Wat weten we eigenlijk over de druïden?
Elke zomer- en winterzonnewende wachten duizenden mensen bij Stonehenge op de zonsopkomst, en soms de zonsondergang. Onder hen zien we steevast hedendaagse druïden die er rituelen verrichten en luidruchtig de zon begroeten. In het oktobernummer van Geschiedenis Magazine legt Herman Clerinx uit dat druïden en Stonehenge historisch helemaal niets met elkaar te maken hebben. Hier vertelt hij wat we wél weten over de druïden, die religieuze en intellectuele elite van de Kelten vormden.
Vervelend. De druïden uit de prehistorie en de oudheid hebben zelf geen geschreven bronnen nagelaten, hoewel ze met het schrift vertrouwd waren. Hun specifieke kennis en ideeën mochten niet worden opgeschreven, zo lezen we bij Julius Caesar (100-44 v.Chr.) – de belangrijkste auteur die we hebben over de druïden. In plaats daarvan werd gedurende zo’n twintig jaar alles mondeling van leraar tot leerling doorgegeven. Deze vorm van kennisoverdracht had, nog steeds volgens Caesar, het voordeel dat de informatie niet gauw in handen van onbevoegden kon vallen. Tegelijkertijd werd zo het geheugen van de leerling-druïden geoefend.
De Brusselse Keltoloog Claude Sterckx merkte hierover op dat een orale traditie soepeler is dan geschreven literatuur. Door iets op te schrijven, leg je het vast. Een mondelinge cultuur past zich vlotter aan. Het gevolg is dat al onze informatie over de antieke druïden van buitenstaanders komt, en ook nog eens slechts bestaat uit flarden uit soms de tweede of derde hand. Onze oudste bronnen vinden we bij Griekse auteurs, met de filosoof Poseidonios (135-51 v.Chr.) als belangrijkste. Hij had een reis door zuidelijk Gallië gemaakt en onderweg druïden ontmoet. Zijn teksten bleven niet bewaard maar we bezitten brokstukken via citaten van latere auteurs.
Ook Romeinse auteurs hebben ons over de druïden korte passages nagelaten. Naast Caesar waren dat vooral Cicero (106-43 v.Chr.), Plinius de Oudere (23/24-79) en Tacitus ((56-117). Of al deze auteurs alles wat ze schreven over de Kelten en hun geestelijke leiders goed hebben begrepen of weergegeven, valt sterk te betwijfelen. En of ze altijd even objectief hebben gekeken, is een nog grotere vraag. Alles bij elkaar leveren de antieke bronnen slechts een zeer beperkt beeld op van de druïden.
Schedels op palen
We kennen welgeteld één druïde bij naam uit de prehistorie: Diviciacus, wat een verlatijnste vorm is van een Keltische naam die we helaas niet kennen. Deze man was lid van de Aedui, een stam uit Bourgondië. Tijdens of vlak na 63 v.Chr. reisde hij naar Rome om bij de Senaat militaire hulp te vragen tegen de Germanen die onder leiding van Ariovistus zijn volk dreigden te veroveren. Bij deze gelegenheid logeerde Diviciacus bij Cicero. Volgens hem beheerste Diviciacus als druïde de kennis over de natuur en kon hij voorspellingen doen.
Poseidonios, die hierboven al even ter sprake kwam, schreef dat druïden in hun samenleving een belangrijke rol speelden als priesters, rechters en geleerden. Hij behandelde ook de verering van de menselijke schedel bij de Kelten. Af en toe zou bij slachtoffers puur voor het vermaak van het publiek de keel zijn doorgesneden. Daarna werd het hoofd tentoongesteld. Schedels van verslagen vijanden werden op houten palen gespijkerd. Archeologisch onderzoek bevestigt dat voor de poorten van sommige Keltische versterkingen verkleuringen in de grond zitten die door een of meer palen waren veroorzaakt. Rond de verkleuringen liggen soms tanden in een halve cirkel: die waren uit de rottende schedels gevallen.
Volgens de beschrijvingen speelden de druïden in zulke rituelen een belangrijke rol. Of ze die zelf uitvoerden is onwaarschijnlijk, maar ze hadden in elk geval de leiding. Die hadden ze ook bij de mensenoffers waarover Julius Caesar berichtte in zijn De Bello Gallico. Dit verslag van zijn militaire expedities in Gallië (58-50 v.Chr.) behandelt niet alleen de verrichtingen van het Romeinse leger en de klinkende overwinningen op de vijand, maar biedt ook informatie over druïden en de ceremoniële handelingen die ze uitvoerden. Caesar rapporteert over mensen die levend verbrand werden. Andere slachtoffers ondergingen een drievoudige dood: ze werden gestenigd, vervolgens verdronken en uiteindelijk met een speer doorboord. Van het fenomeen drievoudige dood hebben archeologen eveneens bewijzen gevonden. Zo werd in het veen bij Lindow, in de omgeving van Manchester, het lijk van een terechtgestelde man uit wellicht de eerste eeuw gevonden. Hij was tweemaal op het hoofd geslagen en vervolgens gewurgd. Daarna had men ook nog eens zijn keel doorgesneden.
Opper-druïde
Caesar moet tijdens zijn jaren durende reizen en veldtochten in Gallië veel lokale mensen hebben gesproken en druïden hebben ontmoet. Veel van zijn informatie komt duidelijk uit de eerste hand. Volgens hem kwamen de eerste druïden uit Brittannië, en reisden ook in zijn tijd nog veel jongemannen daarheen om hun opleiding tot druïde te ontvangen. Maar of dat klopt? We weten het niet. We bezitten alleen wat brokjes geschreven informatie over de situatie in Gallië.
Eveneens volgens Caesar waren druïden vrijgesteld van belastingen, hoefden ze niet aan oorlogen deel te nemen en adviseerden ze koningen en stamhoofden. Tijdens juridische geschillen traden ze op als rechters. Hun uitspraak was bindend. Iemand die zich daar niet aan hield, mocht niet langer aan religieuze offers deelnemen. Een ergere straf viel in de Gallische cultuur moeilijk te verzinnen.
Druïden hadden de plicht om het geestelijke erfgoed te bewaren en de uitgebreide en soms ingewikkelde wetten van hun volk te onthouden. Ze hielden zich volgens Caesar bezig met filosofie (wat dat in hun geval ook mocht inhouden), geschiedenis, geneeskunde, natuurfilosofie, astronomie, astrologie en religie. De Romeinse theoloog Sint-Hippolytus (ca.170-ca. 235) schreef dat hun benadering van de wiskunde en meetkunde overeenstemde met wat ook de Griek Phytagoras had bedacht. Op basis van deze wiskundige methodes maakten ze, aldus Hyppolytus, berekeningen om de toekomst te voorspellen, bijvoorbeeld of de omstandigheden voor een veldslag gunstig uitvielen. Maar hoe ze dat dan deden, weten we niet.
Caesar schreef dan weer dat volgens het geloof van de druïden de ziel van een mens onsterfelijk is en na de dood in een ander lichaam plaatsneemt. Hun rituelen hielden ze bij voorkeur in bossen, of in elk geval ergens buiten. Archeologisch onderzoek bevestigt dit: de prehistorische Keltische heiligdommen die worden opgegraven zijn openluchtplekken, vaak rechthoekig en met hooguit een gebouwtje van leem en hout. Tempels zoals wij die kennen, ontstonden in onze streken pas in de Romeinse tijd.
Eén keer per jaar, zo vervolgde Caesar, kwamen alle druïden uit Gallië samen in hun centrale heiligdom binnen het grondgebied van de Carnuten, tussen de Seine en de Loire – in de buurt van Chartres. Daar kozen ze een opper-druïde. Welke rol die vervulde, is echter onbekend.
Maretakken
Ook Plinius de Oudere schreef over druïden, en bepaalde mede ons beeld. Hij gaf onder andere een etymologische verklaring voor het Keltische woord ‘druïde’, dat de antieke schrijvers in een of andere vorm overnamen. Volgens Plinius was dat afgeleid van dru dat ‘boom’, en meer bepaald ‘eik’, moest betekenen. ‘Druïden’ was naar zijn idee de term voor mensen die even oud, standvastig, wijs als een eik waren, oftewel ‘de kenners van de eik’. Moderne taalkundigen zijn hier minder zeker van, maar wijzen Plinius’ redenering toch niet helemaal van de hand.
De eik speelde in de religie van de druïden een hoofdrol, meende Plinius, evenals de maretak, een geneeskrachtige plant die hoog in bomen groeit en er zijn zouten en vocht uit haalt. Omdat de maretak altijd groen blijft, ook in de winter, kan hij het eeuwige leven hebben gesymboliseerd. Als in een eik een maretak werd aangetroffen, kwamen druïden die volgens Plinius vol eerbied met een gouden snoeimes afsnijden.
Een mooi beeld, maar of dat klopt? Het kan om te beginnen niet vaak zo zijn gegaan: vermoedelijk sneden de druïden maretakken uit fruitbomen, meidoorns, populieren... maar niet uit eiken want daarin groeien normaal gesproken geen maretakken. Archeologen hebben bovendien nog nooit een gouden snoeimes gevonden, terwijl er wel veel andere gouden Keltische voorwerpen zijn opgegraven. Had Plinius vage informatie opgevangen maar die niet gecontroleerd? Had hij botweg een en ander verzonnen? Of is het louter toeval dat nog nooit zo’n snoeimes werd blootgelegd? Eens temeer: we weten we het niet.
Aan Plinius danken we ook het populaire idee dat druïden in een lang wit gewaad gehuld gingen. Een tweede antieke bron om dit te bevestigen, bezitten we niet, maar het beeld leefde in elk geval eeuwenlang voort. Zo beschreef de Ierse monnik Tírechán in de 7de eeuw in zijn hagiografie van Sint-Patrick een dispuut tussen Patrick en de nog heidense druïden van Ierland. Die waren gekleed in witte gewaden. We kunnen niet nagaan of dit waar was, of dat Tírechán dit element simpelweg van Plinius had overgenomen. Want dat zou best kunnen aangezien de vroegmiddeleeuwse monniken van Ierland met de antieke teksten vertrouwd waren.
Heiligdom op Anglesey
Caesar stelde vermoedelijk belang in de druïden omdat zij invloedrijk waren. Hij besefte dat hij bij zijn verovering van Gallië last van hen kon hebben als zij zich tegen de Romeinen keerden en hun volk hierin meenamen. En daarin had hij niet eens ongelijk; we weten bijvoorbeeld dat de druïden van de Carnuten hun stamleden aanmoedigden tijdens hun strijd tegen de Romeinen – hoe ze dat deden, is helaas onbekend. Maar ook na de Gallische oorlog zouden de druïden geduchte tegenstanders blijven. Niet toevallig vond keizer Claudius het een eeuw later, in 54 n.Chr., nog nodig om tegen druïden op te treden. De Romeinen stelden zich doorgaans tolerant op tegenover de religie van overwonnen volkeren, maar de druïden bleven dermate tegen de Romeinen gekant dat Claudius besloot om hun per decreet te verbieden hun professie uit te oefenen .
Vanaf 43 hadden Romeinse soldaten Engeland en Wales veroverd; de druïden waren ondergedoken of verjaagd. Een aantal van hen hield echter stand in hun heiligdom op het eiland Anglesey, in het noordwesten van Wales. Ze weigerden het Romeinse gezag te aanvaarden. In 61, Claudius was al overleden en opgevolgd door Nero, wachtte het Romeinse leger tot het tij laag genoeg stond om het eiland te kunnen bereiken en viel aan. Tacitus beschrijft in zijn Annales (Jaarboeken) hoe de druïden hun handen naar de hemel hieven en onheilsbezweringen uitspraken. Maar hun magie was machteloos. De Romeinen veroverden Anglesey, verwoestten de heiligdommen en doodden de meeste of zelfs alle druïden. Alleen in Schotland en Ierland, beide nooit door de Romeinen bezet, bleven de druïden actief tot ook daar geleidelijk een einde aan kwam met de doorbraak van het christendom.
Binnen het Romeinse Rijk verloren de druïden steeds meer invloed, al duurde het nog enkele eeuwen voor ze helemaal uit beeld verdwenen. Zo voorspelden ze volgens Tacitus de Bataafse opstand onder Julius Civilis tegen de Romeinen in 69-70.
Er bestonden ook vrouwelijke druïden, over wie we helaas evenmin iets substantieels weten. Maar tijdens het begin van de 3de eeuw kondigde een van hen de dood van keizer Alexander Severus (222-235) aan. Nog een halve eeuw later voorspelde een vrouwelijke druïde dat Diocletianus (284-305), nota bene de zoon van een slaaf, keizer zou worden. Ze deed deze voorspelling toen Diocletianus als soldaat in de buurt van Tongeren en Heerlen vertoefde.
Nog wat later, tijdens de 4de eeuw, wist de dichter Ausonius (ca. 310-ca. 390) dat twee Gallische aristocraten van druïden afstamden, maar daar bleef het bij. De verwijzingen werden geleidelijk steeds schaarser. Tegen 400 was binnen het Romeinse Rijk het verhaal van de druïden uitverteld.
Benieuwd hoe het dan wél zit met Stonehenge? Dat lees je in het nieuwste nummer van Geschiedenis Magazine
Delen: