Het imperium van de Amerikaanse roofridders in de 19de eeuw
Ondernemers waren in de 19de eeuw de aanjagers van de Amerikaanse economie. Een klein aantal werd puissant rijk en kreeg ongekende macht en invloed. Tegelijkertijd veroorzaakten ze grote maatschappelijke misstanden, maar het imperium van deze ‘Robber Barons’ begon eind 19de eeuw te wankelen, laat Ruud Stevens zien.
Het grondgebied van de Verenigde Staten was kort na de Onafhankelijkheidsoorlog (1776-1783) nog beperkt tot een lange strook land aan de Atlantische Oceaan. Maar dat zou niet lang zo blijven: halverwege de 19de eeuw reikten de VS tot de Stille Oceaan aan de andere kant van het continent. In rap tempo werden talloze spoorlijnen en kanalen gelegd om al deze nieuwe gebieden te ontsluiten. In 1869 kwam de eerste transcontinentale spoorverbinding tot stand, tussen 1871 en 1900 verviervoudigde het aantal spoormijlen tot ruim 270.00 duizend kilometer. Een razendsnelle industrialisatie was mogelijk door de overvloed aan natuurlijke grondstoffen en de constante toevoer van goedkope arbeidskrachten: miljoenen immigranten uit Europa en China kwamen hun geluk beproeven. Kleine plaatsjes, dorpen eigenlijk, groeiden binnen korte tijd uit tot grote steden. In Chicago bijvoorbeeld woonden in 1830 krap honderd mensen, in 1890 waren het er meer dan één miljoen.
Fortuinen
De productie in fabrieken nam snel toe en zo werden de VS in de tweede helft van de 19de eeuw de grootste economie ter wereld. Dit was mogelijk gemaakt door investeringen van ambitieuze ondernemers in voor de industrialisatie belangrijke sectoren als spoorwegen, olie, katoen, staal, banken...
De ondernemers verdienden er fortuinen mee en velen etaleerden deze nieuwe rijkdom zonder enige gêne. Ze bouwden grote stadsvilla’s en luxueuze buitenhuizen en voor de laatste mode winkelden ze geregeld in Parijs. Ook hielden ze extravagante danspartijen. Bradley Martin en zijn vrouw Cornelia bijvoorbeeld, uit een geslacht van kooplieden en bankiers, organiseerden in 1897 een bal waarvoor het interieur van het Waldorf-Astoria Hotel werd omgetoverd tot een replica van het paleis van Versailles.
Anderen betaalden de prijs voor deze buitensporige weelde. Werknemers maakten lange dagen onder gevaarlijke omstandigheden en kregen weinig betaald. Ondertussen stegen de prijzen razendsnel omdat ondernemers hun concurrentie de nek omdraaiden en vervolgens konden vragen wat ze wilden. Olietycoon John. D. Rockefeller maakte bijvoorbeeld afspraken met een aantal spoorwegmagnaten, met als resultaat dat zijn concurrenten veel hogere prijzen voor het vervoer van olie moesten betalen. Die hadden uiteindelijk vaak geen andere keus dan zich door Rockefeller te laten overnemen. Op die manier verkreeg hij een monopolie: zijn Standard Oil had in 1879 bijna 90 procent van de Amerikaanse markt in handen.
Dat het bij alle voorspoed voor sommige ondernemers en investeerders, voor vele anderen allesbehalve een gouden eeuw was, bleef niet onopgemerkt. Schrijvers en journalisten haalden de hebzuchtige, egoïstische ondernemers steeds vaker over de hekel als misdadigers die zich verrijkten ten koste van anderen. De naam voor dit tijdperk ontleenden historici aan het boek The Gilded Age. A Tale of Today (1873) van Mark Twain en co-auteur Charles Dudley Warner. Gilded betekent verguld: de rijkdom van de Robber Barons verhulde als een laagje bladgoud de corruptie waarmee hun fortuin vergaard was. Hun aanval inspireerde weer andere romanschrijvers. Amerikaanse kranten gebruikten daarnaast steeds vaker de kwalificatie Robber Barons voor de grote ondernemers, fabrikanten en bankiers. De benaming gaat terug op de middeleeuwse Duitse Raubritter (roofridders), die reizigers hoge en zelfs illegale tol lieten betalen op de Rijn en de wegen die hun land doorkruisten.
De Commodore slaat toe
Cornelius Vanderbilt had in 1859 de twijfelachtige eer om als eerste zo te worden bestempeld, in een artikel in de New York Times. ‘Roofridder Vanderbilt’ begon als zestienjarige in 1810 met een pontje tussen Staten Island en Manhattan. Twintig jaar later was hij al aardig op weg zijn eigen scheepvaartimperium te bouwen, wat hem de officieuze titel “Commodore” opleverde, de hoogste rang binnen de Amerikaanse marine. Die ‘titel’ beklijfde. Net als Rockefeller drukte Vanderbilt zijn concurrenten uit de markt, maar dan door veel lagere prijzen te hanteren voor het vervoer van goederen en personen dan zijn concurrenten. Veel van zijn rivalen moesten als gevolg daarvan de handdoek in de ring gooien.
Halverwege de 19de eeuw richtte de Commodore zijn pijlen op de spoorwegen. Vanderbilt nam bestaande lijnen over en deinsde ook nu niet terug voor spierballenvertoon. Zo liet hij in 1867 zijn oog vallen op de New York Central Railroad. Dit was een cruciale verkeersader tussen de plaats Buffalo, de poort naar het Middenwesten, en Albany, de hoofdstad van de staat New York aan de rivier de Hudson. De ‘Central’ had bovendien aansluiting op Vanderbilts eigen Hudson River Railroad tussen Albany en New York City die parallel aan de rivier liep.
Vanderbilt greep zijn kans toen de Hudson bevroor in de winter van 1867, en het vervoer van goederen en personen erover onmogelijk werd. Nu was Vanderbilts spoorlijn de enige optie om snel tussen Albany en New York te reizen, ook voor de klanten van de Central op weg naar of komend vanuit Buffalo. Maar Vanderbilt hield zijn treindeuren gesloten voor vracht en passagiers van de Central. Die oost-westverbinding werd nu waardeloos, en de Central kon niet anders dan zich laten overnemen. Zulke vijandelijke overnames maakten Vanderbilt uiteindelijk schatrijk. Bij zijn overlijden in 1877 liet hij een vermogen van 100 miljoen dollar na, ongeveer 2,7 miljard euro in onze tijd.
De explosieve groei van het Amerikaanse spoorwegnetwerk bood nog veel meer ondernemers grote kansen; vaak ging dat gepaard met corruptie. Het beruchtste voorbeeld is de Union Pacific Railroad, die onder een andere naam een eigen bouwbedrijf optuigde om een deel van het traject van de First Transcontinental Railroad tussen Utah en Iowa aan te leggen. Het was voor de buitenwereld niet duidelijk dat de eigenaren van het spoorbedrijf ook de baas waren van het bouwbedrijf. Dat besteedde de werkzaamheden weer uit en diende vervolgens rekeningen in bij Union Pacific Railroad voor bijna het dubbele van de werkelijke kosten. Het spoorbedrijf betaalde dat met leningen van de overheid en geld van investeerders. Het verschil verdween in de zakken van de eigenaren. Om onderzoek naar het bedrijf te voorkomen, politieke beslissingen te beïnvloeden en de financiële voordelen te krijgen die Washington toekende aan bouwers van spoorwegen, kochten de eigenaren invloedrijke Congresleden om.
Vakbond vs. Carnegie
De Robber Barons behaalden ook grote winsten door vakbondsactiviteit in hun fabrieken te voorkomen zodat ze werknemers konden uitbuiten en afdanken als ze niet meer nodig waren. Andrew Carnegie bijvoorbeeld volgde deze strategie. Hij was op zijn twaalfde met zijn ouders uit Schotland naar de VS gekomen, was begonnen als arbeider in een katoenspinnerij en had zich opgewerkt tot hoofdinspecteur van een spoorwegmaatschappij. Hij investeerde in spoorwegen en vooral in toeleveranciers zoals producenten van locomotieven en bruggen. Gezien de grote vraag naar staal in deze branche ging hij zich daarop toeleggen, en met succes: eind 19de eeuw domineerde de Carnegie Steel Company de staalindustrie.
Mede door technische innovaties nam de productiviteit in zijn fabrieken toe met 800 procent, maar dat gebeurde ook doordat bijna vakbondsactiviteit er de nek om was gedraaid: vakbondsleden werden ontslagen en vervangen door andere arbeiders. In 1892 dreigde hetzelfde te gebeuren in Carnegies fabrieken in Homestead (Pennsylvania), die hij enige jaren tevoren had overgenomen. Hier werkten leden van de Amalgamated Association of Iron and Steel Workers. De vakbond en zijn leden pikten het niet dat Carnegie uit kostenoverwegingen de lonen wilde verlagen en riepen een staking uit die door zowel leden als niet-leden werd gesteund. Carnegie gaf daarop de manager van de fabriek de vrije hand in het oplossen van de crisis. Die zette grof geschut in: hij ontzegde ook hier de stakers toegang tot de fabriek, huurde (bewapende) particuliere beveiligers in, nam stakingsbrekers aan en verlaagde meteen ook de lonen met 25 procent.
Duizenden stakers en hun familie bestormden en bezetten daarop de fabriek, waarbij zeven arbeiders omkwamen en ook enkele beveiligers. Op verzoek van de manager greep uiteindelijk de staatsmilitie van Pennsylvania in. Vakbondsleiders belandden in de gevangenis en de vastberadenheid van de stakers maakte plaats voor zorgen om het bestaan: velen wilden toen her erop aankwam toch graag hun baan terug en stemden in met werkdagen van 12 uur én het lagere loon.
Bijna 10 procent voor de People’s Party
De staking in Homestead werd neergeslagen maar was toch een teken aan de wand. Werknemers gingen zich - net zoals in andere westerse landen - steeds beter organiseren en eisten vaker betere betaling en arbeidsomstandigheden. De Amerikaanse Federatie van Arbeid (AFL), een in 1886 gestichte overkoepelende organisatie, speelde een centrale rol bij de oprichting van vakbonden, hun financiering en de organisatie van stakingen en boycots. Ook boeren lieten steeds vaker van zich horen. Door de trek naar het Westen was er steeds meer landbouwgrond beschikbaar gekomen en nam het aantal boeren toe. Dit had overproductie en dalende prijzen voor landbouwproducten tot gevolg. De boeren werden ook nog eens uitgeknepen door onbetrouwbare tussenhandelaren en spoorwegbedrijven, waarvan ze afhankelijk waren voor het vervoer van hun gewassen. Banken weigerden krediet te verstrekken voor broodnodige investeringen. Het plattelandsleven was hardvochtig en vol armoede en ontberingen.
Ook de boeren trokken daarom steeds meer gezamenlijk op. In de Granger Movement bijvoorbeeld, die inzette op begrenzing van spoortarieven, en in de Greenback Labor Party die ijverde voor uitbreiding van de geldhoeveelheid - dan zouden de opbrengsten van boeren toenemen omdat dan de inflatie stijgt. In 1892 ging deze partij op in de People’s Party, die zelfs meedeed met de presidentsverkiezingen en bijna 10 procent van de popular vote behaalde: veel mensen waren het er mee eens dat de rijke industriëlen te veel macht hadden en dat dit ten koste ging van de kleine bedrijven, boeren en arbeiders.
President Roosevelt
De protesten en pogingen om politiek een vuist te maken, hadden echter niet het gewenste effect en echte verandering liet nog op zich wachten - totdat grote economische tegenspoed de zaken op scherp stelde. Financiële crises en perioden van groei hadden elkaar gedurende de Gilded Age voortdurend afgewisseld, maar in 1893 brak een jarenlange depressie uit. Een faillissement van een spoorwegmaatschappij veroorzaakte een dominoreactie, waardoor veel andere bedrijven, banken en beurzen ook ten onder gingen. Miljoenen raakten hun inkomen kwijt, velen ook hun onderdak.
Veel Amerikanen hadden genoeg van de corruptie, monopolies en sociale misstanden. Journalisten, schrijvers en fotografen speelden hierbij een belangrijke rol omdat zij de corruptie en maatschappelijk wantoestanden in zorgvuldige rapportages aan het licht brachten. President Theodore Roosevelt (1901-1909) omarmde uiteindelijk de progressieve beweging die met dit groeiend georganiseerd verzet was ontstaan. Hij nam het initiatief tot wetten die de vrijheid van Robber Barons aan banden legden en een einde maakten aan de hardvochtige laissez faire-economie.
Dit artikel verscheen in april 2024 (nr. 3) in Geschiedenis Magazine onder de titel: 'Amerikaanse Roofridders'.
Verder lezen
De enorme macht van het grote kapitaal bracht ook de Amerikaanse boeren in het nauw. Ze werden afhankelijk van grote banken, onbetrouwbare spoorwegbedrijven en tussenhandelaren. Eduard van de Bilt vertelde eerder in Geschiedenis Magazine hoe deze 19de-eeuwse boeren zich verenigden in de Granger Movement om hun eigen positie te verbeteren en de macht van de monopolisten te breken. Je leest er meer over op onze website: Boerenverzet in 19de-eeuws Amerika.
Delen: