Flavius Josephus (ca. 37-100): de grootste verrader uit de Joodse geschiedenis?

De geschiedschrijver Flavius Josephus was een van de aanvoerders van de Joodse Opstand tegen Rome (66-70). Zijn werk is onze belangrijkste geschreven bron over die oorlog. In het nieuwste nummer van Geschiedenis Magazine staan we stil bij Josephus’ werk over de Joodse geschiedenis, waarin hij naast oude Bijbelverhalen ook ambtelijke stukken opnam. Maar klopten die wel? 
Josephus liep over naar Romeinse zijde, wat hem begrijpelijkerwijs de reputatie van een aartsverrader opleverde. Hier lees je waarom het toch niet zo eenvoudig ligt.

Titus Flavius Josephus werd geboren in Jeruzalem geboren als Yoseph ben Matityahu (Jozef, zoon van Mathias). Hij was een telg uit een vooraanstaande priesterlijke familie. Bijna alles wat we over zijn leven weten, is gebaseerd op wat hij zelf vertelt: in zijn autobiografische werken De Joodse Oorlog en Uit mijn leven, die hij schreef onder zijn Romeinse naam. Naar eigen zeggen volgde hij een uitstekende opleiding en maakte zijn geleerdheid al tijdens zijn jeugd indruk op zijn volksgenoten. Eveneens claimt hij dat hij als twintiger voldoende politiek bedreven was om een Joodse ambassade naar keizer Nero in Rome te vergezellen, om te onderhandelen over de vrijlating van enkele priesters.

In het jaar 66 was hij als generaal in Galilea in het noorden van het huidige Israël een van de leiders van de Joodse opstand tegen Rome (66-70). Een van de aanleidingen van de opstand was de enorme brand die Rome in 64 grotendeels had verwoest. De Romeinse gouverneur van Judea dacht de herbouw – gedeeltelijk – te kunnen financieren uit de tempelschat van Jeruzalem. Dit was tegen het zere been van de Joden. 

Josephus beschrijft zijn optreden als generaal in heroïsche termen, maar uiteindelijk boekte hij geen noemenswaardige resultaten. De Romeinen waren veel te sterk en onder leiding van generaal Titus Flavius Vespasianus werden de Joden in Galilea kort na het begin van de opstand al in 67 bij Jotapata (Yodfat) gemakkelijk verslagen. Na de nederlaag lukte het Josephus, volgens De Joodse Oorlog, om zich met enkele strijdmakkers tijdelijk te verschuilen in een grot. 

Goddelijke droom en zelfmoordpact
Na drie dagen werd hij ontdekt en wilde hij zich, onder druk van de Romeinen, overgeven. Deze beslissing nam hij naar eigen zeggen niet zomaar, maar op basis van een goddelijk geïnspireerde droom waarin hij de vernietiging van Jeruzalem en het keizerschap van Vespasianus voorzag. Zijn besluit viel slecht bij de andere mannen in de grot, die liever stierven dan zich overgaven. Maar de in het nauw gedreven Josephus wist een zelfmoordpact met hen te sluiten. Geleid door een lotingsprocedure doodden de aanwezigen elkaar één voor één. Slechts Josephus en een andere man, wiens lot verder onbekend blijft, overleefden het bloedbad. De Romeinen namen Josephus gevangen.

Het werd een keerpunt in zijn leven. Eenmaal in het Romeinse kamp zou hij in een besloten audiëntie het toekomstige keizerschap van Vespasianus hebben voorspeld. Het is onmogelijk om te achterhalen wat Josephus precies heeft gezegd. Zeker is dat deze voorspelling zowel Josephus als Vespasianus uitstekend uitkwam. Josephus werd vrijgelaten nadat Vespasianus in 69 de keizerlijke macht naar zich had toegetrokken tijdens de Romeinse burgeroorlog die volgde op de zelfmoord van Nero in 68.

Titus, de zoon van de nieuwe keizer, werd erop uitgestuurd om de Joodse opstand neer te slaan. Tijdens de campagne trad Josephus op als vertaler en probeerde te onderhandelen met Joodse opstandelingenleiders. Uiteindelijk wist Titus in 70 Jeruzalem in te nemen. De stad en zijn beroemde tempel lagen in puin. Volgens de zeer ruime schatting van ooggetuige Josephus waren 1.100.000 Joden gedood en 97.000 als slaaf weggevoerd.

 

De verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen waardoor in 70 een eind kwam aan de Joodse Opstand (door Francesco Hayes, detail, Gallerie Dell’Accademia, Venetië).

 

Eerbewijzen en beschuldigingen
Samen met Titus reisde Josephus in 71 naar Rome, waar hij de rest van zijn leven bleef. Hij noemde zich voortaan Titus Flavius Josephus, een naam die zijn relatie met de keizerlijke familie onderstreepte. Hij kreeg het Romeinse burgerschap, een pensioen, woonruimte en andere eerbewijzen. Bovendien genoot hij enige bekendheid in de stad vanwege zijn voorspelling van Vespasianus’ keizerschap; de biograaf Suetonius merkte bijvoorbeeld op dat de Joodse schrijver dit voorspel had. Josephus wijdde zijn tijd aan het schrijven van boeken. Hij richtte zich vooral tot een publiek in Rome en schreef daarom in het Grieks, dat er veel werd gebruikt, en niet in het Aramees (zijn moedertaal). In zijn eerste werk De Joodse Oorlog, over de opstand tegen Rome, beschrijft hij de voorbereidingen die hij trof om tegen de Romeinen te vechten, zijn gevecht met Vespasianus en, nadat hij gevangen was genomen, zijn rol als oorlogsdiplomaat in Romeinse dienst. De Joodse geschiedenis en tradities behandelt hij uitgebreid in Tegen Apion (een van de Hellenistisch-Egyptische schrijvers van die tijd die zich anti-Joods uitlieten) en Joodse Oudheden. Josephus’ korte autobiografie, Uit mijn leven, was oorspronkelijk een appendix van dit laatste werk. In deze levensbeschrijving besteedt hij veel aandacht aan de periode vlak voor de inval van de Romeinen, waarbij hij vooral ingaat op de rivaliteit tussen hem en andere Joden om het leiderschap in Galilea. Dat Uit mijn leven op veel punten inhoudelijk op gespannen voet staat met het eveneens sterk autobiografische De Joodse Oorlog, maakt echter duidelijk dat we zijn verhalen niet zonder meer voor waar aan kunnen nemen.

Josephus schrijft regelmatig dat hij beschuldigingen van lafheid en verraad vanuit Joodse hoek kreeg. De beschuldigingen zijn waarschijnlijk echt, maar het is frappant dat hij bijzonder vaag blijft over de precieze aard ervan. Hij lijkt ze vooral aan te grijpen om de loftrompet over zichzelf en zijn belangrijke vrienden te steken. In mijn proefschrift laat ik zien dat hij deze retorische strategie bewust inzette om zijn prestaties tijdens de oorlog wijdlopig te kunnen presenteren voor een Romeins publiek. 

Dit stijlmiddel is voor ons misschien moeilijk te begrijpen maar past goed in het Rome van zijn tijd, waar illustere figuren als Julius Caesar hun betogen ook zo opbouwden. Het is niet vreemd dat Josephus, die tegen de nieuwe keizer had gevochten én het had overleefd, zijn verleden inzette om in de schijnwerpers te komen: hij was een curiositeit in zijn nieuwe woonplaats en wist dit maar al te goed.

Een Jood in Rome
Hoewel Josephus het zelf misschien goed voor elkaar had, was het Rome van de late eerste eeuw de Joden niet bepaald vriendelijk gezind. De Flavische keizers gebruikten hun overwinning in de Joodse Oorlog als propaganda voor het nieuwe regime. Ze benadrukten dat het Colosseum en verschillende tempels werden gefinancierd uit de krijgsbuit van de plundering van Jeruzalem. Ook triomfbogen en overwinningsmunten getuigden hiervan. De Joden moesten bovendien een speciale belasting betalen. Deze anti-Joodse maatregelen werden lang in stand gehouden, wat erop zou kunnen duiden dat de propaganda aansloeg. De Romeinse aversie wordt treffend geformuleerd door Tacitus, die in zijn Historiën (begin 2de eeuw) stelt dat wat voor de Romeinen heilig is, door de Joden als goddeloos wordt beschouwd en andersom. 

Het is opmerkelijk dat Josephus er in deze omgeving toch voor koos om de Joodse geschiedenis in kaart te brengen. Als correctie op de publieke opinie in Rome legt hij in De Joodse Oorlog zelfs sterk de nadruk op de Joodse dapperheid. Bovendien introduceert Josephus zichzelf nadrukkelijk als een Joodse priester uit Jeruzalem. En daar liet hij het niet bij. Enkele jaren voor zijn dood rond het jaar 100, en meer dan twintig jaar na zijn migratie, schreef hij met Joodse Oudheden en Tegen Apion uitgebreide verhandelingen over het onovertroffen karakter van de Joodse tradities. Zijn toewijding aan de Joodse cultuur bleef klaarblijkelijk zijn hele leven onwrikbaar. 

 

Josephus kan in Rome hebben gezien hoe veldheren terugkeerden van de oorlog en dan triomfantelijk onder de Boog van Titus doorreden. Op het schilderij links is zo’n moment afgebeeld (door Vinzenz Fischer, 1791, Österreichische Galerie Belvedere, Wenen). De boog werd omstreeks 81 gebouwd ter ere van de zojuist overleden en vergoddelijkte keizer Titus. De reliëfs op de boog herinneren aan zijn zege als aanvoerder in de Joodse Oorlog.

 

Josephus en de christenen
De Joodse intellectuelen zelf hadden echter lang weinig belangstelling voor Josephus. Nergens blijkt dat rabbijnen voor de 10de eeuw zijn werk lazen. Dit lag niet zozeer aan hem: ze waren bijna uitsluitend geïnteresseerd in Hebreeuwse en Aramese literatuur en negeerden de Grieks-Joodse literatuur, inclusief het werk van Josephus.

Toch is Josephus’ (waarschijnlijk) gehele corpus bewaard gebleven. Dit hebben we te danken aan de christenen. De vroegste christelijke verwijzingen naar Josephus’ werk waren zeer lovend. Ze roemden zijn historische betrouwbaarheid en gebruikten zijn Joodse Oudheden voor hun uitleg van het Oude en Nieuwe Testament en de vroege kerk. Hij besteedde bijvoorbeeld vanuit zijn militaire en politieke interesse aandacht aan de opkomst van Herodes de Grote en bood een perspectief op de overtuigingen van de Farizeeën en de Sadduceeën en hun rol in de Joodse samenleving. Verder maakte het uitgebreide verslag van de verwoesting van Jeruzalem en de tempel, De Joodse Oorlog bij uitstek geschikt voor de onderbouwing van het christelijke idee dat die vernietiging een goddelijke straf was voor de ongehoorzaamheid van de Joden. Voor christenen verhaalden de Bijbel en De Joodse Oorlog samen de hele Joodse geschiedenis, met de schepping als beginpunt en de vernietiging van de tempel als einde. 

Golf van antisemitisme
Kritische geluiden bleven, ook in Joodse kringen, goeddeels uit tot midden 19de eeuw. Maar dan zien we berichten die getuigen van de groeiende afschuw over Josephus’ besluit om zijn eigen hachje te redden ten koste van zijn medestrijders. Josephus kreeg vanwege zijn verhalen over zijn eigen rol in de Joodse Opstand postuum de reputatie van grootste verrader uit de Joodse geschiedenis. Zo vroeg de Joods-Franse historicus Joseph Salvador (1796-1873) zich af hoe een Romeinsgezinde egoïst met een zwak karakter als Josephus ooit had kunnen worden aangesteld als generaal in Galilea. 

Deze ontwikkeling is niet los te zien van de Joodse emancipatie en integratie in West-Europa in de 19de en 20ste eeuw. Napoleon bijvoorbeeld gaf de Joden in 1806 volledige Franse burgerrechten onder voorwaarde dat ze hun Joodse gebruiken beperkten tot hun privéleven. In een tijd van groeiend nationalisme leidden dergelijke maatregelen echter niet noodzakelijk tot betere integratie. Intensiever contact tussen Joden en niet-Joden veroorzaakte juist sterke antisemitische sentimenten. Dat er uit Midden- en Oost-Europa, waar het antisemitisme nog veel gewelddadiger was, veel Joden naar het westen migreerden, maakte het er niet beter op. 

Postuum ter dood veroordeeld
Tegen de achtergrond van dit aanzwellende antisemitisme werd Josephus’ poging om zich als Jood in de vijandige Romeinse samenleving te bewegen, des te relevanter. Met name zijn schaamteloze overlopen naar de Romeinen werd een heet hangijzer in Joodse kringen. Josephus had door de Joodse geschiedenis te boekstaven en het geloof tegen Hellenistische aanvallen te verdedigen, veel bijgedragen aan het Joodse culturele erfgoed, dat was helder. Dit maakte het veroordelen van zijn politieke keuzes voor veel Joodse intellectuelen tot een gevoelige kwestie. Dat de verhalen van De Joodse Oorlog en Uit mijn leven op veel punten niet overeenkwamen, riep bovendien vragen op over Josephus’ integriteit. Hij moest in een van twee, en waarschijnlijk in beide, hebben gelogen. 

Vanaf de jaren 1920, een periode van grootschalig antisemitisch geweld, zouden de sterke drang om de waarheid boven tafel te krijgen en de verontwaardiging over Josephus’ twijfelachtige politieke keuzes culmineren in een serie schijnprocessen. In Europese steden als Antwerpen, Parijs en Warschau én in Palestina/Israël, werd hij postuum, ruim 1800 jaar na de Joodse Opstand, als overloper en collaborateur meermaals ter dood veroordeeld. 

Zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog gingen ze door. Zo beschrijft de tiener Izaäk Rudashevski in zijn Jiddische dagboek een zitting op 7 maart 1943 in het Joodse getto van Vilnius. Izaäk was er als getuige opgetreden in de rol van Johannes van Gischala, in de oorlog tegen de Romeinen een opstandelingenleiders en de grootste rivaal van Josephus. Over de uitkomst van de zitting lezen we niets, maar het is veelzeggend dat Izaäk niet Josephus maar Johannes van Gischala ‘een beroemde held’ noemt. 

Ook het zionisme was een voedingsbodem voor schijnprocessen. Zo kondigde de zionistische krant Ha-Tzofeh die in Tel Aviv voor Joden in het Britse Mandaatgebied Palestina werd uitgegeven, op 30 december 1940 een publieke voorstelling aan met de titel Mishpat Flavius (het proces van Flavius). De verwijzing naar Josephus’ Romeinse naam liep op de uitkomst vooruit. De Israëlische filosoof en schrijver Avishai Margalit (1939) bevestigt in zijn memoires dat Josephus in het zionistische milieu waarin hij in Jeruzalem opgroeide bij voorbaat verdacht was. Margalit moest hem spelen in de schijnprocessen die zowel op school als in de jongerenbeweging werden gehouden. Alleen al de niet-Joodse naam in de openingsvraag ‘Ben jij Flavius Josephus?’ impliceerde in Margalits dertienjarige oren een gebrek aan integriteit. Josephus heeft op deze wijze postuum vele malen ‘terechtgestaan’ in het Britse Mandaatgebied Palestina en vanaf 1948 ook in de staat Israël. De rechtszaak van Josephus haalde in oktober 1992 nog de Israëlische televisie.

 

Houtsnede uit 1493 met portret van Flavius Josephus (Rijksmuseum Amsterdam).

 

Massada
Inmiddels lijkt bij postuum weer goeddeels vrijgesproken. In de afgelopen decennia heeft een stroom aan nieuw wetenschappelijk onderzoek geleid tot een herwaardering van Josephus en zijn werk. Kennis van zijn verhalen is voor Israëlische toergidsen onmisbaar en hij staat aan de basis van een van de belangrijkste trekpleisters van Israël: het fort Massada. In dit fort, gelegen op een rots in de Dode zee, hadden zich volgens Josephus in 73/74 de laatste Joodse opstandelingen verschanst. Het ging hier om aanhangers van de extremistische sekte der Sicariërs (‘dolkmannen’), die elders een wreed bloedbad hadden aangericht. Om niet in de handen van de Romeinen te vallen, pleegden ze collectief zelfmoord. 

Het fort is in de jaren 1960 opgegraven door de Israëlische archeoloog, generaal en politicus Yigael Yadin, maar al eerder had archeoloog Shmaryahu Gutman de legende over Massada geremodelleerd naar de behoefte van dat moment, toen Europa in de greep was van de nazi’s en hij een heldenverhaal zocht. Hij had bijvoorbeeld weinig oog voor de opmerkingen van Josephus over de dubieuze en extremistische aard van deze georganiseerde moordeenheid. 

Voor Josephus waren dat zeker geen details: hijzelf had zich immers in de grot van Jotapata overgegeven. Hij wilde juist laten zien dat dat de juiste keuze was. Hij veroordeelde de mannen van Massada als slechte leiders: hun excessen hadden de Joodse samenleving tijdens de opstand tegen Rome in het verderf gestort. 

Moderne archeologen en historici betwijfelen of de collectieve zelfmoord van Massada überhaupt heeft plaatsgevonden. Hoewel lang niet alles in Josephus’ verhalen klopt, zijn ze – op de juiste manier gelezen – ook voor historici nog steeds de belangrijkste bron van informatie over de Joodse Opstand. 

In het oktobernummer van Geschiedenis Magazine lees je verder over het werk van Josephus: hoe betrouwbaar is dat nu eigenlijk?
 

Delen: