IN DE ONDERDUIK - EN DAARNA | Aflevering 1: Niet naar Westerbork

Hoe was het om in de oorlog als kleuter ineens bij wildvreemde mensen te worden afgegeven en je eigen naam te moeten inleveren? Je pleegouders dankbaar te moeten zijn terwijl je vooral woede voelde? Wat moet je als je nog jarenlang niet kunt of wilt geloven wat het Rode Kruis in 1949 meedeelt: dat je eigen vader en moeder echt niet meer terugkomen? Lees het bijzondere verhaal van Merlyn (Lieneke) Frank. Ze ontsnapte als driejarig meisje aan deportatie naar de vernietigingskampen. In 1943 was ze met haar ouders en broertje op weg naar Westerbork. Tijdens een onverwachte stop op station Utrecht wisten leden van het Utrechts verzet haar uit de trein te halen. Merlyn Frank vertelt haar herinneringen op onze website…

 

Merlina (Lieneke) Frank ontsnapte als driejarig meisje aan deportatie naar de vernietigingskampen. Op 25 mei 1943 was ze met haar ouders Abraham en Koosje Frank-Witteboon en babybroertje Philip in de trein op weg naar Westerbork. Wat er onderweg gebeurde, heeft ze van horen zeggen: Toen bij ‘n waarschijnlijk technische stop langs een Utrechts perron ineens ‘twee gezichten’ voor ons raampje opdoken en iets gebaarden stond mijn moeder op met de baby in haar armen die ze nog net daarvoor gevoed had en liep naar de al geopende treindeur.

Ik snapte helemaal niet wat er gebeurde maar liep met m’n eigen (poppen)koffertje achter haar aan. In die open deur rukte een jonge vrouw de baby uit m’n moeders handen en een meneer tilde mij van de hoge opstap af. Beiden renden met ons het perron af. Het ging allemaal razendsnel. Ik probeerde nog om te kijken maar dat lukte niet meer. In de fietsenstalling rende de vrouw met mijn broertje naar buiten. Die meneer zette mij met m’n koffertje achterop zijn fiets en racete weg ....

Abraham en Koosje Frank-Witteboon, vermoedelijk 1941
 

Niet naar Westerbork
Mijn moeder, Koosje, trof in Westerbork haar vriendin Rietje van Aalst bij wie ze haar hart uitstortte. Rietje van Aalst overleefde Auschwitz en zij vertelde mij later wat er bij de trein gebeurde en hoe Koosje op het voorval had gereageerd. Mijn moeder was een vrolijke vrouw die overal de zon zag schijnen, ook als die zon achter een grote donkere wolk verdwenen was, en naar ik later hoorde ook impulsief en spontaan. Ze ging er toen nog steeds vanuit dat ze mogelijk naar een ‘werkkamp in het oosten’ zouden worden doorgestuurd. In dat geval zou het met twee kleine kinderen heel moeilijk kunnen worden. Over die twee onbekende mensen in Utrecht ‘had ze wel een goed gevoel’. (Het bleken studenten van wat later het Utrechts Kindercomité werd genoemd).

Het was louter een impuls geweest die Koosje zo deed reageren. Ze had niet met mijn vader overlegd. Daar was geen tijd voor geweest. Hij, een kleine tengere man die al onze bagage naar de open wagen torste die ons in de Deurloostraat kwam ophalen, had naar de zin van de Duitsers die erbij stonden niet snel genoeg gelopen, had ‘n duw gekregen, was gevallen, net als de koffer en rugzakken die met hem de wagen werden ingeslingerd. Hij had zich lelijk bezeerd. Van het beladen moment in Utrecht had hij niets meegekregen. Toen hij besefte wat had plaats gevonden, reed de trein al door Drenthe.

Mijn reis ging dus niet naar Westerbork maar kriskras door Utrecht, achter op de fiets. Daar ongeveer zijn mijn herinneringen begonnen.

Merlyn (Lieneke) vijf jaar oud, met strik
 

Alsof ik een postpakketje was
.….. ‘Kom, vooruit opschieten meisje we moeten nog verder, kom op’. Er had zich net een kleine ramp voorgedaan: het rode zuurtje even eerder nog van mamma in de trein gekregen, was uit mijn hand gevallen, uit dezelfde hand die ook krampachtig zijn zadel had vastgehouden. Die man, geschrokken van mijn geschreeuw, was afgestapt en had me van zijn bagagedrager getild om het ding te gaan zoeken.Het plakkerige rode kleinood bleek niet te vinden. Ik wilde graag nog verder zoeken en werd heel boos op die vreemde meneer die duidelijk veel haast had en me snel weer achterop zette. Maar vooral boos op mijn moeder die me zonder uitleg of afscheid aan deze vreemde man had afgegeven. Ik slikte, snapte helemaal niet wat me was overkomen maar hield voor de zekerheid zijn zadel maar weer stevig vast.

Eenmaal buiten het station was de strik waarmee 's morgens mama mijn haar had opgebonden er al vrij snel uit gewaaid. Het was mooi weer, de zon scheen en mijn haren wapperden lekker vrij in de wind. Dat was best een fijn gevoel. Die meneer zette me af bij een huis vol onbekende mensen en ging er daarna stilletjes van door zonder ook maar gedag te zeggen. Alsof ik een postpakketje was dat-ie even had moeten afgeven.

Hoe ging het verder met Lieneke? En waar kwam zij nu terecht? Lees het in aflevering twee van IN DE ONDERDUIK - EN DAARNA vanaf zondag 10 november op de website van Geschiedenis Magazine

 

 

Delen: