Man overboord! De oprichting van de reddingsdienst in Nederland

Het is 14 oktober 1824 en een zware storm giert over de Noordzee. Voor de Nederlandse kust verkeren maar liefst zeventien schepen in nood. Dorpsbewoners wagen zich met een roeisloep in zee om de opvarenden te redden. Drie schipbreukelingen en zes van de zeven redders komen om het leven. De Nederlandse bevolking is diep geraakt door de ramp en invloedrijke burgers richten niet één, maar twee reddingmaatschappijen op langs de Nederlandse kust. Het was lang niet vanzelfsprekend om schipbreukelingen te redden. Sommige mensen meenden dat hun lot was voorbestemd - het zou gods wil zijn geweest. Menselijk handelen kon daar niets aan veranderen. Bovendien waren er amper middelen om een redding te ondernemen. Vaak hadden kustbewoners geen andere keus dan lijdzaam toezien hoe een schip met man en muis verging. Pas vanaf halverwege de 18de eeuw kwam daar verandering in.

De eerste, nog vage, contouren van een Nederlands reddingwezen tekenden zich af rond het jaar 1768. De procureur-generaal van het Hof van Holland, IJsbrand ’t Hoen, had van de Staten van Holland en West-Friesland opdracht gekregen een commissie samen te stellen om de wantoestanden rondom strandjutterij te onderzoeken. Aanleiding vormden de geruchtmakende gebeurtenissen na de stranding van de Vrouwe Elisabeth Dorothea op 28 november 1767.

Roofzuchtige kustbewoners
Dit rijk beladen VOC-schip was tijdens een zware storm in moeilijkheden gekomen. De loodsen hadden niet durven uitvaren en nadat zijn ankers lossloegen werd het schip, beukend op de golven, richting de kust gedreven, waar het op de banken tussen Petten en Callantsoog in tweeën brak. Van de bijna tachtigkoppige bemanning bereikten zes levend de wal. De scheepslading, bestaande uit peper, suiker en hout, belandde op het strand. Het verhaal wil dat roofzuchtige kustbewoners er en masse heen snelden en zich de waren illegaal toe-eigenden. Daarbij zouden ze zelfs het beroven van ‘doode Lijken, aangespoeld zijnde’, niet hebben geschuwd. Een strandvonder, die namens de rentmeester verantwoordelijk was voor de berging van aangespoelde goederen, werd met wrakhout bekogeld. Aan deze ‘rooverijen, excessen en onbehoorlijkheden’ moest een einde komen.

Op dit schilderij wordt een verdronken man aan wal gebracht. Schilder Laurits Tuxen (1853–1927). (Afbeelding: Skagens Museum, via Wikimedia Commons)

 

Een voorbeeld stellen
Het onderzoek van Commissie ’t Hoen moest leiden tot een nieuw plakkaat voor de strandvonderij, waarin werd voorgeschreven hoe men diende om te gaan met aangespoelde goederen. De bestaande regelgeving was in honderden jaren nauwelijks gewijzigd en werd, zoals de praktijk wel uitwees, niet altijd even strikt nageleefd. De straffen die de commissie in de zaak Vrouwe Elisabeth Dorothea aan zowel mannen als vrouwen oplegde, waren zwaar: geseling met (als waarschuwing) een strop om de hals, brandmerken, levenslange verbanning, de schandpaal of opsluiting in de Gevangenpoort in Den Haag. Er moest een duidelijk voorbeeld worden gesteld.

Wrakhout voor de kachel
Uit de verhoren die de Commissie ’t Hoen afnam, blijkt dat de betrokkenen niet alleen oog hadden voor de scheepslading. De zes opvarenden van de Vrouwe Elisabeth Dorothea die levend het strand hadden bereikt, waren opgevangen en verzorgd door inwoners van Petten. De verhoren geven ook een beeld van de beweegredenen om de aangespoelde goederen te verdonkeremanen. Zo verklaarden dertig huisvrouwen dat bittere armoede hen tot de roverij had gedreven. Een gestrand schip betekende hout in de kachel en brood op de plank. Kustbewoners gaven aan dat ze de (volledige) inhoud van de plakkaten niet kenden. Bovendien meenden ze recht te hebben op aangespoelde goederen: een scheepsramp was immers een uiting van Gods wil.

Deze overtuiging werd van generatie op generatie overgedragen en droeg er waarschijnlijk aan bij dat het niet vanzelfsprekend was om schipbreukelingen te redden. Hun lot was voorbestemd en menselijk handelen kon daar niets aan veranderen. Ook waren er geen middelen om een redding te ondernemen. Vaak hadden kustbewoners gewoonweg geen andere keus dan lijdzaam toezien hoe een schip met man en muis verging.

Roeibootjes en loodsen schieten te hulp
Hierin kwam halverwege de 18de eeuw verandering, toen onder invloed van de Verlichting het welzijn van de medemens en het geloof in maatschappelijke vooruitgang belangrijke principes werden. Incidenteel werden, meestal door loodsen, pogingen ondernomen om zeelieden in nood te redden. Een bekend verhaal is dat van loods Frans Naerebout, die in 1779 samen met zijn broer en zes andere Vlissingers 71 opvarenden van het fregat Woestduyn redde. Uit de memorie die ’t Hoen op 23 november 1768 bij de Staten van Holland indiende, blijkt bovendien dat er in recente jaren in Scheveningen, Katwijk en Callantsoog roeiboten waren gestationeerd om schipbreukelingen te reden en gestrande schepen te ontladen.

Schilderij van Winslow Homer (1836-1910), The Signal of Distress. (Afbeelding: Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid, via Wikimedia Commons)

Gestrande plannen
Met zijn memorie stelde ’t Hoen een uitgebreide regeling op om excessen op de stranden te voorkomen. In het stuk geeft hij - en dat is voor het eerst - het redden van schipbreukelingen prioriteit boven het bergen van de lading. In geval van een stranding moesten strandvonders vóór alles zorgen dat ‘de equipage werde gesalveert (…) wat Natie deselve ook soude moge weesen’ en pas daarna mochten ze zich ontfermen over de goederen. Ieder kustdorp moest worden uitgerust met een daartoe speciaal ontworpen boot.

 

Gevoed door de idealen van zijn tijd, ontwierp ’t Hoen op papier een eerste, van overheidswege opgezette, reddingorganisatie. In januari 1769 werd het stuk door de leden van de Staten van Holland besproken, maar de meningen over de uitvoering waren verdeeld. Een reddingorganisatie kwam er dan ook niet, een nieuw plakkaat voor de strandvonderij evenmin. Was de regeling van ’t Hoen wel uitgevoerd, dan had de Republiek een primeur gekend.

Dat er toch behoefte bestond aan een georganiseerd reddingwezen, blijkt uit de initiatieven die werden ontplooid in de halve eeuw na het plan van ’t Hoen. Zo maakte de voormalig equipagemeester van de VOC in Amsterdam, Adriaan Titsingh, zich in 1802 hard om de zogenoemde Greathead-reddingboot, die in Groot-Brittannië veel opzien had gebaard, ook langs de Nederlandse kusten gestationeerd te krijgen. Titsingh had invloedrijke connecties bij de marine en zijn inspanningen leidden ertoe dat koning Lodewijk Napoleon zich in 1808 voor de zaak interesseerde en vier boten van dit type liet bouwen, zij het met de nodige aanpassingen in het ontwerp. 

Het jaar daarop vaardigde de koning zelfs een decreet uit waarin hij de oprichting van ’s Konings Reddingbootdienst aankondigde, die onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken viel. De dienst was geen lang leven beschoren. De Greathead-boten bleken niet geschikt voor de Nederlandse kust en de bestuurlijke veranderingen na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij het Franse Keizerrijk in 1810 belemmerden een slagvaardig optreden. Na de val van Napoleon raakte de dienst zo mogelijk nog verder in het slob. 

'Het stranden van het schip 'de Vreede'. (Afbeelding: Het Scheepvaartmuseum, Maritiem Digitaal NL).

Roeireddingboot op wagen
Dat betekende overigens niet dat de schipbreuk lijdende zeeman aan zijn lot werd overgelaten. Onder anderen de Rotterdamse ondernemer Willem van Houten was zeer begaan met deze zeelieden. In zijn lijvige werk De Scheepvaart (1833) spreekt hij er schande van dat juist een volk als het Hollandse, dat zijn bestaan goeddeels aan scheepvaart en handel te danken had, ‘den zeeman zoude uitsluiten buiten zijn bemoeijing’. Temeer, zo schrijft Van Houten, omdat het land zo rijk was aan menslievende instellingen ten dienste van de algemene beschaving. 

In de hoop dat de overheid een reddingdienst zou opzetten, vervaardigde Van Houten al in 1823 een model van een roeireddingboot op wagen. Dit deed hij, naar eigen zeggen, volgens een ‘geheel nieuw en doelmatig plan’. En inderdaad, zijn ontwerp wás doordacht en innovatief. Kleppen in de bodem voerden binnengekomen water af en luchtkasten langs de boorden, in de stevens en onder de doften (bankjes) vergrootten het drijfvermogen. De twaalf roeiers en stuurman konden zich aan lijnen rond de doften vastsjorren. Een klein zeiltje hielp hen bij aanlandige wind gemakkelijker de wal te bereiken. Kortom: Van Houtens verwachtingen waren terecht hooggespannen toen hij het model in mei 1824 aanbood aan koning Willem I. Die beloofde het spoedig te laten onderzoeken. 

Noord en Zuid
Van Houten kon toen niet voorzien dat de stranding van de Vreede bij Huisduinen later dat jaar zou leiden tot de oprichting van de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij. De NZHRM ontstond op 11 november 1824 op particulier initiatief. Op Amsterdams initiatief, welteverstaan. Onder leiding van reder Barend van Spreekens zetten notabelen een reddingmaatschappij op die gefinancierd zou worden uit vrijwillige giften. De ramp met de Huisduiner redders had de urgentie hiervan in een klap duidelijk gemaakt. Voor de nobele taak van het redden van mensenlevens op zee bleek onder het Nederlandse volk inderdaad voldoende draagvlak te bestaan: overal in het land werd geld bijeengebracht voor de oprichting van een reddingmaatschappij. 

Het plan van de Amsterdammers voorzag in een fonds waaruit reddingboten, -middelen en het onderhoud daarvan konden worden bekostigd voor veertien kustplaatsen van Ameland tot Ter Heijde (onder Scheveningen). Daarbij meende de NZHRM zich te baseren op grenzen van de bestaande loodsdistricten. De kust en vaarroutes ten zuiden van Ter Heijde, waaronder die rond Rotterdam, werden dus niet meegenomen. Het Amsterdamse plan viel dan ook slecht in de Maasstad en het Rotterdamse antwoord op de NZHRM volgde snel. Onder de bezielende leiding van Willem van Houten zag negen dagen later, op 20 november 1824, de Zuid-Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen het licht. De ZHMRS ontfermde zich over ‘het overige gedeelte van de kust welke die van Amsterdam zich schijnen niet aan te trekken’. Over de precieze gebiedsafbakening bleef tussen beide maatschappijen tot 1855 onenigheid bestaan. Hun relatie was gespannen en, ondanks herhaaldelijk aandringen door koning Willem I, weigerden de ‘Noord’ en de ‘Zuid’ een fusie. 

Met de oprichting van beide maatschappijen kreeg een georganiseerd reddingwezen langs de Nederlandse kusten ten langen leste zijn beslag. Hoewel de overheid de noodzaak ervan erkende, ontbrak het haar aan prioriteit, middelen en daadkracht. Om het lot van zeelieden en redders te verbeteren namen particulieren dus het heft in eigen hand. En met succes. De ‘Noord’ en de ‘Zuid’ fuseerden in 1991 uiteindelijk tot de Koninklijke Nederlandse Reddingmaatschappij, de KNRM, die dit jaar haar tweehonderdjarige jubileum viert. Hoewel er inmiddels een nauwe samenwerking met de overheid bestaat, ontvangt de KNRM geen structurele subsidies en drijft ze - ook nu nog - op particuliere donaties en de inzet van honderden vrijwilligers die het water opgaan om hun medemens te redden. 

Dit artikel verscheen in 2024 (editie 7) in Geschiedenis Magazine onder de titel: 'Zeelieden in nood'.

Verder lezen
- Henk Stapel, Menslievend en zelfstandig. Het reddingwezen voor de fusie tot KNRM (1750-1991), KNRM, 2018
Jeroen Hofman e.a., Redders op zee. 200 jaar Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij, Hannibal Books, 2024
- Vijftig jaar geleden vierden de reddingsmaatschappijen ook al een jubileum. Destijds reden voor het polygoonjournaal om stil te staan bij (de geschiedenis van) het reddingwezen. Benieuwd? Bekijk hier de beelden.  

 

Delen: