De eeuwig glimlachende bloementuin: wie maakte dit 16de-eeuwse herbarium?
Het hoorde bij de biologieles: een herbarium maken. Zorgvuldig droogde je bloemen en plantendelen tussen vloeipapier en plakte ze dan in een schrift. Eeuwen geleden maakten mensen al herbaria. Een beroemd exemplaar stamt uit de 16de eeuw. Lang lag dit boek op de plank van de universiteitsbibliotheek. Slechts een handvol hoogleraren had het herbarium in de loop der eeuwen bekeken. Het trok pas de aandacht van onderzoekers toen bleek dat er ook een gedroogde eeuwenoude tomaat in zat. Maar aan welke botanist hebben we dit te danken? Onderzoekers Tinde van Andel en Anastasia Stefanaki doen verslag van hun speurtocht naar de auteur van dit mysterieuze herbarium.
Dit artikel verscheen eerder in 2019 (nr. 8) van Geschiedenis Magazine, onder de titel: 'Het geheim van de eeuwig glimlachende bloementuin'.
De reis van het boek
‘Hier voor jou een glimlachende tuin met eeuwig bloeiende bloemen’. Zo luidt in het Latijn het opschrift van het prachtige herbarium. Wie doorbladert achter het schutblad met dit motto En tibi perpetuis ridentem floribus hortum, vindt zo’n 500 gedroogde planten. Datum en naam ontbreken. We kennen we de lotgevallen van het herbarium sinds 1611: toen dook het op in de inventaris van Rudolf II (1552-1612), keizer van het Heilige Romeinse Rijk. De schatkamer van deze Habsburgse vorst in Praag, vol kunst en natuurhistorische collecties, werd geplunderd tijdens de Dertigjarige oorlog (1618-1648). Het herbarium kwam als oorlogsbuit via de Zweedse koning Gustav Adolf II in het bezit van zijn dochter Christina. Zij benoemde in 1650 de Nederlander Isaac Vossius tot bibliothecaris. Ze schonk hem vlak voor haar dood in 1654 een aanzienlijk aantal manuscripten en boekherbaria, en Vossius’ erfgenamen verkochten zijn kostbare collectie aan de universiteit van Leiden; dit werd de basis voor de universiteitsbibliotheek. We weten dat een klein aantal hoogleraren het herbarium in de loop der eeuwen heeft bekeken.
De oudste tomaat
In 2010 gaf de Leidse Universiteitsbibliotheek het in langdurige bruikleen aan Museum Naturalis. Biologen realiseerden zich vervolgens dat op een van de bladzijden een tomaat was gedroogd. Toen het herbarium gemaakt werd, was dat nog een curiosum: de Spanjaarden hadden pas enkele decennia eerder vruchten of zaden ervan meegenomen vanuit Amerika. Dit eeuwenoude exemplaar zou interessante genen kunnen bevatten voor Nederlandse tomatenkwekers. Hoe smaakte die oertomaat? Was hij beter bestand tegen ziekten en plagen dan de huidige tomaten?
Na het extraheren van het tomaten-DNA zou het kwetsbare boekherbarium weer gesloten worden. IJlings werd een team onderzoekers bijeengebracht om ook andere aspecten uit te zoeken. Bij nadere inspectie leverde het herbarium allerlei verrassingen op.
Schoonschrijvers maakten spelfouten
Zo ontbreken 22 pagina’s waarvan 20 met opgeplakte planten; ze zijn er niet al te zachtzinnig uitgesneden. De eerste twee pagina’s zijn er ook uit gehaald. Extra jammer, omdat hier waarschijnlijk de (geïllustreerde?) titelpagina bij was met mogelijk informatie over de maker en de ontvanger van dit kostbare geschenk. Verder bleken de handgeschreven index en de teksten naast de planten het werk van professionele schoonschrijvers. Dit verklaart de vreemde spelfouten in de Latijnse plantennamen - Lieranium in plaats van Geranium bijvoorbeeld, een fout die een botanicus nooit zou maken. De titel verraadt dat gever en ontvanger van dit kostbare geschenk het Latijn beheersten en de verborgen boodschap in de tekst begrepen. Deze ‘hemelse tuin’ bleef immers eeuwig bloeien (glimlachen) nadat de bloemen in hun volle glorie tussen de bladzijden waren geprepareerd.
Bakermat van de botanie
Volgens papierdeskundigen is het boekwerk zelf gemaakt van een enkele set zeer kostbaar papier met vergulde randen. Het watermerk met hamer en aambeeld verwijst naar Bologna rond 1555. Ook de roodleren kaft, de afmeting (43 x 28 cm), de zijden sluitstrikken en het gouden opschrift verraden het handwerk van een 16de-eeuwse boekbinder.
Om de maker(s) te achterhalen, moesten we dus op zoek naar botanici die omstreeks 1555 actief waren in Bologna. Dit verraste niet: de universiteiten van Bologna en ook Pisa waren tijdens de Italiaanse Renaissance de bakermat van de moderne botanie. Hier werden de eerste plantkundigen opgeleid, uit heel Europa afkomstig. In deze steden stelden edellieden hun tuinen ter beschikking voor wetenschap en onderwijs. Exotische soorten uit de Nieuwe Wereld zoals tomaat, tabak en Spaanse peper waren hier voor het eerst te zien. Ook zeldzame alpenplanten als de edelweiss werden hier aangeplant.
De komst van het herbarium
Hier werd ook het herbarium uitgevonden: de botanicus Luca Ghini (1490-1556) geldt als de schepper ervan. Zo’n verzameling was handig voor wetenschappers: onder druk geperst en gedroogd tussen papier blijven planten lang goed. Zo kunnen ze uitgewisseld en bediscussieerd worden. Het herbarium betekende ook een modernisering. De uit de Oudheid overgeleverde medicinale kruidenboeken waren in de Middeleeuwen vaak gekopieerd, herschreven en aangevuld met onduidelijke tekeningen, nieuwe soorten en onjuiste beschrijvingen. Om de verwarring te ontrafelen werd het tijd de planten opnieuw te verzamelen en beschrijven. De Latijnse naam moest aan de juiste plant gekoppeld worden, ook om fouten in medicinale toepassing te voorkomen.
De zoektocht naar de waarheid door middel van eigen observatie kenmerkt de ambitie van de wetenschappers in de 16de eeuw. Het En tibi-herbarium, dat naast exotische medicinale planten 455 soorten bevat, met name kruiden, die destijds op het platteland van Noord- en Noord-Centraal-Italië zijn geplukt, past in deze typische Renaissancetrend.
De pioniers
Ghini publiceerde zelf nauwelijks en gaf zijn herbariumcollectie weg aan zijn leerlingen. Velen van hen werden destijds al wereldberoemd en het leek logisch om de maker van het mysterieuze herbarium onder deze pioniers te zoeken. Ulisse Aldrovandi (1522-1605) en Andrea Cesalpino (1519-1603) legden omvangrijke natuurhistorische collecties aan. Pietro Andrea Mattioli (1501-1577) verwierf faam met zijn becommentarieerde heruitgaven van het klassieke kruidenboek De Materia Medica van Dioscorides (ca. 65); hij werd de lijfarts van de Habsburgse keizer Ferdinand I (1503-1564), de grootvader van Rudolf II in wiens inventaris het herbarium is genoemd.
De edelman en schilder Gherardo Cibo (1512–1600) ten slotte maakte rond 1568 een groot aantal illustraties voor de botanische werken van Mattioli en tekende de Italiaanse flora in haar natuurlijke omgeving. Hij beeldde tevens zijn medestudenten af tijdens excursies. Wellicht staat op een van zijn tekeningen de maker van het En tibi-herbarium. Of is dat misschien Cibo zelf?
Op zoek in de bibliotheek
Dat moest na te gaan zijn. In de Biblioteca Angelica in Rome wordt immers een herbarium bewaard dat aan hem wordt toegeschreven. Latijnse plantennamen veranderen voortdurend als gevolg van nieuwe wetenschappelijke bevindingen, en vergelijking van de soortnamen in het En tibi-herbarium met andere 16de-eeuwse Italiaanse herbaria zou opheldering kunnen verschaffen over de samensteller. De namen in beide herbaria bleken inderdaad grote overeenkomsten te vertonen. Maar verder vielen ons vooral de verschillen op. De beheerder van de Biblioteca Angelica haalde de vier boekwerken met grote tegenzin tevoorschijn. Ze zijn er zeer trots op ‘hun Cibo-herbarium’, maar het was gekaft in gekreukeld perkament, de specimina zijn aangevreten door insecten en geplakt op dun, beschadigd papier dat is beschreven met een slordig handschrift in diverse tinten inkt. Het bevatte veel meer planten dan het En tibi-herbarium, maar wel grotendeels dezelfde soorten met overeenkomstige namen.
Ook de volgorde van de planten vertoonde gelijkenis, en vaak waren dezelfde soorten samen op een bladzijde naast elkaar bevestigd om de botanische gelijkenis te duiden of om verwarring op te helderen. Zo zijn in beide collecties een paar madeliefjes (Bellis perennis) op dezelfde pagina geplakt als een exemplaar van de kogelbloem (Globularia bisnagarica). Deze werd door de samensteller gezien als een blauw soort madeliefje (‘Bellis coerulia’), maar andere botanici in die tijd beschouwden ze als een apart geslacht (Globularia) of noemden ze anders, bijvoorbeeld ‘Bellis sylvestris’.
Was het wel Cibo?
De vraag rees of het herbarium in de Biblioteca Angelica echt wel was samengesteld door Cibo. De bibliotheek in Rome zelf houdt er hardnekkig aan vast, Cibo is in Italië een geliefd kunstenaar. Maar al begin jaren ’20 hebben Italiaanse boekwetenschappers bezwaar gemaakt tegen deze toeschrijving, en ze hebben een punt. Geen van Cibo’s bloementekeningen is immers gebaseerd op gedroogde exemplaren uit de herbaria in Rome of Leiden. Ook vertoont zijn handschrift geen gelijkenis met dat in beide collecties en zijn er geen aanwijzingen dat hij ooit een herbarium heeft aangelegd. Bovendien lag het ‘Cibo-herbarium’ al in de Biblioteca Angelica voordat Cibo’s erfgenamen na zijn dood zijn boeken aan dit instituut overhandigden.
Excursieleider Petrollini
Er bestaan echter wél opvallende overeenkomsten tussen enkele opsommingen in het Romeinse herbarium en de lijsten plantennamen én het handschrift van een andere botanicus: Francesco Petrollini. Zijn geboorte- en sterfjaar zijn onbekend, maar hij studeerde in 1551 af als arts in Bologna en had er botanielessen gevolgd met Ulisse Aldrovandi, met wie hij later geregeld op botanische speurtocht ging. Ze schreven elkaar, waardoor we Petrollini’s handschrift goed kennen. Ze bezochten samen botanische tuinen, wisselden gedroogde specimina uit en trokken er met hun botaniseerspullen op uit rondom Bologna. Excursieleider Petrollini wist als geen ander waar de bijzondere kruiden uit de regio te vinden waren; zo bevindt zich in beide herbaria de zeldzame Bolognese boterbloem (Ranunculus gracilis). Hij verzamelde ook planten tegen betaling en uit opmerkingen over deze bezigheid kunnen we afleiden dat hij in 1555 aan een prestigieuze opdracht werkte: het En tibi-herbarium. Hij klaagde toen in een brief aan Aldrovandi dat hij niet kon voldoen aan zijn verzoek om meer gedroogde specimina op te sturen voor Aldrovandi’s eigen verzameling, want hij was ‘zelf bezig een boek te maken’. Later weigerde hij planten voor zijn collega uit zijn ‘eigen collectie te scheuren, want dan heb ik zelf niets meer’.
16de-eeuwse haren
Tussen de bladzijden van het Romeinse herbarium werden naast fragmenten afgebroken plantmateriaal ook haren van verschillende kleur en dikte aangetroffen. In het En tibi-herbarium zaten ook een paar haren, verloren en per ongeluk vastgeplakt onder de bladeren. Als deze haren van dezelfde persoon afkomstig waren, was dit het ultieme bewijs dat de twee herbaria afkomstig waren van een en dezelfde maker.
Zo makkelijk bleek het niet te zijn. DNA-analyse wees uit dat een stijve oranje haar en een sluike zwarte haar waarschijnlijk uit de lijmkwasten afkomstig waren. Vier haren waren duidelijk wel van menselijke oorsprong. Het ging echter om vier verschillende, niet aan elkaar verwante personen. Het is aannemelijk dat er destijds meerdere personen betrokken waren bij het vastplakken van de gedroogde planten op het papier.
Luxeobject
Het lijkt erop dat het omvangrijke Romeinse herbarium het steeds uitdijend werkherbarium van Petrollini was: een persoonlijke verzameling waar jarenlang nieuwe planten aan zijn toegevoegd, op verschillende types papier, provisorisch gekaft in vier delen met een aparte index, die telkens kon worden bijgewerkt naarmate de wetenschap vorderde.
Het En tibi-herbarium echter was een eenmalig luxeobject, een wetenschappelijke momentopname, vervaardigd met hoogwaardig materiaal, waarvoor een heel team aan het werk is gezet: botanische verzamelaars (Petrollini zelf, die duidelijk niet de eindregie had gezien het feit dat hij de spelfouten heeft moeten laten passeren), een aantal plakkers, schoonschrijvers en een boekbinder. Het moet omstreeks1558 voltooid zijn, gezien een specifieke combinatie van plantnamen die voorheen onbekend was.
Keizer Ferdinand
Dit herbariumproject was een dure onderneming die wel geïnitieerd moet zijn (en vooraf betaald) door een hooggeplaatst persoon met botanische belangstelling en kennis. Het herbarium behoorde ooit tot de bezittingen van Rudolf II, maar hij was in 1558 nog een klein kind. Wij denken dat het En tibi-herbarium is vervaardigd voor zijn grootvader, keizer Ferdinand I (1503–1564), die omvangrijke tuinen rond zijn paleizen liet aanleggen. Hij verzamelde curiosa uit de natuur en bovendien was zijn lijfarts de eerdergenoemde Mattioli. Het is goed denkbaar dat de vooraanstaande botanicus zijn werkgever heeft verteld over de nieuwe techniek om planten te drogen en dat Ferdinand een exemplaar van deze wetenschappelijke noviteit bestelde voor zijn collectie. Hij zal de hint in de titel gewaardeerd hebben. Mattioli op zijn beurt kende nog wel een botanische excursieleider in Bologna met geringe wetenschappelijke ambities die het geld goed kon gebruiken. Wellicht worden in de Habsburgse archieven ooit nog de ontbrekende bladzijden gevonden, die ons verhaal kunnen bevestigen of ontkrachten.
Nieuwe rubriek
In dit 16-de eeuwse herbarium vond men dus ook een van de oudste gedroogde tomaten uit de geschiedenis. Erg interessant voor kwekers, die op basis van dit DNA-materiaal meer te weten kunnen komen over de eeuwenoude oertomaat. Heb je nu de smaak te pakken voor nog meer geschiedenis over groenten, kruiden, knollen en andere etenswaren? In het nieuwe nummer van Geschiedenis Magazine vertelt Charlotte Kleyn over de geschiedenis van 'de gouden appel', de pomo d'oro, ofwel, je raadt het al: de tomaat. Dit is het begin van de nieuwe rubriek 'Wat van ver komt', waarin culinair historicus Charlotte Kleyn in elk nummer meer vertelt over de inmiddels zo vertrouwde ingrediënten zoals spinazie, aardappelen en bloemkool en hun reis naar de Nederlandse keuken.
Delen: