Jong op vakantie van 1700 tot nu: op zoek naar de onvergetelijke ervaring

Iedereen heeft een eigen invulling van de vakantie. Met de fiets of per vliegtuig, samen of alleen, dichtbij huis of heel ver weg, goed uitrusten of juist zo veel mogelijk doen. Iedereen is zo op een eigen manier op zoek naar een onvergetelijke ervaring. Dat was in de 18de eeuw niet anders. Hier nemen we een kijkje in de geschiedenis van jongerenvakanties - een geschiedenis van peperdure Grand Tours, wandeltochten, jeugdherbergen, verzuilde vakantiekampen en backpackers.

Op 12 december 1777 kwam Anne Snow thuis van een tocht die vijftien maanden geduurd had. De steenrijke Britse bankiersdochter schreef in haar dagboek: ‘Ik denk dat er niemand ooit vrolijker was dan ik, toen ik mijn vrienden bij terugkeer in eigen land weer zag, noch kan iemand ooit een vermakelijker Tour gehad hebben dan ik.’ Anne was 24 jaar toen zij, haar zus en twee broers een Grand Tour door Frankrijk en Italië maakten. Ze bestudeerden steden, bewonderden natuurschoon, feestten nachten aaneen met lokale elites en zelfs met Ferdinand IV ‘de neus’ van Napels die Annes handpalmen na hun zwierpartijen onder buldergelach controleerde op zweetplekken. Zo’n reis vergeet je nooit meer en maak je maar één keer in je leven; de jonge volwassenen waren rijp voor de toekomst.

Dergelijke reiservaringen waren toen niet ongebruikelijk voor rijke en adellijke West-Europese jongeren. De coming of age van deze verlichte jongeren ging gepaard met honger naar kennis en ervaring die ver weg en lange tijd van huis konden worden vergaard. Zonder het te weten volgden miljoenen jongeren Annes voetsporen als wereldverkennende vakantiegangers. 

Voorbeelden van reizen in Italië die bekende historische figuren hebben afgelegd. (Afbeelding: Touring Club Italiano, via Wikimedia Commons)
 

Verruiming van het wereldbeeld
De Grand Tour was in Nederland een gangbare stap om het wereldbeeld te verruimen. Toch besloten Dirk van Hogendorp en Jacob van Lennep in de zomer van 1823 bewust in eigen land te blijven ‘om den landaart en de zeden en gewoontens der ingezetenen te leeren kennen’, maar ook om mensen te ontmoeten en veel wijn te drinken. Het jonge koninkrijk was evenzeer een ver exotisch gebied, want afstanden en verschillen waren er veel groter dan vandaag. Het land was leeg en kon nog van alles worden, net als de jongeren die beiden rechten studeerden. Grand Tours waren investeringen voor de toekomst die alleen de elite zich kon permitteren. De Snows gaven een slordige 1500 pond uit, terwijl Van Hogendorp schatte dat de reisgenoten elk 500 gulden kwijt zouden zijn. 

Twee mensen kijken naar de kaart van Italië. Ze plannen hun Grand Tour. Laat 19de-eeuws schilderij van Emil Brack. (Afbeelding: Privé Collectie, via Wikimedia Commons)
 

Pieter Janszoon Jong zou zo’n reis nooit kunnen betalen en verdiende als jongstgeboren brouwersknecht te Lutjebroek slechts zeven gulden per week. Misschien speelde dit wel mee bij zijn besluit in de winter van 1865 gehoor te geven aan de oproep van paus Pius IX om de Kerkelijke Staat te verdedigen tegen de garibaldisten. Jong stapte met drieduizend andere Nederlandse zoeaven - allen mannen tussen 17 en 40 jaar - op de boot naar Rome. Hoewel cholera en bloedige veldslagen geenszins vergelijkbaar waren met de ontberingen van hedendaagse backpackers, was de tocht ook een bijzonder avontuur dat de zoeaven samen en met duizenden leeftijdgenoten uit andere landen beleefden:

De Christenjeugd
Snelt toe, verheugd
Voor God en Paus te sneuvlen.
Op, Neerlands jeugd! Op, Neerlands jeugd!
Naar ’t heilig, heilig Rome!

Niemand stierf dus voor niets, en zeker Jong niet, die bij de slag op de Monte Libretti veertien garibaldisten doodknuppelde alvorens de heldendood te sterven.

Schilderij van ca. 1760 met James Grant, John Mytton, Thomas Robinson en Thomas Wynne tijdens de Grand Tour van Nathaniel Dance-Holland. (Afbeelding: Yale Center for British Art, via Wikimedia Commons)
 

Ook in eigen land bestonden er mogelijkheden voor vakanties voor jongeren van niet-elitaire afkomst. In de laat-19de-eeuwse rijkskweekscholen studeerden docenten in spe tussen hun veertiende en achttiende in grimmige kostscholen. Deze waren een broedplaats voor jongeren zonder geld maar met hersens. Volgens kwekelinge Ella van Duinen kon het twee kanten op met het jong zijn: ‘het stoeien en spelen zonder meer, het roken van vele pijpen tabak, het avonden doodslaan met de kaarten (…) alsof jong zijn niet zeggen wil: vol idealen zijn en vol vuur om het schone in toepassing te zien.’ 

Net als de zoeaven werden de kwekelingen gedreven door idealisme en de behoefte samen met onbekende jongeren op te trekken. Zij maakten lange wandelingen om de natuur te leren kennen en fysieke inspanningen te leveren. Dit deden zij het liefst met kwekelingen van andere scholen en van het andere geslacht. Op de fiets - die zich begin 20ste eeuw als ‘paard van de democratie’ begon te vestigen - kon je bovendien goedkoop nog verder reizen.

Vanaf 1897 vonden de kwekelingen elkaar in Theo Thijssens weekblad Baknieuws (bak=kweekschool). Tijdens de langere wandeltochten in de vroege zomer en de kerstvakanties was het onmogelijk tussendoor terug te reizen naar huis en overnachtten de jongeren met elkaar. Ze kopieerden het kamperen in tenten van de soldaten, of sliepen gezamenlijk in herbergen. Zo beleefde een jonge wandelaar in 1906 een Grand Tour in eigen land: ‘Voor ‘t eerst voelde ik toen wat ‘n eigenaardig genot het is samen met veel nieuwe vrienden in ‘n vreemde plaats een vreemde omgeving door te trekken. ’t Sneeuwwater lekte door mijn kapotte zolen, maar ik voelde het niet. (…) veel lui op kleine kamertjes, die mekaar toeschreeuwen, mekaar wakker houden door ‘t enthousiasme van samen een grote vreugde door te maken en dan in slaap te vallen met de bakmars nog in ’t hoofd.’

Standbeeld van Theo Thijsen van door Hans Bayens in Amsterdam. (Afbeelding: Ceescamel, via Wikimedia Commons)
 

Vakanties met een missie
Jongerenvakanties werden in dezelfde periode inzet van politieke strijd. In 1910 deed de padvinderij in Nederland zijn intrede. Baden Powells scouts wilden met militaire discipline kinderen in brave christelijke burgers omtoveren. Linkse politieke bewegingen verweten de scouting dat zij jongeren misleidde en elitair was omdat ze hun eigen (dure) tenten kochten. Ze waren zelf echter geen spat beter. Zo stelde communist en behanger Dries van Gool in 1917 bijvoorbeeld: ‘we mogen niet langer door de padvinderij, voetballetjes naloperij en al dergelijke zaken meer, de jeugd af laten houden van hun klassetaak en revolutionaire opvoeding.’ Waar leerde je dat beter dan tijdens communistische vakantiekampen?

Vakanties met een politieke missie waren evenwel vaak de enige mogelijkheid voor arme en werkende jongeren om er op uit te gaan. Wiekenspanner Douwe de Wit hing in de zomers van de jaren 1910 vooral veel op straat rond, pakte soms de ‘angelstok’ (hengel), ging ‘hofkesinge’ (fruit jatten) of ‘ruutsietikken’ (ramen ingooien). De politisering van zijn ellende werkte voor De Wit juist als een Grand Tour: vanaf zijn zestiende bezocht de Fries de antimilitaristische en anarchistische Pinksterlanddagen. De herinnering aan het zingen, lezen en praten te Appelscha vormt het hoogtepunt van zijn levensverhaal. 

Recht op vakantie
Steeds meer parlementaire partijen erkenden het recht op vakantie voor werknemers en het aantal contracten met vakantieregelingen groeide van 44,8% in 1920 tot 85,6% in 1932. Eind jaren twintig werd ook in de Tweede Kamer expliciet over vakanties voor jonge werknemers gesproken en stelde de sociaal-democraat Willem Drop dat ‘jeugdige persoonen [een] bijzondere wijze in die vacantieregeling’ verdienden. Het bleef, door de val in 1929 van Wall Street en het kabinet-De Geer, bij goede bedoelingen. Maar het verhaal van Drop laat zien dat de sociaal-democraten grote plannen met jonge vakantiegangers hadden.

Dit was voor een belangrijk deel aan de positie van Koos Vorrink te danken. Vorrink trad in 1920 in dienst van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), waar hij door zijn talenten en slaafse volgelingen de status ‘van een soort godheid’ kreeg. De geheelonthoudende ex-kwekeling was een bewonderaar van groepsvakanties met een missie en haalde zijn inspiratie vooral uit Duitsland. Een AJC-delegatie raakte er onder de indruk van de vakantiekampen van haar zusterorganisatie, waarbij natuurbeleving eveneens centraal stond, maar wel in een identiteitsbepalende cocktail van vermaak en strijd. Vorrink: ‘En deze stemmen der natuur dragen zij in hun jonge harten, die maken hen sterk en fier, jong en vol vreugde. Zij strijden in eigen kring niet tegen de drank, niet tegen de bioskoop, niet tegen het smerige en onbenullige boek, zij lachen er eenvoudigweg om.’ 

Dat wilde de delegatie ook, die volgens de overlevering ‘met lange broek en stijve boord heen trok en in kiel en Manchesterbroek terugkeerde’. In deze malle pakjes trokken de jonge sociaal-democraten op marsvakanties met vlaggen en vaandels langs velden en bossen en zongen liederen als:

Als wij schrijden, dichtgerijd
En ons Lied omhooggestegen
Echo’s wekt op alle wegen
Voelen wij: ‘Ons is de zege!
Ons geleidt de Nieuwe Tijd!’

 

Leden van de AJC vieren het Pinksterfeest op de Veluwe. Links in de verte zie je de tenten waarin men sliep. Foto uit 1924. (Afbeelding: via Wikimedia Commons) 
 

De AJC en andere verzuilde jeugdorganisaties deelden dezelfde politiek religieuze overtuiging dat groepsvakanties en natuurbeleving belangrijke middelen waren om jongeren te vormen tot strijdbare idealisten. Dit lijkt sprekend op fascistische en nationaal-socialistische jeugdactiviteiten uit de jaren twintig en dertig. Van politiek geregisseerde vakantiemissies komt vaak ellende; de betonnen kolossen van het Kraft durch Freude-vakantieparadijs Prora op het Duitse eiland Rügen zijn er de lugubere getuigen en bewijzen van.

De individuele beleving
Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen de verzuilde vakantiekampen. Het aantal bromfietsen in Nederland steeg van 4000 in 1949 tot ongeveer 1,1 miljoen in 1961. De brommers maakten het na de introductie van de vrije zaterdag in 1960 makkelijker weekendjes weg te gaan, terwijl ook het liften als goedkoop vervoer zijn intrede deed. Jongeren trokken er steeds vaker zelfstandig of in kleine groepjes op uit. Het aantal vakantiegangers en weekendjes weg steeg zo snel dat het CBS zich in 1969 genoodzaakt zag zijn definitie van vakantie van twee naar vier nachten verblijf buiten de deur op te rekken; 70% van de werknemers viel eind jaren zeventig in deze groep.

De jongeren van de jaren zestig passen op het eerste gezicht perfect in dit patroon van groeiende individualisering en massaconsumentisme. Volgens Ger Harmsen, de eerste historicus die zich met jongerencultuur bezig hield, kenmerkte de jeugd van zijn tijd (1961) zich door ‘de wil volwassen te zijn, de afkeer van organisatie, geen geloof in abstracte idealen’. Ze had ‘een eigen geestelijke signatuur gevormd onder de indruk van de zg welfare state, technische vooruitgang, nieuwe communicatie en vervoersmiddelen en de dreiging van een atoomoorlog’.

Amsterdam
Het verhaal van deze babyboomers is vaak verteld. Maar had dit verhaal ook grote gevolgen voor de grote vakantie? Je zou het door massaconsumentisme en individualisering verwachten, maar eigenlijk valt het allemaal wel mee. Zo was het ‘iets georganiseerds’-doen volgens een enquête uit 1971 het meest populair op campings en jeugdherbergen. De in 1929 buiten zuilen, standen en klassen opgerichte Nederlandse Jeugdherberg Centrale (thans Stayokay) overleefde de eeuw en bleef in de jaren zeventig marktleider in de opvang van jongeren.

Toeristen met rugzakken in Amsterdam, 1982. (Afbeelding: Nationaal Archief - Fotocollectie Anefo, nr. 2.24.01.05)
 

Groepsactiviteiten en gezamenlijke ervaringen bepaalden het succes van de vakantie en de plek waar dat mogelijk was. Deze constante behoeften golden evenzeer voor buitenlandse jongeren die Amsterdam vanaf het midden van de jaren zestig als Grand Tour-bestemming aandeden. ‘Een kollektiefje’ jonge sociologen van de plaatselijke universiteit onderzocht in 1972 de ‘regels, relaties en sferen’ van dit jeugdtoerisme op basis van participatie: ze sliepen en blowden weken achtereen in het Vondelpark en gingen moeiteloos op in hun studieobject want ‘er is weinig voor nodig om je thuis te voelen in een scene waar de meesten ook maar te gast zijn. Ongemerkt ben je zelf een onderdeel geworden van de situatie, van waaruit je mensen ziet komen en gaan.’ Uit deze versmelting blijkt dat de ervaring van de grote trip ook thuis kon worden opgedaan, zolang er maar gelijkgezinden en misschien wat drugs in de buurt waren. De sociologen: ‘Amsterdam [is] een reizigersparadijs. Je kunt er lotgenoten ontmoeten en geestverwanten in overvloed, dope skoren, goedkoop slapen, en belangrijkst van alles, je kunt je er zonder paranoia bewegen.’ 

De onwaarschijnlijkste plek 
Het is verleidelijk te denken dat nieuwe generaties jongeren nieuwe vakanties uitvinden. Het is deels ook waar: jongeren gaan vandaag minder vaak op groepsvakanties en logeren niet graag bij familieleden omdat het zo lekker goedkoop is, zoals dat in de jaren vijftig gebruikelijk was. In tijden van economische voorspoed trekken steeds meer jongeren steeds verder weg en wie de onwaarschijnlijkste plek bezoekt en het vreemdste beleeft, heeft de beste Tour.

Toch is juist dit laatste een eeuwige missie. Tijd- en grenzeloze vakantieboeken bevestigen dit beeld. Sebastian Flyte en Charles Ryder uit Evelyn Waughs Brideshead Revisited (1945) zochten in Venetië dezelfde unieke ervaring als Richard aan de stranden van Thailand in Alex Garlands The Beach (1992) en Jonathan uit Safran Foers Everything is illuminated (2002) in Oekraïne. Unieke reiservaringen moesten betekenis en zingeving aan hun adolescente levens geven. Deze kon alleen verkregen worden door de ervaring met anderen te delen en juist hierin rust de dramatiek van de verhalen, want alle hoofdpersonen zijn bijzonder slecht in delen. 

Waarschijnlijk halen backpackers vandaag iets vergelijkbaars uit de boeken en hun tochten door Oost-Europa, Thailand en Venetië en zoeken zij hetzelfde als Anne Snow die de laatstgenoemde stad in 1777 ook bezocht. Misschien constateerde zij wel iets gelijksoortigs als de Amsterdamse sociologen in de jaren zeventig over hun eigen stad. ‘It is a place to go to voor al die mensen die de wereld afzoeken, zich afvragend: Waar is het feest?’ Die vraag bleef altijd dezelfde.

Verder lezen
• Ger Harmsen, Blauwe en rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940, Van Gorcum, 1961
• Jacob van Lennep, bezorgd door Geert Mak en Martia Mathijsen, Lopen met Van Lennep: de zomer van 1823. Dagboek van zijn Voetreis door Nederland, Waanders, 2000
• Wim Zaal, De vuist van de Paus. De Nederlandse Zouaven en het einde van de kerkelijke staat 1860-1870, Wetenschappelijke Uitgeverij, 1980

Dit artikel verscheen in 2009 (editie 5) van Geschiedenis Magazine onder de titel: 'Jong op vakantie. Op zoek naar de onvergetelijke ervaring'. 

 

Delen: