IN DE ONDERDUIK - EN DAARNA | Aflevering 10: ‘Ben jij ook zolang boos en verdrietig gebleven?’

Hoe was het om in de oorlog als kleuter ineens bij wildvreemde mensen te worden afgegeven en je eigen naam te moeten inleveren? Je pleegouders dankbaar te moeten zijn terwijl je vooral woede voelde? Wat moet je als je nog jarenlang niet kunt of wilt geloven wat het Rode Kruis in 1949 meedeelt: dat je eigen vader en moeder echt niet meer terugkomen? Lees het bijzondere verhaal van Merlyn (Lieneke) Frank. 

Halverwege mijn lyceumtijd werd me duidelijk dat mijn grootouders niet meer zouden terug keren, dat die echt dood waren, maar was ik er nog steeds niet helemaal van overtuigd dat mijn ouders niet meer leefden. Die kleine ruimte, dat voorbehoud in de Rode Kruisrapporten en alle notariële akten die nog volgden was mijn fantasiewereld gaan beheersen. 

Broodkruimels
Zonder het thuisfront ervan te verwittigen, reisde ik naar Gerzon in Amsterdam waar Koosje jaren gewerkt had, naar de Paroolredactie die de Sobibor-processen in Hagen volgde, naar Jules Schelvis voor een boterham op de Veluwe, naar Arnhem voor Eli Cohen die als arts in Westerbork menig vertrekkende de hand schudde, naar Westerbork voor mogelijk achtergebleven sporen of kruimels daarvan. Niemand kon me verder helpen. Iedereen was reuze aardig, schonk thee met iets lekkers maar kon me niet helpen. Hun meewarige blikken bij afscheid ontgingen me niet.  

Ik bleef boos, boos op de hele wereld 
Af en toe werd me door een of andere goed bedoelende – iedereen had altijd goeie bedoelingen – erop gewezen dat het leven zijn loop had hernomen en in rap tempo verder stroomde. Ik zou minder moeten terugkijken, mijn zegeningen moeten tellen en de toekomst omarmen. Ze hadden gelijk. Maar ik bleef boos, boos op de hele wereld, op iedereen die me niet wilde of kon begrijpen. Boos op psychiaters als Jan Bastiaans die adviseerde die boeven in Breda hun laatste jaren in familieverband te laten doorbrengen. 

Boos op Hans Keilson die mij – allang volwassen – heel nieuwsgierig uithoorde omdat hij ‘kinderen zoals ik’ beter wilde leren kennen maar die niet, nee nooit zei waarom. Ik was ‘n beetje in de ban van zijn bijzondere persoonlijkheid en liet na ernaar te vragen. Hij was een goed en geduldig toehoorder en de deur van zijn huis in Bussum ging vele malen gastvrij voor me open. Toen ik maanden later in meerdere media publicaties van zijn hand zag, las ik mijn eigen woorden. Hij bleek niet alleen mijn woorden te hebben gestolen maar ook mijn gedachten. 

Boos op de hele psychiatrie die pretendeerde te luisteren maar op voorhand haar diagnose al klaar had. Vanwege mijn onvermogen het onvoorstelbare te begrijpen stelden ze keer op keer dringend behandeling voor. Het is me gelukt hun jarenlange uitnodigingen en aanmaningen te weerstaan. Boos ook op mijn pleegvader, salonsocialist, die mijn dankbaarheid claimde, een knieval of buiging verwachtte en zich uiteindelijk gedesillusioneerd van me afwendde. 

Ook Theo haakte af
Tijdens een radio-uitzending (Met het Oog op Morgen met Joop van Zijl) over joodse weeskinderen waarbij het vooral over cijfers en statistieken ging, en ik desgevraagd (maar zijdelings) tevens repte van een tamelijk moeizame relatie met mijn pleegouders, haakte ook Theo teleurgesteld af. Hij had gehoopt ik dat ten overstaan van volk en vaderland de heldendaden van zijn vader zou hebben bezongen.

'De Nowee’s waren lieverds, echte Menschen'
Met de jaren werd mijn woede wel minder: mede dankzij mijn buurjongen Woudstra in Enschede, de beste en liefste matzebakker van Europa die een enigszins vergelijkbare achtergrond had, een jeugd waarover we nooit, nee, nooit spraken. We deelden veel leuke dingen maar zwegen over onze jonge jaren. In weerwil van dat zwijgen kwam bij mij op zekere dag – ik zal negentien geweest zijn – een prangende vraag boven: ‘Ben jij ook zolang boos en verdrietig gebleven?’ ‘Nauwelijks, nou ja soms wel even’ reageerde hij glimlachend. ‘Ik zat ondergedoken bij een gezin in Utrecht waar ik me altijd heel veilig voelde. De Nowee’s waren lieverds, echte Menschen die naast hun eigen kinderen nog twee onderduikertjes in huis hadden. Een daarvan was ik.'

Nowee? Nowee, was die niet hoofd van een lagere school waaraan ook een kleuterklasje zat? ‘Ja, dat klopt.’ Ik slikte diep, moest nog net niet huilen. Mijn meneer Nowee met de lieve ogen, die luisterde en me steeds zo’n vertrouwd gevoel had gegeven… 

Een milder oordeel
Terugdenkend aan hen die de moed hadden ‘tot het eind van de oorlog’ een joods kind in huis te nemen, en nog jarenlang onbedoeld met een heel lastig kind opgescheept bleven, een vervelend, boos en ondankbaar wicht, voor hen heb ik door de jaren heen veel meer begrip en respect gekregen. Mijn oordeel over hen is milder geworden.     

Maar het was hoe dan ook een oneerlijk begin, een valse start. Met onze relatie vol goeie bedoelingen, misverstanden en frustraties is het nooit meer goed gekomen. Mijn onvermogen mijn pleegouders lief te hebben terwijl ik ze grote dankbaarheid verschuldigd was, had mijn geweten door de jaren heen lelijk bekrast en belast.        

Het was mijn laatste kans nog iets te zeggen 
In de laatste fase van haar leven heb ik mijn pleegmoeder in de rolstoel door ons dorp geduwd, spelletjes met haar gedaan, haar voorgelezen, gevoed en verschoond. De struise stormbestendige Westfriese die ik jarenlang gekend had was verschrompeld tot een onherkenbare schim op het moment dat ik aan haar sterfbed zat. Ze staarde me met grote lege ogen aan, kon niet verstaanbaar meer spreken maar haar gehoor leek nog intact. Het was mijn laatste kans nog iets te zeggen.

Merlyn (Lieneke) Frank achter het raam van haar geboortehuis in Amsterdam in 2016. 
 

Ik verzamelde moed, haalde diep adem en drukte mijn lippen zachtjes op haar uitgemergelde wang. Daarop klonken de woorden die ik veertig, vijftig jaar eerder had moeten spreken: ‘Dank, dank voor alles wat je voor me hebt gedaan, dat je me gered hebt!’ Haar ogen lichtten op, werden vochtig, ze had me nog verstaan, gehoord! Ik kwam overeind, merkte dat m’n gezicht nat was, en besefte dat het mijn eigen tranen waren op haar wang.

Afscheid in Sobibor
Er was nog een afscheid, een paar jaar later, in die godverlaten uithoek van Polen bij een berg die bestond uit as van zo’n 200.000 vermoordde mensen: Sobibor. Aan de betonnen rand die de as bijeenhield stond ik naast mijn broer, een man met wie ik weinig deelde. Zelfs geen herinneringen aan een gemeenschappelijke jeugd. De grote foto van Abraham en Koosje die we tussen de afdekkende steentjes plaatsten, gaf de grauwe anonieme berg ineens een gezicht. 

We liepen er helemaal omheen en legden hier en daar een bloem voor hen die daar wellicht met hun kinderen lagen en voor wie misschien niemand meer langs kwam. Na terugkeer bij de foto heb ik vader en moeder toegesproken: ‘Hier zijn we, we hebben het overleefd, en het gaat ons goed, heel goed. Weet alsjeblieft dat hoe kort jullie leven ook geweest is, het niet zinloos was. Jullie leven voort, niet alleen in ons maar ook in onze kinderen en kleinkinderen.’ We noemden de namen van al hun klein- en achterkleinkinderen.

Ik denk dat ze ons gehoord hebben. De foto bleef achter in die treurige berg waarvan we ons langzaam verwijderden. Maar niet nadat ik de doden beloofd had de wereld te zullen vertellen wat zich op die plek had afgespeeld. We liepen zwijgend weg. Toen ik me omdraaide om nog even naar mijn ouders te zwaaien stak er ineens een frisse bries op die Abraham en Koosje voorzichtig deed wiegen en, naar het scheen, zachtjes zuchten.
 

Dit was de laatste aflevering van IN DE ONDERDUIK - EN DAARNA. Wilt u meer lezen van Merlyn Frank? In 2018 publiceerde zij de roman Ver weg en heel dichtbij (zie kader). 

Meer lezen van Merlyn Frank?

Ver weg en heel dichtbij
In 2018 publiceerde Merlyn Frank de roman Ver weg en heel dichtbij. Het gaat over de geschiedenis van een nogal neurotische Joodse vrouw in de nadagen van haar leven. Ze blikt terug op haar bewogen jonge jaren, maar zit ook midden in de verwikkelingen rondom de mysterieuze verdwijning van haar exgenoot, Alfred.

Hierdoor krijgt het verhaal verschillende lagen: de ‘whodunnit’ met betrekking tot Alfred, het contact met haar zoon, de verstoorde band met haar dochter en in grotere context de relatie met vrienden en kennissen, die door haar cynisme en botte gedrag vaak zwaar op de proef werd gesteld. Daarnaast is ze voordurend verwikkeld in broze herinneringen aan lang, lang geleden: aan de oorlog waarin haar familie werd uitgeroeid en die ze zelf ternauwernood overleefde. En dan zijn er ook nog haar overpeinzingen over Jodendom, religie en de staat Israël.

Merlyn Frank, Ver weg en heel dichtbij (Novum Publishers, 2019) € 17,90

Delen: