Hoe politieke polarisatie diep doordrong in het dagelijks leven van de 18de eeuw

Polarisatie. Is die er, en zo ja, hoe komen we eraan en liefst ook weer vanaf? Over deze vragen wordt druk gedebatteerd in de media en politiek. Het lijkt haast alsof we voor het eerst met dit fenomeen geconfronteerd worden, maar dat is niet zo. In de late 18de eeuw drongen politieke tegenstellingen zo diep door in het dagelijks leven dat mensen door geweld en intimidatie hun broodwinning kwijtraakten en het inroepen van een vroedvrouw een politieke keuze werd. Verzoekschriften vertellen ons daar mee over. Nelleke Tanis onderzoekt ze.

Sophia Goudappel, de stadsvroedvrouw van Delft, had het steeds minder druk gekregen. Niet omdat er minder kinderen werden geboren, maar vanwege haar politieke overtuiging: ze was geen aanhanger van stadhouder Willem V. En zolang hij nog in het zadel zat, kostte dat haar klanten. In 1795 vertrok hij dan toch en klampte haar man, Johannes Soldaar, het nieuwe Delftse stadsbestuur aan. Hun inkomen was door hun principiële keuze voor de patriotse beweging de afgelopen jaren zo sterk teruggelopen dat ze niet langer konden rondkomen, en hij vroeg om financiële ondersteuning.

Hoofdschuldige
De diepe verdeeldheid was ontstaan na de nederlaag van de Republiek in de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Economisch ging het al decennia bergafwaarts, en nu bleek de Republiek zelfs op zee, waar zij zolang men zich kon heugen oppermachtig was geweest, niets meer te betekenen. Als reactie kwamen de patriotten op: een protestbeweging die eigen schutterijen op de been kreeg, meer burgerinspraak eiste en de macht van stadhouder Willem V wilde inperken. Volgens de patriotten was hij de hoofdschuldige aan het verval van de Republiek en de nederlaag tegen de Engelsen. In grote delen van het land raakten steden en dorpen diep verdeeld tussen patriotten en orangisten, een tweedeling die dwars door alle lagen van de samenleving heen liep.

Oranjeklanten uit Den Haag plunderen huizen in een straat in Delft, 19 september 1787. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam)
 

Oranjerestauratie
In 1787 deden de patriotten, door hun tegenstanders ook wel aangeduid als Kezen, een greep naar de macht. Ze namen in veel steden en dorpen het bestuur over, terwijl de stadhouder en zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen uit Den Haag wegvluchtten, naar het Oranjegezinde Nijmegen. Met de hulp van Pruisische legers werd de coup echter hardhandig neergeslagen, waarop het orangistische deel van de bevolking massaal wraak nam op de patriotten met grootschalige plunderingen en geweld. Duizenden patriotten ontvluchtten door de oranjerestauratie de Republiek richting Frankrijk. In 1795 keerden hun kansen: gesteund door de Franse revolutionaire legers slaagden de patriotten er ditmaal wel in om een succesvolle revolutie te bewerkstelligen en de stadhouder naar het buitenland te verjagen. Ze stichtten de Bataafse Republiek.

Gevolgen voor inkomsten
Die jarenlange verdeeldheid tussen patriotten en orangisten móet gevolgen hebben gehad voor het dagelijks leven en de bestaanszekerheid van gewone mensen. Wanneer de stedelijke samenleving onder druk kwam te staan, dan voelden mensen dat onvermijdelijk ook in hun portemonnee: er bestond immers vrijwel geen scheiding tussen de economische en sociale aspecten van het leven. Ambachtslieden en winkeliers (het grootste deel van de stedelijke beroepsbevolking) konden alleen het hoofd boven water houden als zij een goede reputatie hadden binnen de gemeenschap en klanten aan zich wisten te binden. Wie tijdelijk krap bij kas zat, en dat overkwam bijna iedereen wel eens, kon alleen op uitstel van betaling rekenen wanneer hij of zij bekend stond als een betrouwbaar en integer persoon.

Het stadhuis in Delft in de 18de eeuw. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam)
 

De sociale en financiële impact van de politieke verdeeldheid eind 18de eeuw zal dus aanzienlijk geweest zijn, maar dat is tot nu toe nauwelijks onderzocht. Toch zijn er heel mooie bronnen voor: : na 1795, gedurende de eerste jaren van de nieuwe Bataafse Republiek, richtten patriotse burgers in heel de provincie Holland zich met verzoekschriften aan hun stadsbestuur met het verzoek om een baantje. De aanleiding hiervoor was het ontslag van honderden oranjegezinde burgers die eenvoudige stedelijke functies hadden vervuld, zoals lantaarnaanstekers, dooddragers en poortwachters. Duizenden mensen probeerden met hun verzoekschrift zo’n vrijgekomen baantje te bemachtigen; in Delft zijn meer dan 500 van deze brieven bewaard gebleven. Het zijn heel persoonlijke documenten, waarin de verzoekers uitgebreid uit de doeken doen wat hun was overkomen tijdens de omwenteling van 1787 en de oranjerestauratie.

De verzoekschriften geven een uniek inkijkje in de manier waarop de politieke verdeeldheid het dagelijks leven van mensen tekende. In het volgende nummer licht Nelleke Tanis een paar van deze verzoekschriften uit. Zo ontmoeten we slager Arij Duijvesteijn uit Delft die zijn belangrijkste klanten kwijtraakt nadat hij zich bij de patriotten aansluit. En we komen meer te weten over schoenmaker Pieter van Beek, die zijn huis niet uit durft te komen en noodgedwongen verhuist uit angst voor het 'oranje gemeen'. Abonnees ontvangen dit nummer omstreeks 9 juli. Dit nummer niet missen maar nog geen abonnee? Meld je aan vóór donderdag 25 juni, dan krijg ook jij dit nummer thuisgestuurd.

Delen: