De overval op Transport XX naar Auschwitz

Op 19 april 1943 vertrok Transport XX vanuit de Kazerne Dossin met aan boord 1.631 Joden. De bestemming was Auschwitz-Birkenau. Drie moedige jongemannen, Youra Livchitz, Robert Maistriau en Jean Franklemon, pleegden een overval op de deportatietreinZonder enige verzetservaring hadden ze hun leven gewaagd om deze trein te stoppen. Hoe bereidden ze in het hol van de leeuw de overval voor en wat gebeurde er die dag?

Op 19 april 1943 om 22.00 uur vertrekt een trein de nacht in, vanuit de Mechelse Dossinkazerne. Aan boord bevinden zich 1631 Joden - mannen, vrouwen, bejaarden en kinderen. Bestemming is het KZ-lager van Auschwitz-Birkenau. Het is het twintigste transport dat vanuit Mechelen naar het oosten vertrekt. Het eerste vertrok in augustus 1942, met net geen 900 gedwongen passagiers, onder wie ook 140 kinderen. Sindsdien zijn al meer dan 18.000 Joden vanuit Mechelen met de trein gedeporteerd.

Dossinkazerne
In die plaats staat de Dossinkazerne. Net zoals Kamp Westerbork in Nederland en Kamp Drancy in Frankrijk dient de kazerne als Sammellager, een verzamelplek om Joden onder te brengen in afwachting van hun deportatie naar Auschwitz-Birkenau. De kazerne ligt op een discrete plek halverwege tussen Antwerpen en Brussel. Het is inmiddels voor Joden in België verplicht in deze steden te wonen. De Dossinkazerne beschikt over een eigen verbinding met het Belgische spoorwegennet en een afgesloten binnenplaats waar vrachtwagens makkelijk kunnen manoeuvreren. Ideaal, vanuit het perspectief van de bezetter.

Aanvankelijk geven Joden gehoor aan oproepen om zich te melden voor ‘Arbeidsdienst’, maar de twijfel groeit of er echt werk op hen wacht in het oosten. Wat hebben de nazi’s daar dan aan zwangere vrouwen, baby’s, invaliden en bejaarden? En wat is er gebeurd met de gedeporteerden van wie nooit meer iets vernomen werd? Zowel de ondergrondse pers als de BBC waarschuwen ervoor dat de nazi’s niets minder dan de uitroeiing van de Joodse bevolking voor ogen hebben.

Er volgen razzia’s: in plaats van te wachten tot Joden zichzelf melden, worden ze op straat en in hun huizen opgepakt. Steeds meer van hen duiken onder, en wie opgepakt wordt, probeert weg te komen. Uit de vier treinen die aan Transport XX voorafgaan, weten 246 gedeporteerden te ontsnappen. Om dit voortaan tegen te gaan worden de derdeklas passagierswagons vanaf Transport XX vervangen door goederenwagons; de ventilatieluiken worden afgesloten en de deuren met prikkeldraad vergrendeld. Voor- en achteraan zal de trein bewaakt worden door een peloton Schupo’s (Schutzpolizei). Gedeporteerden die eerder konden ontsnappen maar later opnieuw werden opgepakt - om onbekende redenen Flitsers genoemd -, komen terecht op een speciale lijst en worden opgesloten in een aparte wagon, onmiddellijk naast die van de Schupo’s.

Kaartje van de overvalslocatie. (Afbeelding: Madelgarius, via Wikimedia Commons)
 

Verzet
Het communistische Joodse echtpaar Hertz Jospa en Hava Groisman richt in september 1942 een verzetsorganisatie op, het Joods Verdedigingscomité, en ontwikkelt voorjaar 1943 een stoutmoedig plan: een overval op het eerstvolgende transport. Omdat het JVC niet de middelen heeft om zo’n gewaagde actie uit te voeren, vraagt Jospa de medewerking van de bredere communistische verzetsbeweging, het Onafhankelijkheidsfront. Dat wil het risico niet lopen, maar het plan komt ter ore van de 25-jarige Youra Livchitz, wiens broer Alexandre actief is in het gewapende verzet, maar die zelf geen enkele ervaring met verzetsactiviteiten heeft.

Youra is net als Jospa en Groisman afkomstig uit oostelijk Europa maar opgegroeid in België. Youra besluit daadwerkelijk Transport XX aan te vallen. Hij vraagt, en krijgt, de medewerking van twee boezemvrienden, die net als hij schoolgingen in Ukkel en studeerden aan de Université Libre de Bruxelles. Het zijn Robert Maistriau, die een Joodse halfbroer heeft, en Jean Franklemon, die als lid van de communistische partij in Spanje nog bij de Rode Brigades tegen Franco’s troepen vocht. 

Op 19 april 1943 spreken Youra en zijn vrienden in de vooravond af aan het Meiserplein aan de rand van Brussel. Van hieruit fietsen ze naar het traject Mechelen-Leuven. Hun bewapening: een pistool, een rode stormlamp en enkele tangen en schroevendraaiers.    

DE TOL VAN DOSSIN
Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog wonen er ongeveer 65.000 Joden in België. Zodra België wordt bezet, worden zij gedegradeerd tot tweederangsburgers, voor wie het leven steeds moeilijker wordt. Anti-Joodse verordeningen verplichten hen om zich in te schrijven in het Jodenregister en verbieden hen tal van beroepen uit te oefenen. Ook zijn ze verplicht tot het dragen van een Jodenster en de vermelding van ‘Juif’ of ‘Jood’ op hun identiteitskaart. Na de beruchte Wannsee-conferentie (januari 1942) waarop afspraken worden gemaakt hoe de uitroeiing van de Joden verder georganiseerd wordt, komen ook in België arrestaties, razzia’s en deportaties in een stroomversnelling.

Vanuit de Dossinkazerne worden in totaal bijna 26.000 mensen gedeporteerd: Joden, maar ook tientallen Roma en Sinti. De meeste gedeporteerden worden onmiddellijk bij aankomst vergast. Vele anderen sterven door ziekte, ontbering en mishandeling. Slechts 1.395 gedeporteerden overleven de oorlog.

Baby Suzanne
Tegelijkertijd groeit ook binnen de Dossinkazerne het verzet. Dit staat los van de plannen van Youra Livchitz en zijn vrienden, hoewel er een briefje de kazerne wordt binnengesmokkeld met het bericht dat de trein zal worden overvallen. Dat wordt verspreid maar nauwelijks geloofd. Er circuleren immers zoveel geruchten…

Weken voor Transport XX zal vertrekken, beginnen enkele opgepakte Joden hun ontsnapping voor te bereiden. Daartoe willen ze samen in dezelfde wagon terecht zien te komen[M1.1], maar dat is niet eenvoudig. Op de dag van hun aankomst en inschrijving in de kazerne hebben de gevangenen een nummer gekregen, dat zij op een kartonnen bordje om de hals dragen. Dat nummer bepaalt in welke wagon zij moeten stappen. Om in dezelfde wagon te belanden dienen de inschrijvingslijsten dus vervalst te worden - een gevaarlijke taak die de Joodse secretaresse Eva Fastag voor haar rekening neemt. Ze houdt, nadat ze in juli 1942 werd opgepakt tijdens een razzia en in de Dossinkazerne verplicht aan het werk werd gezet, de administratie van inschrijvingen en deportaties bij.

Intussen smokkelen gevangenen die als elektricien, timmerman, schoenmaker en dergelijke in een van de kampwerkplaatsen aan de slag zijn, van hieruit allerhande gereedschap mee - zagen, messen, vijlen, tangen, ijzeren staven, kortom alles wat van pas kan komen - en verbergen het uiteindelijk in het stro van de goederenwagons van Transport XX, die volgens schema arriveren op de avond voor de dag van vertrek, 19 april.

Als ze wegrijden, bestaat meer dan twee derde van de in totaal 1631 onvrijwillige passagiers uit vrouwen en kinderen onder de 15 jaar; minder dan 300 mannen zijn tussen de 15 en 50 jaar. Boven de 60 zijn er 206; met zijn 90 jaar is de Nederlander Jacob Blom de oudste. Het jongste slachtoffer, Suzanne Kaminski, reist in de armen van haar moeder, Josephine Schutz. Amper 38 dagen geleden is Suzanne in Brussel geboren. De brief die haar tante aan koning Leopold III schreef met de dringende vraag om hen voor transport te behoeden, werd slechts beantwoord met een simpele ontvangstbevestiging. 

De binnenplaats van Kazerne Dossin in 1943 door Kopel Simelovitz (Afbeelding: Michel van der Burg via Wikimedia Commons).
 

De vrijheid lonkt
Vijftien kilometer buiten Mechelen passeert de trein het stationnetje van Boortmeerbeek. Nauwelijks een kilometer verder hebben Youra Livchits en zijn vrienden zich verborgen in de struiken. Ze hebben hun rode stormlamp op de sporen geplaatst. Wanneer de locomotief nadert, laat machinist August Buvens, een Belg, de trein tot stilstand komen, hoewel hij dadelijk beseft dat het rode licht op de sporen geen officieel sein is. Nadat de trein gestopt is, loopt Robert Maistriau naar een van de wagons in het midden en begint gejaagd het prikkeldraad te verwijderen dat de deuren gesloten houdt. Zodra hij de wagon opent, staren tientallen ogen hem bang aan. Robert maant de mensen aan om eruit te springen, maar zij aarzelen. Hun is verteld dat iedereen gedood zal worden mocht er ook maar één gedeporteerde ontsnappen. Maar de vrijheid lonkt en als er enkelen vluchten, volgen anderen hun voorbeeld: 12 mannen en 5 vrouwen wagen hun kans. Van hen overleven er 10 de oorlog. 

Om de Schupo’s op afstand te houden, lost Youra vanuit het struikgewas ondertussen enkele schoten in hun richting. Maar de overmacht is te groot en al snel moeten Robert en Youra zich terugtrekken. Bijna onmiddellijk vertrekt de trein opnieuw de nacht in. Even snel als de actie is begonnen, is ze alweer voorbij. Overmand door zenuwen heeft Jean Franklemon nauwelijks bewogen. In de struiken verdelen Youra en Robert een aantal bankbiljetten - ontvangen van het JVC - onder de ontsnapten. 

Voordat de trein de Duitse grens bereikt, proberen nog 219 andere Joden zich met de verstopte werktuigen en veel energie een weg naar de vrijheid te banen. Ze breken planken uit, vijlen de ventilatieroosters stuk, forceren de schuifdeuren van de wagons. Tijdens hun ontsnappingspoging worden 26 van hen neergeschoten of maken een dodelijke val. Uiteindelijk worden van de ontsnapte gevangenen meer dan 90 gevat en opnieuw gedeporteerd.  

Auschwitz
De trein rijdt intussen door. Drie dagen na vertrek moeten de dan nog 1395 gedeporteerden uitstappen aan de Alte Judenrampe, een perron in de open velden tussen Auschwitz en Birkenau. 874 Joden worden zo goed als onmiddellijk vermoord in de gaskamers. Ook met Youra Livchitz loopt het slecht af. Na verraad wordt hij op 4 mei 1943 gearresteerd. Hij weet te ontsnappen uit het Gestapo-hoofdkwartier op de Brusselse Louizalaan maar wordt 26 juni 1943 opnieuw opgepakt. Youra wordt 17 februari 1944 geëxecuteerd op de gebruikelijke plek in Brussel voor terechtstellingen van spionnen en verzetslieden, de Nationale Schietbaan. Een week later ondergaat zijn broer Alexandre hetzelfde lot. Ook Robert Maistriau en Jean Franklemon worden door de nazi’s opgepakt en belanden in Duitse concentratiekampen. Maar zij hebben meer geluk: ze overleven de oorlog. 

Slechts 151 van de mensen die op 19 april met Transport XX vertrokken, leven nog als de oorlog voorbij is. Onder hen is bijvoorbeeld de 11-jarige Simon Gronowski. Zijn vader heeft in Brussel een winkel in lederwaren maar verblijft in het hospitaal als de nazi’s het gezin op 17 maart 1943 oppakken. Simon zelf belandt samen met zijn zus Ita en zijn moeder Chana in de Dossinkazerne. Op 19 april worden Simon en Chana op transport gezet. Kort na de overval bij Boortmeerbeek duwt Chana haar zoontje uit de trein. Met de hulp van een Belgische rijkswachter slaagt Simon erin Brussel te bereiken, waar hij zijn vader terugvindt. Tot het eind van de oorlog zitten beiden op verschillende adressen ondergedoken. Chana wordt in Auschwitz-Birkenau vergast, net als Ita die in september 1943 wordt gedeporteerd. Wanneer Simons vader kort na de oorlog van verdriet overlijdt, moet de veertienjarige Simon alleen verder. Door het huis van zijn ouders te verhuren, slaagt hij erin zijn studie te betalen. Hij brengt het tot advocaat bij de Brusselse balie. Hij vertelt nog altijd over zijn ervaringen, waarbij hij een warm pleidooi houdt voor verdraagzaamheid en vriendschap. 

IS DE OVERVAL OP TRANSPORT XX UNIEK?
De overval op Transport XX neemt zeker een unieke plaats in. Weliswaar zijn er uit Belgische en Nederlandse transporten naar de kampen in het oosten van het Derde Rijk honderden mensen ontsnapt, maar voor zover bekend was het op 19 april de enige keer dat een deportatietrein werkelijk overvallen werd en tot stoppen werd gedwongen. Ook bijzonder is dat het gebeurde in het voorjaar van 1943, toen de nazi’s nog volop de scepter zwaaiden.

Uit de chaotische eindfase van de oorlog zijn meer reddingsacties bekend. Als we ons tot België beperken: daar begon die fase in september 1944, toen het Duitse leger zich al plunderend terugtrok onder druk van de geallieerde opmars. Op 2 september 1944 moest om 8.30 uur een trein uit Brussel-Zuid vertrekken met 1370 politieke gevangenen uit de gevangenis van Sint-Gilis, vooral Belgen en Fransen, maar ook Sovjetburgers, Amerikanen en Engelsen. Het Belgische spoorwegpersoneel saboteerde de boel en slaagde erin alles zo te vertragen dat de trein pas tegen middernacht arriveerde in het nauwelijks 25 km verder gelegen Muizen. De volgende ochtend boemelde de trein dankzij datzelfde inventieve personeel rond 10 uur het volgende station binnen: Brussel! Die dag veroverden de Britten de stad. Om 12.40 uur werden de deuren van de trein geopend en kregen de gedeporteerden de vrijheid.

Een tweede voorbeeld speelde in het Vlaamse Diksmuide. Op 4 september 1944 stopte er in het station een Duitse goederentrein met tientallen wagons vol bouw- en legermateriaal. In vijf wagons bevonden zich bovendien 286 politieke gevangenen en dwangarbeiders, grotendeels Franse en Belgische Joden, op weg naar Neuengamme waar ze zich zouden moeten doodwerken. Geallieerde luchtbombardementen en sabotageacties van het verzet hadden het spoorverkeer in Noord-Frankrijk en Vlaanderen grondig verstoord, waardoor de trein slechts moeizaam was gevorderd, wat een aantal gedeporteerden al de kans had gegeven te ontsnappen. Verder dan Diksmuide kwam de trein niet: de locomotief kreeg een andere opdracht en bovendien had het verzet verderop de spoorlijn opgeblazen. Het verzet dwong de Duitse bewakers de gevangenen vrij te laten. Het Rode Kruis stond vervolgens de verzwakte Joodse gevangenen bij; inwoners van Diksmuide boden onderdak, voedsel en kleren aan.

Verder lezen
Laurence Schram, Dossin. Wachtkamer van de dood, Lannoo, 2018
Marc Michiels en Mark Van den Wijngaert, Het XXste Transport naar Auschwitz, Manteau, 2012
https://kazernedossin.memorial/

Dit artikel verscheen in 2025, nummer 5, van Geschiedenis Magazine onder de titel: 'De unieke overval op Transport XX naar Auschwitz. '

Delen: