De eerste martelaar in de Noordelijke Nederlanden: Jan de Bakker op de brandstapel in Den Haag

Het is 15 september 1525, vroeg in de ochtend. Voor de Voorpoort van het Hof van Holland in Den Haag, de huidige Gevangenenpoort, staat een schavot opgesteld. Het Groene Zoodje, wordt deze plek genoemd. Al vanaf de 14de eeuw vinden hier publieke executies plaats. Dit keer is de stellage veel groter dan normaal: maar liefst veertig voet lang, meer dan dertien meter. Langs drie kanten zijn houten banken gezet en aan de vierde zijde een altaar. In het midden van het schavot staat een preekstoel. Het Hof van Holland heeft kosten noch moeite gespaard. Maar liefst duizend elzentakken zijn klaargelegd voor de brandstapel. Het Hof heeft zelfs een speciale overdekking laten maken door de stadstimmerman, voor als het zou gaan regenen. Het schavot is gebouwd voor de executie van Jan de Bakker van Woerden. Wie was hij? Waarom werd hij zo spectaculair terechtgesteld? En hoe ging dat precies in zijn werk?

Om negen uur ‘s ochtends betreden verschillende geestelijke en wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders het schavot. Een bisschop, de stadhouder van Holland, twee leden van de Geheime Raad, en de president, raadsheren en griffier van het Hof van Holland; in vol ornaat, met kappen, mijters, staffen en ringen, nemen ze plaats op de banken. Onder de aanwezigen zijn ook drie inquisiteurs. Zelfs de landvoogdes Margaretha van Oostenrijk, de tante van Karel V, is erbij, al zit zij bij de rest van het publiek.

Jan de Bakker op de brandstapel, prent uit ca. 1854 van Frederik Böger. In de 17de en 18de eeuw verschenen er vele prenten en geschiedenissen van Jan de Bakkers martelaarschap. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam, inv. nr. RP-P-1905-692).
 

Dan klimt Jan Jansz op het schavot. Nog maar 27 jaar oud is hij. Hij draagt een kazuifel, de religieuze kleding van een priester. Met een miskelk in zijn hand neemt hij plaats voor het altaar. Na het voorlezen van de aanklacht volgt het vonnis van de inquisiteurs: hereticus, ketter. Plechtig wordt Jan ontwijd: ‘zijn vingheren […] reyn gewasschen, zijn haer af gheschoren’. Zijn kazuifel wordt uitgetrokken; in plaats daarvan wordt hij in een geel gewaad gehesen en krijgt hij een gele muts op zijn hoofd, die het Hof speciaal voor de executie had laten maken. De kleur geel stond in de 16de eeuw symbool voor verraad – ketters, maar ook Joden, heidenen en ongelovigen moesten al vanaf de 13de eeuw gele tekens op hun kleding dragen. 

‘dat van hem geen memorie meer en zy’
De inquisiteurs en de geestelijken verlaten het schavot. Hun taak zit erop: Jan is nu overgeleverd aan de wereldlijke rechtbank, het Hof van Holland. Die veroordeelt hem tot ‘gebrant worden te polvre toe, zulcx dat van hem geen memorie meer en zy’. Na eerst te zijn gewurgd wordt Jan Jansz op de brandstapel gezet. Het veel pijnlijkere levend verbranden was in de Lage Landen toen ongebruikelijk, maar zou later die eeuw vaker worden toegepast bij ketterexecuties. 

Het uitgebreide ritueel – inclusief machtsvertoon, ontwijding, en verbranding – had als voornaamste doel om de verspreiding van de ketterij tegen te gaan. Maar het lijkt erop dat het aanwezige publiek niet overtuigd was van het spektakel. Jan Jansz zou in ieder geval niet uit de memorie verdwijnen. Zijn dood zou wijdverbreid bekend worden en hij zou geschiedenis ingaan als de eerste protestantse martelaar in de Noordelijke Nederlanden. Hoe kon de executie de plank zó misslaan? En waarom kreeg de dood van Jan Jansz zoveel bekendheid? 

Prent van Reinier Vinkeles (I), ca. 1780 - 1795, met de executie van Jan de Bakker in Den Haag. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam, inv. nr. RP-P-OB-78.464)
 

Van priester tot ketter
Jan Jansz was van redelijk bescheiden afkomst. Hij werd in 1499 geboren als zoon van de koster en steenbakker Jan Dirksz en groeide op in Woerden. Al vroeg kwam hij in aanraking met reformatorisch gedachtegoed, op de Latijnse school in Utrecht waar hij naartoe ging. De rector daar was Hinne Rode, een humanist die in persoonlijk contact stond met kerkhervormer Maarten Luther. Hoewel Jan Jansz zijn studie theologie voortzette in het katholieke bolwerk Leuven, werd hij al snel een aanhanger van Luthers gedachtegoed. Dat hij in 1522 al als zodanig bekend stond, belette niet dat hij in dat jaar ingewijd werd tot priester. 

In de Evangelisch Lutherse Kerk in Woerden hangt dit portret van Jan de Bakker. Het is geschilderd in 1684, vermoedelijk gebaseerd op een eind 16-eeuwse voorstelling. (Afbeelding: Evangelisch Lutherse Kerk Woerden, via Wikimedia Commons)
 

Maar Jan Jansz werd steeds radicaler in het verspreiden van zijn afwijkende religieuze ideeën. In zijn preken maakte hij de sacramenten, zoals de priesterwijding, de biecht, en de eucharistie belachelijk. In 1523 kwam Jan de Bakker daardoor in de problemen met de autoriteiten: hij werd gevangengezet in Woerden, maar al snel weer vrijgelaten. Het weerhield hem er niet van om de nieuwe leer te blijven uitdragen: zo vond hij dat een ‘priester wel een wijf mochte trouwen ende by haer slapen sonder sonde’. Hij voegde daad bij het woord en trad in 1524 in het huwelijk met Jacoba Jansdochter. Hoewel veel geestelijken het niet zo nauw namen met het celibaat, was een priester die openlijk verkondigde dat hij was getrouwd toch een ander verhaal. Het was een duidelijk signaal dat Jan de Bakker een aanhanger van Luther was; de kerkhervormer zelf was óók getrouwd. 

In de Grote of Sint-Jacobskerk in Den Haag werden glasramen geplaatst ter herdenking van de martelaar. (Afbeelding: Roel Wijnants via Wikimedia Commons) 
 

Nadat een pastoor Jan Jansz opnieuw aangaf bij de autoriteiten stelde Het Hof van Holland een onderzoek naar hem in, bijgestaan door drie inquisiteurs. In mei 1525 werd Jan de Bakker gevangengezet in de Voorpoort in Den Haag. In de daaropvolgende maanden verhoorden de inquisitieurs en de raadslieden van het Hof hem verschillende keren. Telkens bleef Jan Jansz zijn Lutherse ideeën herhalen. Jan was duidelijk niet af te brengen van zijn ketterij; de autoriteiten zagen geen andere keus dan hem ter dood te veroordelen.

Maar de spectaculaire en groots opgezette ontwijding en executie van Jan hadden niet het gewenste effect. Vlak na zijn dood werden er al liedjes over hem gezongen en hoe hij zo standvastig zijn dood tegemoet ging: hij zou bekend komen te staan als de ‘eerste martelaar in de Noordelijke Nederlanden’. Je leest meer over Jan de Bakker en de ketterijverbrandingen in het aankomende nummer 6 van Geschiedenis Magazine. Abonnees ontvangen dit nummer omstreeks 28 augustus. Dit nummer niet missen maar nog geen abonnee? Abonneer vóór donderdag 14 augustus, om dit nummer te ontvangen. Of haal het nummer na de verschijningsdatum in de boekhandel bij jou in de buurt of in onze online webwinkel.

Delen: