Liefdesverdriet in de Renaissance

We kennen het beeld wel uit schilderijen, miniaturen, gedichten en verhalen: hardnekkige aanbidders die met tranentrekkende serenades de schoonheid en deugdzaamheid van hun geliefdes bezongen. Het liefste onder een balkon. Maar was het wel 'echte' liefde? Of was het soms toch ook een beetje kletspraat? 

Liefde en verlangen als een bron van geluk, maar ook van groot lijden – vooral wanneer de gevoelens niet wederzijds blijken. Liefde als een ziekte die je langzaam verteert. Als een gekte waardoor je niet meer kunt slapen. Als een pijniging die je vrijwillig ondergaat. Het zijn clichés die in hedendaagse popliedjes steeds weer opduiken. Maar ook in 15de- en 16de-eeuws Italië was men er al dol op, laat Marlisa den Hartog zien. Verliefdheid was toen zowel een ziekte als een (omstreden) statussymbool.

Een eeuwenoud thema
Onbeantwoorde liefde was hét thema van de troubadourpoëzie: het werk van Zuid-Franse rondreizende dichters uit de 12de eeuw. Hun gedichten zijn meestal geschreven vanuit het perspectief van een man die verliefd is op een onbereikbare vrouw. De nadruk ligt op zijn innerlijke lijden en zijn hoop uiteindelijk haar liefde te winnen. De invloed van de Franse troubadourpoëzie liet zich in heel Europa gelden. In Italië zien we de hoofse liefdestaal terug in de Dolce stil novo-poëzie, de ‘Zoete nieuwe stijl’ van de 13de eeuw – Dante Alighieri was een beoefenaar van dat genre. Vandaaruit kunnen we lijn doortrekken naar de 14de-eeuwse lyriek van Francesco Petrarca.

'Een ijzige vlam'
Ook in de 15de en de 16de eeuw werd deze taal nog in allerlei literaire genres gebruikt – niet alleen in lyriek, maar ook in ridderromans, theoretische traktaten en komische korte verhalen (zogeheten novella’s). Auteurs beschreven het leed van iemand die verliefd is als een tantaluskwelling. Het was als ‘sterven van dorst, middenin een zee van water, omdat je niet in staat bent je hand uit te strekken en te drinken’. Het bestond uit een combinatie van pijn en plezier, als ‘een ijzige vlam die je beetje bij beetje verbrandt en van binnenuit vernietigt, maar die zo zoet is dat je hart juicht terwijl je ziel wordt vermorzeld’. Het was lekker, maar tegelijkertijd ongezond, als een cocktail van ‘ambrozijn [het voedsel van de goden] vermengd met vergif’. Verliefdheid leek bovendien op een ziekte. Volgens de ridderroman Orlando Furioso (1532) was het als een koorts waardoor je je eerst koud en dan weer warm voelde, en die in iedere zenuw van het lichaam doordrong totdat de patiënt langzaam wegkwijnde.

Een scene uit een novelle, geschilderd door Liberale da Verona. Een smoorverliefde jongeman staat onder het raam van een jonkvrouw. (Afbeelding: The Metropolitan Museum of Art, nummer: 1986.147)
 

Een ziekte
Deze vergelijkingen met ziekte moeten we niet alleen als literaire beeldspraak zien. Vanuit een medisch perspectief werd ‘liefdesziekte’ al sinds de klassieke oudheid als een echte ziekte beschouwd, verwant aan melancholie. Constantijn de Afrikaan, een 11de-eeuwse Arabische geneeskundige die medische teksten uit het Arabisch en Grieks naar het Latijn vertaalde, noemde de ziekte amor eros (‘erotische liefde’), maar zijn navolgers gingen al snel de term amor heroes (‘heroïsche liefde’) gebruiken. Die verbastering laat zien dat er een connectie werd gelegd tussen de ziekte enerzijds, en de traditie van hoofse liefde anderzijds.  

Liefdesziekte begon met het aanschouwen van iemands schoonheid en het seksuele verlangen dat dit opriep. Dat zorgde ervoor dat de patiënt geobsedeerd raakte door het beeld van de geliefde dat in zijn verbeelding en geheugen gegrift stond. Ook leidde het tot een opbouw van zogenaamde seminale vloeistoffen en een disbalans van de verschillende lichaamssappen waaruit het lichaam zou bestaan, wat allerlei fysieke en mentale gevolgen kon hebben.

Een quick fix
De snelste manier om van deze ziekte te genezen, was het bevredigen van het verlangen door seks te hebben met de geliefde. Een van de personages in een dialoog van Pietro Aretino (I Ragionamenti, 1534-1536) beschreef het als volgt: ‘De transformatie van een man die zijn vrouw terugkrijgt is echt wonderbaarlijk. Meteen wanneer hij haar kust en omhelst keert de kleur terug in zijn gezicht, de kracht in zijn lichaam, de vrolijkheid in zijn voorhoofd, de lach in zijn ogen, en de honger, de dorst en de spraak in zijn mond.’ In veel gevallen was deze quick fix echter onmogelijk. Een fixatie op een onbereikbare geliefde kon een heftige vorm van liefdesziekte veroorzaken. Literaire verhalen lieten zien wat er met deze patiënten gebeurde: zij konden niet meer eten en slapen en verzwakten dusdanig dat ze hun bed niet meer uitkwamen.

Een gravure van Baccio Baldini, getiteld: De wreedheid van de Liefde, ca. 1465-85. (Afbeelding: Wikimedia Commons).
 

Of je zoekt afleiding
In dergelijke gevallen waren verschillende remedies beschikbaar, die zowel de fysieke als de psychologische oorzaken moesten aanpakken. In een commentaar op Plato’s Symposium (De amore, 1496) beschreef de filosoof Marsilio Ficino de ziekte als een vorm van waanzin veroorzaakt door een samenklontering van zwarte gal en heet bloed, en adviseerde aderlatingen, braakmiddelen en lichaamsbeweging. De humanistische schrijver Platina raadde aan om zoveel mogelijk afleiding te zoeken, en om anderen te vragen om kwaad te spreken over de geliefde. Veel auteurs geloofden dat seks met iemand anders ook kon helpen: zo raakte je overtollige lichaamssappen kwijt en werd je tegelijkertijd genezen van je fixatie op één persoon.

Een statussymbool
Het was echter de vraag of patiënten wel wílden genezen: zwelgen in verliefdheid was namelijk een statussymbool waarmee mannen uit de elite zich konden onderscheiden van het gewone volk. Al sinds de middeleeuwen werd beweerd dat échte liefde was voorbehouden aan een kleine elite. Gewone mensen zouden de edelheid van geest niet hebben om hun verlangens te uiten in hoofse liefdestaal en waren bovendien veel minder vatbaar voor liefdesziekte. Mannen van adel zouden veel sneller door de liefde worden gegrepen omdat zij meer vrije tijd hadden, meer vlees en wijn consumeerden (die beide als lustopwekkend golden), en vaak dansten en converseerden met mooie vrouwen.

Volgens twee traktaten over de liefde, Bartolomeo Gottifredi’s Specchio d’amore uit 1547 en Francesco Sansovino’s Ragionamento uit 1545, was de perfecte minnaar altijd een edelman, omdat mannen van een meer nederige achtergrond altijd met ‘verachtelijke en proleetachtige dingen’ bezig waren. Mannen die alleen maar aan het werk zijn kunnen hun aandacht niet aan de liefde voor een vrouw wijden, omdat ze simpelweg te druk zijn met geld verdienen. ‘De Liefde neemt meestal bezit van teergevoelige harten,’ schreef ook geneeskundige Girolamo Cardano (1501-1576), en daarom zijn niet alleen jonge mensen en vrouwen, maar ook ‘mannen met edelmoedige gewoontes’ extra vatbaar. Zelf had Cardano zo erg onder liefdesziekte geleden, schreef hij in zijn autobiografie, dat hij zelfs had overwogen om zelfmoord te plegen.

Op deze prent uit ca. 1486, getiteld: Frau Venus und der Verliebte, zien we in het midden Venus. Rondom haar zien we diverse doorboorde harten zweven. Rechts onderaan haar voeten zien we een jonge man, geknield aan haar voeten. (Afbeelding: Staatliche Museen zu Berlin, Kupferstichkabinett / Dietmar Katz Public Domain Mark 1.0, nr. 467-1908)
 

Liefdesziekte op papier
Cardano was niet de enige die zich op zijn verliefdheid liet voorstaan. We kennen uit de Italiaanse Renaissance allerlei mannen die hun (echte of geveinsde) liefdesziekte uitten middels het schrijven van gedichten. Zo nam Filippo Beroaldo de Jongere in zijn Latijnse poëziebundel (1530) een dialoog op tussen zijn geliefde, de courtisane Imperia, en hemzelf, de dichter Beroaldo, waarin zij de rol speelt van de onbereikbare dame en hij die van trouwe dienaar. Ook de beroemde staatsman Lorenzo de’ Medici schreef 41 sonnetten over zijn liefde voor een onbereikbare vrouw, omlijst met een theoretische verhandeling over de aard van de liefde (Comento de’ miei sonetti, 1480-1492). In zijn gedichten beschreef hij zowel het genot als de pijn die deze liefde hem bracht. Zijn liefdesziekte deed hem verbleken, huilen en zuchten, veroorzaakte slapeloze nachten en gaf hem een gevoel van melancholie.

Met het schrijven van dit soort gedichten toonden mannen niet alleen hun literaire kennis en vaardigheden, maar ook hun (zogenaamd) nobele inborst. Sommige mannen waren echter nog openlijker in het etaleren van hun liefdesziekte. In literaire verhalen, maar ook in etiquetteboeken zoals Baldassare Castiglione’s Il libro del cortegiano (1507-1528), werd vaak verwezen naar mannen die hun geliefde serenades brengen. Dat dit echt gebeurde, weten we ook uit handboeken voor het afnemen van de biecht, zoals Bartolomeo Caimi’s Interrogatorium sive Confessionale (1474). Wanneer een priester een jonge man de biecht afnam, dan moest hij deze man onder andere vragen of hij rondjes om een vrouw haar huis had gelopen en haar sonnetten had toegezongen. Ook in preken werden dit soort praktijken genoemd: prediker Bernardino da Feltre beschreef mannen die vrouwen achtervolgen en sonnetten reciteren (Quaresimale, 1493-1494) en Roberto Caracciolo had het over mannen die onder het raam van hun geliefde in slaap vielen (Sermo de luxuria, 1451).

Kritiek
De manier waarop mannen uit de elite koketteerden met hun verliefdheid kwam hen ook op kritiek te staan. Het feit dat deze mannen zich aan vrouwen onderwierpen en zich als hun nederige dienaar presenteerden, werd als een omkering van de ‘natuurlijke hiërarchie’ tussen mannen en vrouwen gezien. Mannen hoorden macht over vrouwen uit te oefenen, niet andersom. Verliefde en hunkerende mannen gedroegen zich bovendien op een manier die als vrouwelijk werd gezien: zij waren passief, hulpeloos, kwetsbaar en emotioneel.

Een aquamanile (een waterkan om je handen bij rituelen te wassen) in de vorm van Phyllis en Aristoteles, uit de late 14e of vroeg 15de eeuw. (Afbeelding: Metropolitan Museum of Art, Robert Lehman Collection, 1975)
 

Hoofse minnaars konden zich tegen deze kritiek verdedigen door een beroep te doen op hun liefdesziekte, maar dat was volgens anderen een slecht excuus. In een dialoog van Antonio Pucci, (Il contrasto delle donne, ca. 1371) debatteerden twee mannen over deze kwestie. Een van hen gebruikte de hoofse liefdestaal en stelde dat verliefde mannen niet anders kunnen: zij zijn machteloze slachtoffers van hun eigen verlangen. De ander zei dat verliefde mannen zich moeten beheersen, omdat onfatsoenlijke verlangens tot publieke vernedering leiden. Ook in een adviesboek over liefdesaffaires, Francesco Sansovino’s Ragionamento (1545), werd gewaarschuwd om discreet te zijn. Mannen die hun eigen eer wilden beschermen, konden ‘nachtelijke muziek en liederen’ beter achterwege laten.

De franciscaan Roberto Caracciolo maakte verliefde mannen graag belachelijk in zijn preken: ‘Hebben jullie weleens een van die philocapti [letterlijk: gevangenen van de liefde] gezien? Iedereen drijft de spot met hem en het kan hem niets schelen. Als mensen vragen waar hij heen gaat, dan zucht hij en schrijft hij sonnetten en zingt hij. En als deze buffel kan lezen, dan schrijft hij: “Oh mijn vrouwe, ik ben uw slaaf.” Oh, jij buffel, je bent de slaaf van een vrouw!’

Ware liefde?
Ook de oprechtheid van deze ‘liefdeszieke’ mannen werd in twijfel getrokken. Hun hoofse liefdestaal over het verlangen dat hen belette te eten of slapen, werd geregeld bekritiseerd als het soort manipulatieve kletspraat dat mannen gebruiken om hun zin te krijgen: ze hoopten dat vrouwen hierdoor medelijden met hen zouden krijgen en seks met hen zouden hebben. In een komisch verhaal van Matteo Bandello (Le Novelle, 1540-1561) daagt een vrouw een hardnekkige aanbidder uit om, als hij echt zo ‘in brand staat’ van liefde voor haar, dat te bewijzen door in de rivier te springen. Ze heeft al veel mannen horen bazelen over ‘de vlammen der liefde die hen verteren’ maar geen van hen is ooit tot as vergaan.

Ook vrouwelijke auteurs mengden zich in de discussie. De Paduaanse edelvrouw Giulia Bigolina schreef in haar prozaroman Urania (ca.1553-1568) dat sommige mannen inderdaad alleen maar deden alsof ze verliefd waren, en dat ze daar zo goed in waren dat het voor vrouwen vrijwel onmogelijk was om het onderscheid te maken. Wanneer een vrouw een geschikte minnaar zocht, hoefde ze in ieder geval niet alleen naar adellijke mannen uit te kijken. In strijd met wat mannelijke auteurs daarover beweerden, meende Bigolina dat voor ‘ware liefde’ karakter en intellect veel belangrijker zijn dan afkomst en rijkdom.

Portret van Gaspara Stampa, de beroemdste dichteres uit de Italiaanse Renaissance. (Afbeelding: via Wikimedia Commons).
 

De Romeinse courtisane en schrijfster Tullia d’Aragona was het met haar eens. In haar traktaat over de liefde (Dialogo dell’infinità d’amore (1547) maakte D’Aragona een onderscheid tussen twee soorten liefde. De lagere vorm van liefde, alleen gericht op seksueel genot, vind je alleen bij ‘grove en vulgaire mensen met een lage en verachtelijke ziel’. De hogere vorm van liefde, gericht op een spirituele verbintenis, is voorbehouden aan ‘nobele mensen’. Afkomst maakt daarbij echter niets uit: ook mensen van onaanzienlijke komaf kunnen over een ‘verfijnde en deugdzame ziel’ beschikken, net zoals in mensen met een indrukwekkende stamboom een ‘verachtelijke ziel’ kan huizen.

Dichteressen en de hoofse lyriek
Liefdesziekte was, ten slotte, niet voorbehouden aan mannen. Ook vrouwen gebruikten deze hoofse liefdestaal. Sterker nog: zij schitterden bij uitstek in de hoofse lyriek . Deze dichteressen eigenden zich een genre toe dat traditioneel door mannen werd gedomineerd om daarmee hun eigen emoties te beschrijven. In hun gedichten vindt een fascinerende omkering van de traditionele genderrollen plaats: de dichter is een vrouw geworden, en het object van haar verlangen is een man.

De beroemdste dichteres uit de Italiaanse Renaissance was Gaspara Stampa, de dochter van een verarmde edelman uit Milaan die juwelier was geworden. Stampa stond bekend om haar muzikale talenten, begon als twintiger poëzie te schrijven, sloot vriendschappen met beroemde geleerden, en werd uiteindelijk zelfs toegelaten tot een literaire academie. Stampa trouwde nooit, maar had wel verschillende affaires. Hierdoor geïnspireerd schreef ze meer dan 300 liefdesgedichten, waarvan er drie tijdens haar leven werden gepubliceerd en de rest een jaar na haar dood. De prachtige metafoor over de ongezonde mix van ambrozijn en vergif is van haar hand.

Dit artikel verscheen in 2024, nr. 7, van Geschiedenis Magazine onder de titel: 'Liefdesziekte als statussymbool'.

 

Delen: