Holwerda en Van Giffen: de strijd tussen twee grondleggers van de moderne archeologie in Nederland

De twee Nederlandse archeologen Holwerda en Van Giffen hebben beiden een belangrijk aandeel gespeeld voor de moderne archeologische wetenschap. Maar of ze ook goed door één deur konden? De twee mannen werkten elkaar hun hele werkzame leven tegen, zaten elkaar dwars en probeerden elkaar de loef af te steken. Ze wilden allebei de machtigste man in de Nederlandse archeologie blijven of worden. 

Ze zouden elkaar hun hele leven tegenwerken, dwarszitten en de loef proberen af te steken om de machtigste man in de Nederlandse archeologie te blijven of te worden. In 1904 werd de jonge klassieke archeoloog Jan Hendrik Holwerda (1873-1951) door zijn vader, hoogleraar en de directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, aangesteld als conservator van de nieuwe Nederlandse afdeling.

Volgens de modernste methodes
Het museum speelde al lang een centrale rol in de Nederlandse archeologie en de jonge Holwerda ging voortvarend van start. Een jaar later maakte hij in Duitsland kennis met de modernste opgravingsmethode en introduceerde die in Nederland. Hij legde grotere vlakken bloot, herkende grondsporen en maakte doorsneden van die verkleuringen in de bodem. Die vernieuwingen waren het begin van een ambitieus en succesvol opgravingsprogramma. Hunebedden, grafheuvels, grafvelden, prehistorische nederzettingen, Romeinse legerkampen en burchten werden onderzocht. Koningin Wilhelmina was zo onder de indruk van de eerste resultaten dat ze hem uitnodigde om op haar kosten jarenlang opgravingen uit te voeren op het kroondomein bij Apeldoorn.

Jan Hendrik Holwerda met zijn vrouw in de tuin van hun huis in Voorschoten, ca. 1910; hij staat dan aan het begin van zijn carrière. (Afbeelding: Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
 

Versterking nodig
Baanbrekend waren ook zijn vernieuwingen in het museum. Hij richtte nieuwe afdelingen in en jaarlijks was er een expositie over de resultaten van de meest recente opgravingen. Hij was in staat een breed publiek te bereiken door lezingen, een reeks aan artikelen en een aantal veel gelezen en goed geïllustreerde boeken. Het vele werk maakte personele uitbreiding noodzakelijk en in 1912 werd een enthousiaste Groninger archeoloog aangesteld: A.E. van Giffen (1884-1973). Albert Egges was een zoon van een plattelandsdominee en was opgeleid als bioloog, maar had met het terpenonderzoek in het noorden zijn sporen in de oudheidkunde al verdiend. In het Leidse museum zou hij verder bijgeschoold worden.

Albert Egges van Giffen tijdens zijn opgraving van de Ballynoe Stone Circle
in Ierland in 1938. (Afbeelding: particuliere collectie)


Recalcitrant
Aanvankelijk verliep de samenwerking voorspoedig, maar na een klein half jaar waren de eerste barstjes al zichtbaar. Weer drie maanden later was er zelfs sprake van een regelrecht conflict: de enthousiaste jonge archeoloog was in de ogen van vader en zoon Holwerda veranderd in een humeurige, opstandige en recalcitrante medewerker, die eigenlijk niet in toom te houden was. Het begon met kleine persoonlijke verschillen van inzicht en de omgang met het personeel die alsmaar heftiger werden. Als klap op de vuurpijl beschuldigde Van Giffen de jonge Holwerda van wetenschappelijke fraude en zette hij vraagtekens bij het bestuur van het museum. Uit onderzoek bleek dat Van Giffen alles toch wel erg had uitvergroot en er geen sprake was van fraude, en er werden pogingen gedaan de beide heren weer te laten samenwerken. Het zou nooit meer goed komen.

De hunebedden D19 en D20 bij Drouwen. Holwerda en Van Giffen hebben hier beiden onderzoek verricht. (Afbeelding: Wikimedia Commons).
 
Correctie in het bijschrift
In nummer 4 (2026) van Geschiedenis Magazine was een naam verwisselend in het bijschrift bij bovenstaande afbeelding. In het blad staat 'Verhart en Van Giffen', maar dit moet 'Holwerda en Van Giffen' zijn. Hierboven is het juiste bijschrift opgenomen.

 

Achtergestelde provinciaal
Drie jaar lang werd er geruzied; Van Giffen bleek een grote groep medestanders om zich heen te hebben verzameld, machtige mannen zoals minister-president P.W.A. Cort van der Linden. Hij was in staat hen te overtuigen van het onrecht dat hem werd aangedaan en ook zijn Groningse achtergrond was van belang. Hij speelde een beetje de rol van de achtergestelde provinciaal. Daarnaast was hij gespecialiseerd in het terpenonderzoek en daar wilde men hem vanuit Groningen graag in ondersteunen.

In 1916 was er een oplossing in zicht. Van Giffen werd overgeplaatst naar de universiteit van Groningen en daar lukte het hem om in 1920 een eigen nieuw instituut te krijgen, het Biologisch-Archaeologisch Instituut (BAI). Holwerda was in hetzelfde jaar op zijn beurt directeur van het RMO geworden. Het maakte allemaal geen eind aan de wedijver. Die ging in alle hevigheid door, maar nu ook op instituutsniveau.

De koepelgraftheorie van Holwerda
Specialisatie had je in die tijd nog niet. Beiden hielden zich bezig met alle perioden, van prehistorie tot middeleeuwen, maar Van Giffen was een veel beter veldarcheoloog. Hij wilde meer in de melk te brokkelen hebben en streefde naar een andere, meer natuurwetenschappelijke archeologie. Holwerda wilde juist werken vanuit een klassieker cultuurhistorisch kader. Een van de iconen van die strijd was het koepelgraf.

Bij het onderzoek van grafheuvels op het kroondomein deed Holwerda een opmerkelijke ontdekking. Onder die heuvels trof hij houtskoolresten aan waarvan hij dacht dat ze afkomstig waren van verbrande houten balken of boomstammen. Hij meende ook dat die balken over elkaar heen lagen en dat ze wel de restanten moesten zijn van een houten koepel. De grafheuvel was dus in zijn ogen oorspronkelijk een holle ruimte waarin de doden waren bijgezet. Over de balken was grond aangebracht en later was de heuvel ingestort. Zijn koepelgraftheorie werd door velen enthousiast ontvangen. Holwerda liet er modellen van maken die tot de verbeelding spraken. Ze stonden in musea, waren snel in schoolboekjes te vinden en hij stuurde een exemplaar aan koningin Wilhelmina.

Model van het nooit bestaande koepelgraf. Dit exemplaar was geschonken aan koningin Wilhelmina en verbleef jarenlang in de koninklijke verzameling (Afbeelding: Rijksmuseum van Oudheden, Leiden).
 

De kwadrantenmethode van Van Giffen
In Groningen dacht Van Giffen daar heel anders over. Inmiddels had hij zich ontwikkeld tot een excellent opgraver en hijzelf had nog nooit resten van een koepelgraf gevonden. Voor het onderzoek van grafheuvels ontwikkelde hij een nieuwe aanpak: hij kwam met de kwadrantenmethode op de proppen. Door een grafheuvel niet direct in zijn geheel op te graven, maar steeds in tegenover elkaar liggende kwarten kon hij de grondsporen in het vlak en in het profiel bestuderen. Bovendien kreeg hij een uitstekend driedimensionaal inzicht in de opbouw van de heuvel. Feilloos kon hij aantonen dat die heuvels vaak hergebruikt en opgehoogd waren, soms wel zeven keer.

Zijn meest brisante waarneming was dat het koepelgraf nooit bestaan kon hebben. De houtkoolresten die Holwerda in een ring onder de grafheuvel had gezien, bevonden zich in een kringgreppel die om de grafheuvel lag. De heuvel zelf bestond geheel uit grond, zonder dat er een stuk hout in verwerkt was.

De kwadrantenmethode maakte Van Giffen beroemd in Europa. Veel buitenlandse archeologen nodigden hem uit om zijn methode in hun land te komen demonstreren. Dat deed hij regelmatig – een groot verschil met de wat mensenschuwe Holwerda, die congressen meed, druk was met museumzaken en het veldwerk aan zijn assistenten overliet. Van Giffen daarentegen publiceerde belangrijke artikelen en overzichtsstudies in het Duits, de wetenschappelijk taal van die jaren, die goed ontvangen werden. Hij ontwikkelde zich in de jaren 1920 en ’30 tot de meest vooraanstaande archeoloog van Nederland, maar op het gebied van het archeologisch beleid in Nederland had hij nog weinig macht. Dat monopolie bezat Holwerda’s museum in Leiden. Het was verantwoordelijk voor de archeologie van heel Nederland, de meeste vondsten gingen ernaartoe en ook het meeste geld van het ministerie van Cultuur en Wetenschap. Om problemen te voorkomen werd Van Giffen gedoogd in de drie noordelijke provincies.

Holwerda bij het slopingswerk in de Warmoesstraat in Amsterdam. In de grond lagen enkele belangrijke historische vondsten. (Afbeelding: Fotocollectie Elsevier Binnenland, Nationaal Archief)
 

Meesterzet
Na de Tweede Wereldoorlog kreeg Van Giffen eindelijk de kans een einde te maken aan die hegemonie. Holwerda was inmiddels met pensioen en bij het ministerie in Den Haag was men steeds meer gecharmeerd van de innemende archeoloog uit Groningen met zijn grootse plannen en internationale aanzien. Niet het Leidse museum, maar híj werd gevraagd een nieuw ontwerp te maken voor de organisatie van het archeologisch onderzoek in Nederland. Van Giffen kwam met de centralisatie-gedachte. Al het archeologische veldonderzoek moest worden geconcentreerd bij één nieuw instituut in het centrum van het land. Alle instellingen die zich met archeologie bezighielden, moesten hiervoor personeel, materieel en geld inleveren.

Een meesterzet: de meeste instellingen waren klein en deden alleen wat in de marge aan archeologie; het grootste slachtoffer was het RMO. Er kwam een einde aan de opgravingsactiviteiten van het museum, die onder Holwerda zo succesvol waren geweest. Van Giffens eigen BAI bleef buiten schot. Hij werd hoofd van de nieuwe Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) die in 1947 van start ging. Hoewel hij het Biologisch-Archaeologisch Instituut in Groningen – waar hij ook directeur van bleef – als ideale centrale vestigingsplek voor de nieuwe dienst zag, koos het ministerie tot zijn teleurstelling voor Amersfoort. In die stad is de dienst nog steeds gevestigd, zij het nu onder de naam Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Eerbewijzen
Rond 1950 was Van Giffen op het hoogtepunt van zijn macht en invloed. Hij was hoogleraar in Groningen en aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam, hoofd van de nieuwe rijksdienst en speelde bovendien een beslissende rol in rijkscommissie die toezicht hield op de archeologie in Nederland. In het buitenland gold hij als een zeer belangrijk archeoloog en hem vielen talloze eerbewijzen ten deel. Hij was een graag geziene gast op congressen en maakte de Nederlandse archeologie tot een inspirerend voorbeeld.

Zijn prestaties in het veld wekten soms jaloezie, en zeker ook de grootschaligheid van zijn opgravingen in de jaren 1930: hij kon in die crisistijd honderden mensen inzetten via de werkverschaffing. In 1951 overleed Holwerda in Nijmegen. Slechts enkele kranten vermeldden dit. Van Giffen echter was inmiddels een bekende Nederlander geworden en werd regelmatig genoemd in de media als hij weer eens een prijs had gewonnen of weer een hunebed opgroef. Zijn dood in 1973 werd dan ook breed uitgemeten. Die grote media-aandacht was illustratief. Hij had zijn leermeester volledig overvleugeld.

Dit nummer verscheen in 2026, nummer 4, van Geschiedenis Magazine onder de titel 'Nieuwkomer overvleugelt leermeester'. 

 

Kleurrijke archeologen
Alle archeologen willen het, en enkelen lukte het: iets sensationeels vinden dat het beeld van het verleden op zijn kop zet. Daarnaast waren er de avonturiers en ‘schatgravers’, die uit ijdelheid soms de sensatie zelfs een handje hielpen met vervalsingen. Hierboven lazen we over de twee grondleggers van de moderne archeologie in Nederland. In het aankomende nummer 5 is William Douglas Hamilton aan de beurt, de diplomaat die in de 18de eeuw aanzette tot illegale roof van oudheden. Dit nummer niet missen maar nog geen abonnee? Meld je aan vóór donderdag 25 juni, dan krijg ook jij dit nummer thuisgestuurd! 

 

Delen: