Het leven van een dief in de middeleeuwen: kwetsbaar maar vindingrijk
Hoe leefde iemand in de laatmiddeleeuwse Nederlanden die geen vaste verblijfplaats had? Er waren heel wat mensen die zonder zekerheid over werk, onderdak of voedsel van plaats naar plaats trokken. Toch kunnen we verrassend veel over hen te weten komen, laat Janna Coomans zien.
Diefstal was zeldzaam, maar áls het gebeurde, raakte het de kern van het gemeenschapsleven: vertrouwen. Een bankrekening bestond nog niet, dus baar geld, voorwerpen en vee waren voor het overgrote deel van de mensen hun belangrijkste bezit. De band met bezittingen - zelfgemaakte kleding, een met zorg versierd mes, een sterke os - was dan ook sterk. Wie bestolen was, wilde daarom ook koste wat kost dat de dader gevonden werd en het ontvreemde eigendom terugkwam. En om dezelfde reden waren de straffen zwaar.
Er zijn relatief veel documenten overgeleverd rondom de vervolging van dieven - merendeels mannen. Deze verhoren, getuigenverklaringen, bekentenissen en vonnissen bieden zeldzame inkijkjes in het dagelijks leven aan de onderkant van de samenleving. Ze tonen soms de kwetsbaarheid van mensen die moesten improviseren om te overleven en noodgedwongen een mobiel bestaan leidden als scharrelaar en dief. Op zoek naar seizoensarbeid, gunstige omstandigheden of simpelweg de volgende maaltijd moesten ze van de ene naar de andere boerderij of stad trekken. Doordat ze geen banden met een specifieke plaats hadden, lieten ze nauwelijks sporen na in de geschreven bronnen.
Gefragmenteerd landschap
Maar helemaal onzichtbaar zijn ze voor historici dus niet. Deels heeft dat te maken met achterdocht jegens arme mensen van elders. Die nam toe in de 15de en 16de eeuw, mede door politieke ontwikkelingen. De Bourgondische en later Habsburgse vorsten breidden centrale bestuursstructuren in de meer verstedelijkte gebieden Holland, Zeeland, Vlaanderen en Brabant uit, maar het huidige Gelderland, Overijssel en Drenthe bleven politiek sterk verdeeld. Hier speelden zich nog veel langer lokale conflicten en oorlogen af. Voor sommigen betekende dit kansen; jonge mannen konden bijvoorbeeld huurling worden. Maar voor velen betekende het een verscherping van de onzekerheid. Hoe dan ook bleef in heel de Nederlanden het politieke en juridische landschap zeer gefragmenteerd. Graafschappen en hertogdommen hanteerden hun eigen regels en rechtspraak, en dat gold ook voor de steden, dorpsgemeenschappen en de plaatselijke adel daarbinnen. De eenheid en veiligheid binnen de eigen gemeenschap stond voorop.
Met argwaan
Mensen zonder duidelijk beroep van buiten het eigen gebied werden met argwaan bekeken. Wie rondtrok gold al snel als ‘vreemdeling’, als potentiële oplichter of dief. Ze werden sinds de late 15de eeuw steeds vaker gewantrouwd en gecategoriseerd als vagebonden of landlopers, en de steeds striktere maatregelen tegen mogelijke overlast van deze ‘verdachte’ groepen is goed gedocumenteerd. Daar valt al wel iets aan kennis over de thuisloze werkzoekenden uit te destilleren, maar hun dagelijkse leefomstandigheden zijn veel moeilijker te achterhalen. Behalve dan als ze wegens diefstal door een schout waren gearresteerd of in een stedelijke rechtbank moesten en uit de juridische papieren duidelijk wordt wat er precies gebeurd was, en waarom. Rovers die geweld gebruikten, zijn hier buiten beschouwing gelaten.
Van een tabberd tot rogge
Meer dan een derde van de gedocumenteerde diefstallen betrof kleding en stoffen. Dat hoeft niet te verbazen. Kleding was bijzonder kostbaar; een simpele winterjas kostte omgerekend rond de duizend euro, en ook een jurk of zelfs bedlinnen of een tafelkleed was vele honderden euro’s waard, en dan hebben we het nog niet eens over de met parels en gouddraad versierde gewaden van de elites.
Zo had een dief met de bijnaam Regelkost gearresteerd in Deventer in 1470 toegeslagen in het veenland bij Utrecht. Uit boerderijen, huizen, een gasthuis en een klooster pikte hij onder andere dertig el linnen doek (dat moet een enorm pakket zijn geweest), een vrouwentabberd en hemden. Ook gapte hij kleding van huisgenoten: hij verduisterde een zwarte mantel maar ook een ‘paar gevoerde schoenen’ van een schoenmaker bij wie hij een tijdje inwoonde.
Verder waren munten populair. Geldbuidels werden van gordels gesneden. Verschillende dieven leegden de offerblokken voor de liefdadigheid die bij kapellen langs de weg stonden. Uit kerken werden parels en doeken ontvreemd waarmee Mariabeelden waren versierd. Veedieven voerden koeien, paarden en varkens mee. Zilveren bestek verdween. Voedsel werd gepikt. Zo stal Evert Aelbertsz van Baeck (opgehangen aan de galg van Deventer in 1502) met zijn maat boekweit, zaden en rogge, die ze vervolgens weer verpatsten.
De zeldzame sporen in de bronnen laten zien hoe kwetsbaar het leven was in de laatmiddeleeuwse samenleving. In nummer 6 van Geschiedenis Magazine vertelt Coomans meer over het dagelijks leven van rondtrekkende mensen. Abonnees ontvangen dit nummer omstreeks 28 augustus. Of haal het nummer na de verschijningsdatum in de boekhandel bij jou in de buurt of in onze online webwinkel.
Delen: