De strijd van de paters tegen het onuitroeibare carnaval

De Elfde van de Elfde (11 november) is een feestelijke gebeurtenis: het markeert het begin van het carnavalsseizoen. De nieuwe Prins Carnaval wordt geïntroduceerd, er zijn optredens en het is volop feest. Van oudsher was vastenavond, de voorloper van carnaval, een uitlaatklep vlak voor de sobere vastentijd. Mensen gingen nog een keer los, verkleedden zich, droegen maskers en vierden feest. Toch was niet iedereen blij met al die vrolijke chaos: in de 19e eeuw probeerde pater Bernard het carnaval te beteugelen. Maar of dat lukte?

Dansen, kermis en vastenavond behoren tot de laatste stuiptrekkingen van een ‘wulpsch heidendom’. Dat vond althans vicaris Antonius van Alphen van Den Bosch, die er een verbod op uitvaardigde in 1822. Het dansverbod gold overigens alleen voor vrouwen. De vicaris (een geestelijke vergelijkbaar met dat van bisschop) kreeg veel kritiek van vrijdenkende Tilburgers, onder wie heel wat ‘wolfabrikeurs’: ondernemers die ruwe wol verkochten aan thuiswerkers om te laten bewerken en daarna weer opkochten en verhandelden. Deze huisindustrie ontwikkelde zich in de loop van de 19de eeuw tot het fabrieksstelsel. In Tilburg was het merendeel van de fabrikeurs en latere fabrikanten katholiek, maar de minstens zo invloedrijke liberalen onder hen hadden weinig op met rigide kerkregels die in het persoonlijke leven ingrepen. De vicaris krabbelde ijlings terug. 

De kwestie onderstreept dat kerk en kapitaal elk stevig greep op de samenleving hadden, maar dat het onderling niet steeds boterde. Een priester klaagde bitter:‘Er zijn fabrikanten die meehelpen den goeden ouden godsdienstige geest der Tilburgers af te breken. God spare Tilburg.’

Kapelaan Van der Lee, foto uit 1885. (Afbeelding: Regionaal Archief Tilburg)

 

Verklikkerscircuit
In het dagboek van de zeer vrome Tilburgse kapelaan Jan van der Lee van parochie ’t Heike in het centrum vinden we een mooi voorbeeld van hoe dat ‘afbreken’ soms ging. In 1860 kreeg hij bezoek van een werkman, die klaagde dat zijn baas, de heer François van Dooren, zijn personeel geen toestemming gaf om een mis bij te wonen. Bruut had deze gezegd: ‘Ge gaat niet, dat de Paters naar de klooten lopen, ’t is maar comedie en anders niet.’ 

Van der Lee noteerde de opmerking ijverig in zijn dagboek. Hij had overal ogen en oren dankzij een uitgebreid verklikkerscircuit. Regelmatig kwam zo iemand hem melden dat een collega, een baas of een buurman iets had gezegd dat niet strookte met de katholieke leer. 

‘De strijd tussen Carnaval en vasten’, een schilderij over het volgens sommigen liederlijke plezier van Vastenavond. Eronder staat: ‘dit is den dans van Luther met zijn nonne’, een kat naar de protestanten. De vissen preluderen op het vleesverbod gedurende veertig dagen vanaf Aswoensdag. (Afbeelding: ca. 1600, manier van Jheronimus Bosch, Rijksmuseum Amsterdam)
 

Volksmissies
Tijdens vastenavond hadden de verklikkers het altijd overweldigend druk, maar kapelaan Van der Lee kreeg in 1842 hulp van de beroemde pater Bernard Hafkenscheid. Pater Bernard behoorde tot de orde der redemptoristen, die zich richtte op verdieping van het geloofsleven bij de gewone parochianen. Hiertoe organiseerden ze, op verzoek van plaatselijke pastoors die de kerkgangers wat laks begonnen te vinden, zogeheten volksmissies. Die duurden ongeveer een week en verliepen volgens een vast schema, van donderpreken en collectieve schuldbekentenis via boetedoening naar vergeving (in andere landen werden in de 18de en 19de eeuw ook zulke revivals gehouden, tevens door protestanten).

Er kwam geregeld veel volk op af: in 1835 bezochten bijvoorbeeld ca. 30.000 mensen zo’n missie in Sittard. In 1842 streek pater Bernards opwekkingscircus voor het eerst neer in Tilburg, en niet voor het laatst, want, zo omschreef zijn biograaf priester Michaël Lans in 1877, die stad was een poel van verderf met zijn vele ‘publieke huizen, nachtelijke bals, en bloedige vechtpartijen’. En pater Bernard kón het. Een tijdgenoot over zijn optreden in 1842 in Tilburg: ‘De Eerwaarde Pater trof zijn aanhoorders zoodanig, dat allen, die in de kerk waren, zich geen oogenblik konden inhouden en luidop huilden.’ Bij de gelovigen kon hij niet meer stuk. Zijn portret verscheen op bidprentjes, pijpenkoppen en koekplanken. 

Pater Bernard Hafkenscheid. (Afbeelding: Regionaal Archief Tilburg)

 

‘Kermisaap’
Pater Bernard was zich bewust van zijn theatrale vaardigheden. Niet voor niets noemde hij zichzelf eens een ‘kermisaap’. Als een veldheer besteeg hij de treden van de kansel, keek bezwerend om zich heen en sloeg dan een kruis. Hij deinsde er niet voor terug om zijn preek te onderbreken, op zijn knieën te vallen en God om genade te smeken voor allen daar aanwezig. Als vast onderdeel van de show rukte Bernard het crucifix van zijn borst en riep extatisch dat de Tilburgers Christus maar moesten vertrappen, als zij niet van plan waren hun leven te beteren. Pas als in de kerkbanken tranen van berouw vloeiden, werd zijn toon milder. Hij wist dat hij zijn doel naderde en dat het tijd voor ‘heilrijken balsem in de geopende harten’: de zondaars werden in de biechtstoel ontvangen. In rijen stonden ze te wachten op hun beurt. 

Veertigurengebed
Toch had pater Bernard extra maatregelen nodig tegen vastenavond. In 1847 introduceerde hij in Tilburg het veertigurengebed. Dat was een eeuwenoude katholieke methode om de uitspattingen te beteugelen die traditioneel voorafgingen aan Aswoensdag, de dag waarop parchianen in de eerste mis van de veertig dagen durende vastentijd een kruisje van as op hun voorhoofd kregen. Het veertigurengebed floreerde bij sociale druk. Het was een estafette waarbij alle parochianen volgens een rooster beurtelings enkele uren in de kerk kwamen bidden. Ook de priesters wisselden elkaar af. ’s Nachts waren ze vrij. Niets was werkelijk verplicht, maar het werd wel duidelijk gemaakt dat alleen zo de belediging kon worden vergeven, die Christus met het bandeloze carnaval was aangedaan. Bijkomend voordeel was uiteraard dat wie bad, geen heibel kon schoppen. 

Dat leek heel even te werken. De Tilburgers lieten hun maskers en verkleedpakken in de kast en kapelaan Van der Lee had weinig te rapporeren in zijn dagboek. Maar dat zou snel veranderen. In februari 1857 was de stad in rep en roer: verkleede 'losbollen' en 'carnavalszotten' verzamelden zich op de straten en schreeuwden om de herleving van het carnaval. De paters kregen de feestvierders niet klein. Je leest er meer over in het in het aankomende nummer 8 van Geschiedenis Magazine. Abonnees ontvangen dit nummer omstreeks 27 november. Deze editie niet missen maar nog geen abonnee? Abonneer vóór donderdag 13 november om dit nummer te ontvangen. Of haal het na de verschijningsdatum in de boekhandel of in de online webshop. 

 

 

 

Delen: