Franco, Mussolini, Ford en Lindbergh: wie kregen er allemaal een lintje van Hitler?
De oude Europese vorstenhuizen kennen een rijke traditie van het decoreren van steunpilaren: zowel eigen onderdanen als buitenlanders kregen een lintje als eerbetoon en als beloning voor verdiensten of loyaliteit. In het Duitse keizerrijk was dat ook de gewoonte geweest, maar na de ineenstorting van het oude bestel in 1918 had de regering van de wankele Weimarrepubliek belangrijker zaken aan het hoofd. De nazi’s wilden dat na 1937 een stuk grootser aanpakken.
Buitenlanders die zich ‘um das Deutsche Reich verdient gemacht haben’, zo stelde het Reichsgesetzblatt in mei 1937, konden voortaan de Verdienstorden vom Deutschen Adler ontvangen. Dat was een glimmend kruis van Malta omkranst door 4 adelaars met in de klauwen een ronde lauwerkrans met hakenkruis; het geheel hing aan een rood lintje met wit-zwarte biezen. Zoals gebruikelijk waren er gradaties: het Groβkreuz gevolgd door een Verdienstkreuz mét Ster en zonder in de Klasse I, II of III en daarnaast nog de Deutsche Verdienstmedaille.
De minister van Buitenlandse Zaken legde kandidaten voor aan de Führer, en die besliste. De toekenning werd breed uitgevent in de pers om te onderstrepen dat de sympathie voor het Derde Rijk wereldwijd groeide. Het naziregime zat na een roerige start in 1933 inmiddels stevig in het zadel, en ging op zoek naar nuttige geestverwanten. Zoals ook bijvoorbeeld de Sovjet-Unie en China ‘fellow travelers’ hadden, buitenlandse ‘medereizigers in het grote politieke avontuur.’
Mussolini, Franco, Ford…
Al snel bleek het kaliber van Hitlers belangrijke politieke vrienden over de grens: hij decoreerde als een van de eersten zijn fascistische strijdmakker Mussolini. Die ontving in september 1937 een extra mooi uitgevoerde gouden Adelaar, mét briljanten. Generaal Franco uit Spanje kreeg er een, en later volgden de collega-dictators van Roemenië en Hongarije.
Dat maakte kennelijk voor veel mensen niet uit. Wie wilde er nu niet worden onderscheiden door de leider van een aanstormende wereldmacht? IBM-baas Tom Watson Sr. wilde dat na de Duitse aanval op West-Europa voorjaar 1940 bij nader inzien toch liever niet. Hij had in 1937 een lintje ontvangen als voorzitter van de International Chamber of Commerce, maar stuurde het woedend per post naar Berlijn terug. Voelde hij zich wellicht ook wat ongemakkelijk omdat de Duitse IBM-dochter Dehomag in de jaren ’30 ponskaartsystemen ontwikkelde voor de administratie van het nazivervolgingsapparaat?
Landgenoten van Watson accepteerden én hielden de onderscheiding zonder scrupules. Topman Henry Ford van de Ford Motor Company kreeg een Adler op zijn 75ste verjaardag, 30 juli 1938: Hitler had al in Mein Kampf (1925) bewondering geuit voor Fords pionierswerk voor de lopende-bandproductie van auto’s voor het gewone volk - daar borduurden de fabrikanten in Hitlers rijk nu dankbaar op voort. Concurrent General Motors leverde overigens onderdelen voor de legendarische Opel Blitz. Het hielp dat Ford stevig antisemitische meningen had geventileerd, waarvan hij nadien overigens afstand nam.
Een andere Amerikaan met antisemitische neigingen was piloot Charles Lindbergh (zie kader), die een tijdlang in Berlijn bivakkeerde in de jaren ’30 en door de autoriteiten op handen werd gedragen. Geen wonder: hij was wereldberoemd wegens zijn solovlucht over de Atlantische Oceaan in 1927, een primeur, en stak zijn bewondering voor het nazibewind niet onder stoelen of banken. Volgens hem was alleen Hitler in staat het rode gevaar te keren. Redenen te over voor luchtvaartminister Hermann Göring om hem in oktober 1938 te decoreren, tijdens een visite aan de Junkers-fabriek in Dessau.
Havenbaronnen
Ook honderden Nederlanders ontvingen een nazi-lintje - bewust niet de voor de hand liggende bruine geestverwanten van de NSB et cetera, maar doorgaans mensen die op een terrein werkten waarmee Hitler en consorten graag de banden aanhaalden. Daarvan waren er verschillende. Het Rotterdamse bedrijfsleven stond hoog op de lijst. De economische betrekkingen met Nederland waren voor de oorlog cruciaal voor het opstomende Derde Rijk dat afkoerste op volledige herbewapening. Rotterdam fungeerde in feite als de zeehaven van het Ruhrgebied, het industriële hart van Duitsland. De Rotterdamse ondernemers op hun beurt zagen kansen in de handel met het buurland. Een delegatie uit de Maasstad kwam op uitnodiging naar de grote handelsbeurs Kölner Messe van 1938. De voorzitter van de Rotterdamse Kamer van Koophandel, havenbaron Willem Engelbracht, werd er gedecoreerd en burgemeester Pieter Drooglever Fortuyn kreeg er van zijn Keulse collega de Adelaar opgespeld. De liberaal in hart en nieren zei bij die gelegenheid dat ook Nederland flink profiteerde van de Duitse economische opleving. Van dit lintje heeft Berlijn overigens weinig rendement gehad, want een half jaar later stierf Drooglever Fortuyn vrij plotseling.
Een jaar eerder had topindustrieel Frits Fentener van Vlissingen de Adler mit Stern ontvangen uit handen van Reichsbank-president Hjalmar Schacht - ook tijdens een internationaal handelscongres. Fentener van Vlissingen was als voorzitter van de Nederlandsch-Duitsche Kamer van Koophandel een spilfiguur in de handelsbetrekkingen met Duitsland. Hij had niet veel op met de nazi-ideologie en hield zich afzijdig, maar hij bewonderde wel de Duitse economische opleving en zag het belang daarvan voor Nederland en zijn eigen bedrijven. Fentener van Vlissingen was medeoprichter van AKU (het latere AKZO) en leidde SHV (Steenkolen-Handelsvereeniging), een bedrijf met een sterke positie in het Ruhrgebied. Verder was hij als commissaris van KLM, Fokker en Hoogovens een uiterst gewichtige bondgenoot voor Berlijn.
Luchtvaartpionier Charles Lindbergh vloog in mei 1927 als eerste non-stop en solo over de Atlantische Oceaan, van New York naar Parijs. Dat maakte hem wereldberoemd. Hij werkte als technisch adviseur en testpiloot bij verschillende luchtvaartmaatschappijen maar ontvluchtte in 1935 met zijn gezin de VS na de moord op zijn oudste zoon, de dreigbrieven tegen het tweede kind en de enorme publiciteit rondom de rechtszaak. Ze streken neer in nazi-Duitsland, waar Lindbergh de opbouw van de Luftwaffe van dichtbij kon bekijken en de Amerikaanse ambassade mèt hem.
In 1940 keerde Lindbergh vanwege de oorlog terug naar de VS, waar hij zich als woordvoerder van het America First Committee publiekelijk keerde tegen oorlogsdeelname van de VS, waar volgens hem vooral Joden voor pleitten. Meedoen met de oorlog zou door het vergieten van ‘blank bloed’ leiden tot ‘raciale zelfmoord’ en het Derde Rijk juist verhinderen om de communisten en de Aziatische ‘horden’ te verslaan. Toen de VS toch in de strijdarena traden, draaide hij bij en voerde als gevechtspiloot in 1944 vijftig missies uit boven Nieuw-Guinea.
Na de oorlog bracht hij een bezoek aan de Duitse V-1 fabrieken waar de dwangarbeiders in verschrikkelijke kampen leefden. Toen was het definitief gedaan met zijn bewondering voor Hitler. Maar Duitse vrouwen bleef de viriele piloot volop bewonderen: in de jaren ’50 leidde hij als getrouwde man een turbulent dubbelleven met drie Duitse vrouwen en verwekte hij maar liefst zeven buitenechtelijke kinderen. Zie ook: Rudolf Schröck, Das Doppelleben des Charles A. Lindbergh (2006).
Neutraal, totdat…
Onpartijdige politici, bestuurders, ambtenaren en diplomaten waren ook een geliefd doelwit van de nazilintjesregen. Berlijn streefde naar kalme betrekkingen met Nederland: klein, ja, maar een belangrijke handelspartner. Dat buurlandje hield zich angstvallig rustig en strikt neutraal, zelfs nadat in 1938 de politieke spanning in Europa flink opliep door Duitse agressie: in maart de inlijving van Oostenrijk, het debacle van het Verdrag van München in september met pal daarop de inname van het Sudetenland. De Duitse gezant graaf Julius von Zech-Burkersroda in Den Haag - betrokken bij het verlenen van alle lintjes -, maakte zich echter niet de illusie dat Hitler door dik en dun op Nederland kon rekenen.
De gezant analyseerde nauwgezet alle parlementaire debatten en de regeringsuitingen in de pers. Hij rapporteerde eind 1939 aan Berlijn dat Den Haag bij een Europees gewapend conflict tot het uiterste de neutraliteit zou bewaken, maar werd die geschonden en bleek een onafhankelijke positie onhoudbaar, dan zou het tot het westelijke bondgenootschap toetreden. Het zou nimmer de kant van Duitsland kiezen, al die lijmlintjes ten spijt. Zoals die voor twee ambtenaren bij staatsbedrijf de Nationale Spoorwegen, die ervoor hadden gezorgd dat er extra treinen werden ingezet naar Kleef in april 1938. Dat gebeurde op verzoek van de Nederlandse NSDAP-vertegenwoordiger. Op die manier konden namelijk de duizenden in Nederland wonende Duitsers - door Berlijn onder druk gezet en flink opgestookt met propaganda - deelnemen aan het referendum voor de ‘Wiedervereinigung’ met Oostenrijk. Alle ‘Rijksduitsers’ in de buurlanden werden aangespoord mee te doen met een duidelijk stemadvies: ‘JA’ stemmen.
Ook andere ambtenaren kregen de Adelaar. Nadat minister van Sociale Zaken Mark Slingenberg begin 1937 als eerste Nederlandse bewindsman op officieel werkbezoek in nazi-Duitsland was gegaan, namelijk om de aanleg van de autobanen en andere modelprojecten voor werklozen te bekijken, legde de Reichsarbeitsminister Frans Seldte in november van dat jaar een tegenbezoek af. Hij bekeek híer de werkverschaffing: het Amsterdamse Bosplan, de Wieringermeer en de Zuiderzeewerken. Een tiental Haagse ambtenaren die bij het werkloosheidsbeleid en deze werkbezoeken betrokken waren, werd nadien gedecoreerd.
In oktober 1937 al had de hele top van het ministerie van Buitenlandse Zaken een lintje gekregen, en dat gold ook voor VIP’s als de secretaris van koningin Wilhelmina, Cornelis Schelto Sixma, baron van Heemstra. Nederlandse ambtenaren, ook als ze in de diplomatieke dienst werkzaam waren in Duitsland, mochten een buitenlandse onderscheiding pas aannemen na goedkeuring van Buitenlandse Zaken. Maar die werd zelden geweigerd. Nog in april 1940 kreeg ir. A.J. Joustra, Rijkslandbouwconsulent in Berlijn, de versierselen van de nazi-orde opgespeld.
Van Goethe tot de Harz
Van sommige categorieën is meteen duidelijk waarom Berlijn er een lintje tegenaan gooide. Prominente liefhebbers van de klassieke Duitse cultuur, Germaanse oudheden en Duitse landschappen bijvoorbeeld, die positieve gevoelens over het buurland verspreidden en/of uit zichzelf als ‘neutrale waarnemers’ het nieuwe regime ophemelden. Denk aan Goethe-kenners, foute archeologen of iemand als de Groningse NSB-er Koeno Hamminga. Dat was een verzekeringsagent met een motorhobby. Hij organiseerde toertochten voor Nederlanders naar de Harz voor de Allgemeine Deutsche Automobil-Club, de evenknie van de ANWB. Hij was ook NSB’er en raakte tijdens de bezetting als makelaar betrokken bij het verhandelen van in beslag genomen Joods onroerend goed in zijn stad.
Bij andere ontvangers is het helemaal niet zo helder wat Berlijn dacht te winnen met een lintje. Waarom kregen de politiecommissarissen van Rotterdam, Den Haag en Amsterdam er een? Een strategische zet van de Gestapo, een soort steekpenningen om via deze functionarissen grip te krijgen op naar Nederland gevluchte Duitse communisten en socialisten? Of als dank voor het ruimhartig verstrekken van informatie over die exil-gemeenschap? Het is ook gissen waarom in juli 1938 de top van de Nederlandse militaire inlichtingendienst GS III werd gedecoreerd. De Duitse Abwehr wist dat die nauw samenwerkte met Franse en Engelse inlichtingendiensten. Probeerde men zo GS III toch in te palmen?
Ook de Nederlandse militair attaché in Berlijn, majoor Bert Sas, kreeg een Adelaar. De Duitsers beseften natuurlijk niet dat hij vanaf medio 1939 geheime inlichtingen over aanvalsplannen kreeg van zijn vriend, Abwehr-kolonel en antinazi Hans Oster. Op grond van Osters tip belde Sas ’s avonds 9 mei 1940 naar Den Haag met de boodschap ‘Morgenvroeg bij het aanbreken van de dag. Houd je taai!' - oftewel: de invasie begint morgen. Maar dat had hij al vaker gemeld - terecht, alleen stelden de nazi’s de inval steeds op het laatste moment uit. De Haagse legerleiding beschouwde hem daarom hem als een paniekzaaier. Sas vluchtte toen nog net op tijd naar London. Oster was later betrokken bij de aanslag op Hitler en kreeg de strop.
Verboden
Een enkele gedecoreerde heeft op 10 mei 1940 vast met de Adler opgespeld op de stoep de binnentrekkende Wehrmacht toegejuicht, maar de meesten zullen het lintje diep hebben weggestopt. De Duitse bezetter bleef vervolgens lustig ‘verdienstelijke Nederlanders’ decoreren. Niet alleen notoire collaborateurs. Denk aan de Nederlanders onder de 500 buitenlanders die in het kader van de Arbeitseinsatz in Duitse fabrieken ploeterden voor de defensie-industrie, en in 1943 van de verantwoordelijke minister Albert Speer kregen een lintje kregen - een wrange propagandastunt.
Na de capitulatie in 1945 verdwenen ook de Verdienstorden vom Deutschen Adler: de geallieerde overwinnaars verboden het dragen van alle Duitse onderscheidingen, evenals het tonen van het hakenkruis en overige nazi-uitingen. Dat verbod geldt in het huidige Duitsland nog steeds. Wat niet verhindert dat er op schimmige websites een levendige handel in onderscheidingen uit het Derde Rijk bestaat. Een originele ‘hoge’ Adler in een doosje doet al snel tienduizend euro.
Dit artikel verscheen in nr. 5 (2026) van Geschiedenis Magazine onder de titel: 'Een lintje van Hitler, wie wil dat nou niet?'.
In het blad Geschiedenis Magazine nr. 5 stond dat Henry Ford de topman was van General Motors. Dit moet de Ford Motor Company zijn. In het online artikel is dit aangepast.
Delen: