaf. Berichten werden aanvankelijk uitgewisseld via een zender en een motorkoerier.

De DZN had per 26 juli 1940 een oplage van rond de 30.000 exemplaren; de hoogste oplage bedroeg 54.500 exemplaren in 1942. Aanvankelijk telde het blad door de week in de regel acht pagina’s, en ’s zondags tussen de twaalf en veertien, maar dat aantal nam af naarmate de papierreserves slonken.

De DZN deed zich voor als reguliere krant, met kruiswoordpuzzels, hoekjes voor de vrouw en reportages over regionale sportevenementen, maar de richtlijnen en voorschriften van de Duitse propaganda-afdelingen in Berlijn en Den Haag waren leidend. Een inbreuk hierop kon tot harde straffen leiden en tot de inbeslagname van complete oplages, zoals gebeurde toen de krant in 1941 toch over Rudolph Hess had bericht, die naar Schotland was gevlogen voor vredesonderhandelingen; Hitler had zich daarop van hem gedistantieerd.

De krant stond geheel ten dienste van de nazi-ideologie, maar moest ook de schijn ophouden dat ze verslag deed van actuele gebeurtenissen. Wat als die blijk gaven van verzet tegen de nazi’s?

Anjerdag
Op 29 juni 1940 kwamen in diverse steden Nederlandse mannen en vrouwen bijeen om ter gelegenheid van de verjaardag van Prins Bernhard het Wilhelmus te zingen, te schelden op de bezetters, en openlijk zijn lievelingsbloem te dragen, een witte anjer.

De dag voorafgaand aan de acties, waar duizenden mensen bij betrokken waren, had de krant een zogenaamde verjaardagsgroet aan de prins opgenomen. Die was behoorlijk kritisch over deze ‘gevluchte uitvreter uit de staatsruif’. Bernhard heette een nietsnut die niets liever wilde dan zijn vroeger leventje weer opnemen. De krant liet weten dat hij en alle anderen uit de oude elite geen toekomst hadden in Nederland.

Tijdens de Anjerdag legden burgers bloemen bij het standbeeld van Willem de Zwijger. Dit vond plaats op de verjaardag van Prins Bernhard. Het was een teken van verzet. (Afbeelding: Haags Gemeentearchief, nummer 1.09564,  via Wikimedia Commons).
 

De Duitsers hoopten in deze periode nog dat de Nederlandse bevolking zich vrijwillig achter hun ‘superieure’ ideaal en aanpak zou scharen, en dat media als de DZN haar konden overtuigen. Dit bleef vooralsnog de lijn en de krant berichtte dan ook niet over de Anjerdag. De bezetter was zeker onaangenaam verrast door het openlijke verzet maar nam geen directe maatregelen tegen de deelnemers; wel tegen sommige lokale bestuurders. Ook werd generaal Henri G. Winkelman, die de protesten in Den Haag geleid had, als krijgsgevangene naar Duitsland afgevoerd. De namen van de leden van het Koninklijk Huis mochten niet meer in de pers genoemd worden, de verkoop van anjers en vergeet-me-nietjes werd rondom hun verjaardagen verboden.

Kort na de Anjerdag namen de Duitsers hier hun eerste maatregel tegen Joden: die moesten weg bij de Luchtbeschermingsdienst (LBD). Deze organisatie hielp burgers na een luchtaanval en controleerde ’s avonds de naleving van de verduisteringsmaatregel. Volgens de Duitsers hadden anti-Duitse en met name Joodse leden van de LBD tijdens hun rondes andere burgers aangezet tot de anjer-actie. In feite hadden LBD’ers al weken eerder moeten opgeven of ze Joods waren of niet.

De Februaristaking 1941
De toon werd harder na de Februaristaking. Die werd uitgeroepen in reactie op de arrestatie van honderden Joden in de eerste straatrazzia in Amsterdam, na knokpartijen tussen de Weerbaarheidsafdeling (WA) van de NSB en Joden en hun sympathisanten. Vanaf november waren de antisemitische maatregelen aangescherpt en kregen Joden vaker te maken met vernederingen en aanvallen op straat. Na de razzia kwam de inmiddels verboden Communistische Partij met een oproep tot een algemene werkstaking, die op 25 en 26 februari in het hele land gehoor vond. De staking werd bruut neergeslagen, 18 stakers werden terechtgesteld, de gearresteerde Joden, ruim 400 in getal, werden op twee na in Duitse kampen omgebracht.  

De DZN kwam een stuk feller uit de hoek dan bij de Anjerdag. Ze plaatste binnen een week vijf artikelen over hoofdzakelijk de opstootjes in de Jodenbuurt en het prijzenswaardige optreden van de WA tegen wat men omschreef als pesterijen van Joden. Slechte Joodse elementen waren volgens de DZN opgehitst door ‘anti-Duitse, Engelse agitatoren’ en hadden met hun vechtpartijen de razzia over zichzelf afgeroepen. De staking was afgedwongen met geweld. 

Maar denk niet, aldus een artikel in de DZN, dat de Duitsers zich de wet zouden laten voorschrijven door het Amsterdamse getto. Ze lieten zich niet in de rug aanvallen en zouden zichzelf en goedwillende Nederlanders tegen deze agressieve Joden beschermen door passende maatregelen. 
Het was van tweeën één, legde de krant bars uit: of de bevolking toonde zich coöperatief en kon dan rekenen op een kameraadschappelijke bejegening door de bezetter. Of men hield zich niet aan de regels, en dan volgde geweld. De bevolking ‘täte gut daran, davon Kenntnis zu nehmen.’  

De krant liet met andere woorden haar ware aard zien, geheel in lijn met de bezetters. Die waren na de staking niet langer bereid tot terughoudendheid jegens de Nederlandse bevolking. Peter Romijn laat in zijn boek De Lange Tweede Wereldoorlog (2020) dit radicalere beleid overigens pas beginnen in juni 1942, als de Wehrmacht Rusland binnenvalt, maar historici zijn het erover eens dat in het voorjaar van 1941 een nieuwe fase aanbrak in de bezetting. De Duitsers verordonneerden de oprichting van de Joodse Raad die hun bevelen moest uitvoeren, stapten af van de mislukte zelf-nazificatie en probeerden voortaan actief en via repressie greep op burgers en ambtenaren te krijgen. 

April-meistaking 1943
De DZN diende voortaan als middel om de publieke sfeer onder controle te krijgen en gewenst gedrag af te dwingen door te dreigen met geweld. Wie niet horen wilde moest maar voelen, werd het adagium. Het verzet nam echter juist toe.

Die trend kwam duidelijk naar voren bij de april-meistaking in 1943. Die brak uit nadat de bezetter op 29 april bekendmaakte dat de soldaten van het in 1940 verslagen Nederlandse leger zich opnieuw als krijgsgevangenen moesten melden. In het kader van de Arbeitseinsatz moesten zij de Duitse oorlogsindustrie versterken. Tegen de 500.000 Nederlanders legden daarop uit protest het werk neer, in fabrieken, mijnen en telefooncentrales en op kantoren en boerderijen: men spreekt ook wel van de melkstaking omdat boeren dagen achtereen de melk van hun koeien weggooiden in plaats van die voor verdere verwerking af te leveren. 

De Duitsers grepen vrijwel meteen met dodelijk geweld in en de DZN volgde vooral die agressieve aanpak van intimidatie en afschrikking. De krant fungeerde als een soort schandpaal door de namen, geboortedata en beroepen van de slachtoffers plus hun ‘vergrijpen’ in zwart-omrande berichten te publiceren. De staking zelf bleef totaal onderbelicht, de aanleiding werd verdraaid: volgens de Wehrmachtbaas in Nederland Friedrich Christiansen zouden de Nederlandse militairen eigenlijk in krijgsgevangenschap moeten, en bood het grootmoedige Berlijn in plaats daarvan eerlijk werk aan.  

Algemene spoorwegstaking 1944-1945
Na D-Day groeide de hoop dat de oorlog gauw voorbij zou zijn. Het zuiden van het land was inderdaad binnen enkele maanden na de geallieerde invasie deels bevrijd. Op 17 september 1944 begon Operatie Market Garden, die als doel had het industriële hart van Duitsland, het Ruhrgebied, te omsingelen en tegelijkertijd in een snelle beweging de rest van Nederland te bevrijden. Ter ondersteuning kondigde de Nederlandse regering in Londen diezelfde avond op verzoek van het geallieerde opperbevel via Radio Oranje een nationale spoorwegstaking af. Bijna alle 30.000 spoorwegmedewerkers staakten en doken onder. De rest van de oorlog reden er in bezet gebied geen Nederlandse treinen meer. Wel Duitse, overigens. 

De DZN berichtte nauwelijks over de geallieerde opmars maar wel over de mislukking van Market Garden. De krant probeerde de pro-Duitse elementen in de bevolking te bemoedigen en de eventuele hoop op de geallieerden te ondermijnen, onder meer door Radio Oranje als humorloos en leugenachtig prul weg te zetten. Aan de ‘sinnlose’ staking maakte de krant weinig woorden vuil. Wel maakte de DZN duidelijk dat blijvende steun aan de regering in ballingschap of een ‘misplaatst’ geloof in de beloften van de geallieerden nare gevolgen zou hebben: honderdduizenden onschuldige vrouwen en kinderen zouden in ‘hongersnood, vreselijke ellende, en grenzeloze misère’ gestort worden, als de staking niet werd beëindigd. De Hongerwinter moest toen nog komen. 

Het verzet ging echter door. Elke actie riep vergeldingsmaatregelen op, die steeds draconischer werden, waarop weer nieuwe verzetsdaden volgden. De geweldsspiraal werd pas doorbroken na de Duitse capitulatie. Tot dat moment raaskalde de DZN, door papiertekort gereduceerd tot vier pagina’s, steevast over het heroïsche verzet van het Duitse volk tegen de abjecte geallieerden. Objectieve informatieverstrekking was tenslotte nooit het doel geweest.

Verder lezen
- Peter Romijn, De lange Tweede Wereldoorlog. Nederland 1940-1949, Balans, 2020

Dit artikel verscheen eerder in Gescchiedenis Magazine in 2024 (nr. 7) onder de titel 'Nepnieuws in de oorlog'.

Delen: