Heeft Bonifatius werkelijk de heilige eik van Donar omgehakt?
Missionaris Bonifatius kapt in 723 een heilige eik die door de Saksen was gewijd aan hun dondergod Donar. Nu geloven deze ‘heidenen’ pas dat zijn christelijke god sterker is dan hun goden. We kennen dit verhaal uit de biografie van Bonifatius die priester Willibald van Mainz een paar jaar later schreef. Maar valt deze tekst te vertrouwen?
Hij is er weer, die vreemde man met zijn rare accent. Beschermd door gewapende gezellen trekt hij al maanden door Saksenland. Overal vertelt hij over zijn god die aan een kruis was gestorven maar toch drie dagen later uit de dood kon opstaan. Alsof wij daar intrappen. Af en toe verricht de man wonderen maar wat betekenen ze? Onze wijze heren kennen ook kunstjes. Goocheltrucs noemen we ze weleens. Al zijn de wonderen van de man heel knap. Toegegeven.
Wat zie ik nu? De man grijpt een bijl en loopt naar de heilige eik die Donar zelf heeft geplant. Hij zal toch niet… Jawel, hij durft het. Hij hakt in de boom, straks stort de hemel in! De eik valt neer, iedereen huilt en roept. Wie weet welke rampspoed over ons zal komen. De goden zullen zich tegen ons keren omdat we dit niet hebben verhinderd. Maar er gebeurt helemaal niets. De bliksem van Donar blijft uit. De man legt zijn bijl neer en gaat op de gevallen boom zitten. Uit zijn mantel diept hij een boek op en begint voor te lezen. Zou zijn god dan toch de sterkste zijn? Zo ongeveer had een ooggetuige het kunnen vertellen.
Vita van Bonifatius
Het is het standaardverhaal over de heilige Bonifatius: in 723 heeft hij in of rond het huidige Geismar, twintig kilometer van Kassel in Midden- Duitsland, een heilige eik gekapt die door de heidenen was gewijd aan hun dondergod Donar. Het betekende een doorbraak in zijn missiewerk bij de Saksen. Zo staat het beschreven in de Vita van Bonifatius die vermoedelijk dertien jaar na zijn overlijden, in 754 of 755, door priester Willibald van Mainz werd geschreven. Maar valt deze biografie te vertrouwen?
De oversteek
Er wordt verteld dat Bonifatius als Wynfreth (Winfried) tussen 672 en 675 werd geboren in de buurt van Exeter in Zuid-Engeland. Hij was een oblaat: een jongetje dat in een klooster werd opgenomen en opgevoed opdat het later monnik zou worden. In de vroege middeleeuwen kwam dit vaker voor, vooral bij de benedictijnen. En ook Wynfreth werd uiteindelijk een benedictijnermonnik. Met zijn intelligentie was hij voorbestemd om abt te worden maar zelf had hij andere plannen. Wynfreth wilde missionaris worden en stak in 716 de Noordzee over, richting Friesland, dat toen de gebieden aan de Noordzeekust van het huidige Zeeland tot in Noord-Duitsland besloeg. Dat was niet dom bekeken: een van de stelregels voor een missionaris was dat hij de taal van zijn publiek moest beheersen. Het Saksisch dat na de oversteek van Germaanse stammen sinds de 5de eeuw in Engeland werd gesproken, leek nog sterk op het Saksisch van Friesland. Wynfreth kon zich in elk geval verstaanbaar maken.
Twee godsdiensten
Een andere stelregel luidde dat missionarissen contact dienden te leggen met plaatselijke leiders, als het kon met de koning zelf. Slaagden ze erin die te bekeren, dan volgde het volk vanzelf, zo werd geredeneerd. De eisen die aan nieuwe christenen werden gesteld, waren immers niet bijster hoog. Als iemand zich liet dopen en het Onze Vader kon opzeggen, kwam die al een heel eind. Op het verdere (religieuze) doen en laten van een bekeerling had de missionaris ook geen zicht. Menige gelovige hield er een dubbele religie op na, met een christelijke vernisje over oeroude gewoontes en overtuigingen. Bidden tot de god van het christendom én tot de goden van de Germanen was aanvankelijk nog heel gewoon.
Wynfreth kon opkrassen
Binnen het vroegere Romeinse Rijk pakte de tactiek om de machthebbers te benaderen redelijk goed uit. Hier zochten koningen en vorsten om politieke redenen zelf aansluiting bij de tradities van Rome. Het christendom had sinds de 4de eeuw voet aan de grond gekregen in het Romeinse keizerrijk en kon er tegen het eind van die eeuw tot de enige staatsgodsdienst uitgroeien. Maar Friesland en het naburige Saksen waren nooit door de Romeinen overheerst en er bestond meer verzet tegen de christelijke traditie, zoals Wynfreth al snel ondervond. Met steun van de christelijke Frankisch-Merovingische koningen en hofmeiers (een soort eerste ministers) dacht hij de Friezen te kunnen inpakken.
Maar binnen het Frankische gebied brak vanaf 714 een machtsstrijd uit, waarvan de Friese koning Radbod gebruikmaakte om de Franken uit zijn land te verjagen. Ook Wynfreth kon opkrassen. Hij gaf echter niet op. Hij reisde naar Rome, waar hij op 15 mei 718 benoemd werd tot ‘missionaris der Germanen’ door de invloedrijke bisschop van Rome. Tevens gaf die hem de nieuwe naam Bonifatius, wat ‘een goede toekomst voorspellend’ of ‘de weldoener’ betekent. Een jaar later overleed Radbod en wist hofmeier Karel Martel de Friezen politiek weer in het gareel te krijgen.
Bisschopsmissioanris
Bonifatius, die in reeds gekerstend gebied was gebleven, zag het met graagte gebeuren. Opnieuw reisde hij naar Rome, waar hij tot bisschopmissionaris van de Germaanse gebieden werd bevorderd. Vervolgens trok hij weer door het huidige Noord-Duitsland en knoopte er banden aan met de plaatselijke leiders. De ruggensteun van Karel Martel hielp om hen op christelijke gedachten te brengen.
Ongegeneerd
De gewone bevolking liet zich echter nog niet bekeren. Waarom zou men? De goden hadden eeuwenlang hun dienst en kracht bewezen. Vader, moeder en voorouders hadden tot ieders tevredenheid de oude goden vereerd. Waarom zou men dat ineens veranderen, alleen maar omdat er met toestemming van de koning iemand kwam preken? Bonifatius begreep dat krachtiger methoden nodig waren. Hij moest bewijzen dat zijn god machtiger was dan al de andere.
Bij Geismar stond een oeroude grote eik waar de dondergod Donar werd vereerd. Het aanbidden of eren van bomen was bij de Germanen een eeuwenoud gebruik, waardoor de symbolische waarde van de eik niet kon worden overschat. Beschermd door zijn gezellen hakte Bonifatius de boom om, waarna de toorn van de dondergod uitbleef. Ongegeneerd liet de missionaris stukken hout uit de stam kappen om te gebruiken voor minikapellen en in kerken.
Verzet bleef
Volgens de overlevering slaagde Bonifatius erin om Germanië te kerstenen, maar in werkelijkheid zat het anders. Lang niet iedereen voelde zich werkelijk een christen en sommigen bleven zich verzetten. In 754 werd Bonifatius tijdens zijn laatste bekeringsoperatie met 52 gezellen gedood bij de Boorne, een rivier 25 kilometer ten zuidwesten van Dokkum. Dit relaas is grotendeels op de Vita van Bonifatius gebaseerd. En daarin schuilt een probleem. Vitae waren niet bedoeld als een journalistiek of wetenschappelijk verantwoord feitenrelaas, maar als een bekeringsdocument. Als een bewijs van de kracht van de Ware God en als een aansporing voor de lezer om ook vroom te leven. In zulke teksten treffen we vaak clichémotieven aan die verzonnen zijn en doorgaans tot een lange traditie behoren. Een topos noemen we zoiets, een stijlfiguur waarbij een vast motief of een vaste locatie worden gebruikt.
Zo zien we in menige biografie een missionaris een heidens heiligdom verwoesten. Willibrordus (ca. 658-739) bijvoorbeeld deed dit naar verluidt op Walcheren. Vervolgens onteerde hij in Helgoland ook nog een heilige bron gewijd aan de Germaanse god Fosite. Willibrordus doopte zijn bekeerlingen brutaalweg in het water. Mirakels hoorden eveneens bij het vaste repertoire in Vitae. In een uitgedroogd gebied een bron laten ontspringen was bijna dagelijkse kost. Het vellen van een heidense boom was een volgende topos. Zo hakte Gregorius van Tours (ca. 538-ca. 594) tijdens zijn missieactiviteiten een heilige den om.
Houtsnijwerk
Het verhaal dat uit het hout van de eik minikapellen werden gesneden, vormt al evenzeer een topos. Het moest de kracht van de christenen en de zwakte van de heidenen nogmaals beklemtonen. Het is nooit bewezen dat er inderdaad een heilige eik is omgehakt en evenmin dat die in de vorm van houtsnijwerk voortleefde. Maar zelfs als er stukken hout of grote takken in omloop zouden zijn geraakt, dan zou dit voor hetzelfde geld op het conto van de plaatselijke bevolking geschreven kunnen worden. Wie zegt dat zij geen takken hebben afgebroken om thuis te aanbidden.
Christenen vereerden vermeende houtsplinters van het kruis van Jezus; de heidenen van Saksen kunnen best iets dergelijks hebben gedaan. Dat weten we echter allemaal niet en dat zullen we nooit weten. Dat een dergelijke daad ook aan Bonifatius wordt toegeschreven, hoeft geen verbazing te wekken. Maar of dit daarom echt is gebeurd? Wie zal het zeggen?
We bezitten maar één bron: de Vita door Willibald. En een oud tekstkritisch principe zegt: één bron is geen bron. Op basis daarvan kun je geen historische uitspraken doen, zeker niet als de bron niet eens objectief was bedoeld. Hoe Europa in de loop van enkele eeuwen christelijk werd, blijft deels nog altijd in de nevelen van de geschiedenis gehuld. Er is echter niets op tegen om het kappen van de Donarboom, 1300 jaar geleden, te gedenken. Al was het maar om in Geismar het toerisme te bevorderen. Maar de nodige twijfel blijven koesteren verdient aanbeveling.
Dit artikel verscheen in 2023, nummer 1, in Geschiedenis Magazine onder de titel: '723: Bonifatius hakt de heilige eik van Donar om zonder mededogen'.
Delen: