De Arbeitseinsatz: werken in het land van de bezetter

Meer dan een half miljoen Nederlanders werkten tijdens de Tweede Wereldoorlog gedwongen in nazi-Duitsland. Voor veel van de tewerkgestelden was het een levensbepalende gebeurtenis waar ze echter pas ver na de oorlog iets over wilden vertellen.

Dat Nederlanders in Duitsland werkten was niet nieuw. Al voor de oorlog stuurde Den Haag duizenden werklozen naar Duitsland, anders zou hun uitkering worden ingehouden. Vanaf mei 1940 zette de bezetter dit beleid voort, alleen nóg strikter. Ook volwassen inwonende zonen zonder eigen inkomen werden gedwongen (betaald) werk in Duitsland te aanvaarden. Voor de bezetter was dat nog niet genoeg. In september 1940 besloten de Duitsers daarom al een Rijksarbeidsbureau in het leven te roepen - in mei 1941 ging het van start. 

'Broedervolk'
De instelling viel onder het ministerie van Sociale Zaken en koppelde de vraag van Duitse ondernemers aan Nederlandse kandidaten en kreeg daarvoor de beschikking over een imposant bureaucratisch apparaat: 37 gewestelijke arbeidsbureaus en 143 bijkantoren met Nederlandse ambtenaren. Meer dan 200.000 mannen gingen in deze eerste fase via het Rijksarbeidsbureau in Duitsland aan de slag. Daarnaast vertrokken duizenden vrijwillig. Zo zag Hitler het het liefst: hij beschouwde de Nederlanders als een Germaans broedervolk dat natuurlijk graag in het Derde Rijk zou willen leven en werken. Inderdaad waren er die vanwege pro-Duitse sympathieën voluit kozen voor werken in het buurland, of die werden aangetrokken door propaganda over aantrekkelijke lonen en goede arbeidsomstandigheden. Voor anderen was dat ‘vrijwillig’ zeer betrekkelijk: ze zagen een vertrek naar Duitsland als hun enige kans om te ontsnappen aan werkloosheid en armoede.

Sauckel-acties matig succesvol
Liever goedschiks dan kwaadschiks was dus het uitgangspunt, maar dat veranderde naarmate de nazi’s serieuze militaire tegenslagen te verwerken kregen. Dat begon na operatie Barbarossa in juni 1941: Hitler had gehoopt de Sovjet-Unie met een overrompelende aanval te verslaan, maar de invasie liep uit op een jarenlange uitputtingsstrijd. Buitenlandse arbeidskrachten waren nu extra nodig om de Duitse oorlogsindustrie draaiende te houden. Hitler stelde daartoe in maart 1942 een Generalbevollmächtigter für den Arbeitseinsatz aan in de door Duitsland bezette gebieden. Deze Fritz Sauckel moest ervoor zorgen dat het aantal arbeidsmigranten snel opgekrikt werd.

Misleidende nazi-affiches over het aangename werken in Duitsland. Afbeeldingen van links naar rechts: Streekarchief Midden-Holland Gouda, inv. nr. 0037. 718 | inv. nr. 0037. 505 | inv. nr. 0037. 716)
 

Nu werden ook Nederlandse mannen mét een baan verplicht werk in Duitsland te aanvaarden en er kwam een quotum: binnen een jaar moesten ruim 200.000 arbeidskrachten aan de slag in Duitsland. De bezetter kamde daarvoor Nederlandse bedrijven die niet voor de Duitse oorlogsindustrie werkten uit op zoek naar ‘overbodige’, veelal ongehuwde en kinderloze, mannen. Deze ‘Sauckel-acties’ hadden niet het gewenste effect: men kwam niet verder dan 164.000.

En dat terwijl de behoefte aan verse arbeidskrachten juist groter was geworden. De strijd tegen de Sovjet-Unie was onverwacht taai en kostbaar, en door de aanval op Pearl Harbor in december 1941 hadden de Verenigde Staten zich bij de geallieerden gevoegd. Samen konden die veel meer wapens en munitie produceren dan de nazi’s. Hitler zette daarom zijn hele economie in dienst van de oorlog, en de bezette landen moesten ook hun deel leveren: vanaf het voorjaar van 1943 waren alle Nederlandse mannen tussen de 18 en 35 jaar verplicht zich bij de arbeidsbureaus te melden.

Grote groepen arbeiders wachten aan de Waalkade in Nijmegen op hun vertrek naar Duitsland i.v.m. tewerkstelling. Afbeelding: Regionaal Archief Nijmegen, J.F.M. Trum, GN15486).
 

Razzia’s en kampen
Toen van de 170.000 verwachte kandidaten er amper 50.000 kwamen opdagen, was voor de Duitsers de maat vol. Verscherpte controles door de nieuw opgerichte Arbeitskontrolldienst en intimiderende arbeidersrazzia’s moesten ervoor zorgen dat iedereen die moest, ook daadwerkelijk naar Duitsland vertrok. Daarbij zetten Duitse soldaten straten af, doorzochten huizen en hielden mannen in de gewenste leeftijdscategorie, die later verder werd opgerekt, op straat aan. Het leverde de Duitse economie tot het einde van de oorlog nog eens 120.000 Nederlandse arbeiders op. Onder hen de ruim 50.000 mannen die in november 1944 bij een grote razzia in Rotterdam en Schiedam werden opgepakt en afgevoerd. Dat diende nog een tweede doel: zoveel mogelijk weerbare mannen uit bezet gebied halen. Zij zouden anders wellicht de oprukkende geallieerden kunnen bijstaan. Uiteindelijk zijn meer dan een half miljoen Nederlandse mannen in Duitsland tewerkgesteld.

Het was erg moeilijk om onder de Arbeitseinsatz uit te komen. Sommigen wisten vrijstelling te regelen omdat ze onmisbaar waren op hun werk of in de privéomgeving. Of ze probeerden onder te duiken, maar een plek vinden was lastig. Men zwichtte voor dreigementen dat anders als represaille een familielid mee naar Duitsland moest. Opgepakte onderduikers en mannen die na een oproep niet kwamen opdagen, belandden in kamp Erika bij Ommen of Kamp Amersfoort. Daar leden ze honger, werden ze mishandeld en raakten ze uitgeput, om vervolgens alsnog naar Duitsland gesleept te worden. Ook slachtoffers van de razzia’s troffen het slecht. De Duitsers vervoerden hen in volgepropte goederenwagons en binnenvaartschepen naar Duitse doorgangskampen in onder andere Bentheim, Potsdam en Maagdenburg; sommigen legden de reis per voet af. Daar verbleven ze soms weken in uiterst belabberde omstandigheden tot hun nieuwe werkgevers, als ware het een slavenmarkt, de nieuwe arbeiders kwamen uitkiezen.

Foto genomen tijdens de Razzia van Rotterdam. In de Burgemeester Le Fèvre de Montignylaan worden mannen weggevoerd. (Afbeelding: Collectie H.F. Grimeijer, Gemeente Rotterdam (Stadsarchief), nr. 1980-5494)
 

Waterige koolsoep
Nederlanders belandden overal en nergens: van de industrie tot het openbaar vervoer in het hele Derde Rijk. Sommigen troffen het niet eens zo slecht: wie Duits sprak, een vakopleiding had gevolgd of nuttige vaardigheden bezat - denk aan studenten geneeskunde - had als het lukte om dat aan te tonen een grotere kans om aan de slag in een ziekenhuis, op kantoor of bijvoorbeeld als slager of bakker bij een familiebedrijf. De meesten waren echter niet zo fortuinlijk. Vanaf de economische mobilisatie in 1943 kregen Nederlanders vooral een plek in de vele machine- of munitiefabrieken, waar ze zwaar en eentonig werk moesten verrichten, zes of zeven dagen per week in diensten van tien tot twaalf uur. Wie in kamp Erika en/of Kamp Amersfoort was opgesloten, liep grote kans om aan het oostfront in Letland of Oekraïne terecht te komen om als SS-Frontarbeiter te werken aan legerbases of spoorlijnen.

De leefomstandigheden van de tewerkgestelden verschilden net zo sterk. Wie in de kleinschalige landbouw- en familiebedrijven geplaatst werd, kreeg vaak kost en inwoning; het bestaan hier was tamelijk overzichtelijk en kende soms zelfs enige menselijke warmte. De meesten belandden echter in één van de dertigduizend woonkampen. Dat waren grote of kleine locaties, van slaapzalen boven een herberg tot kampen met wel vijftig barakken, verspreid over heel Duitsland, waar buitenlandse arbeiders gehuisvest konden worden. Grote bedrijven zoals Siemens bouwden vaak hun eigen kampen. Het ontbrak daar meestal aan privacy en aan voldoende en gezonde voeding; er werd vooral waterige koolsoep geserveerd. De hygiëne was in veel gevallen ver ondermaats doordat er te weinig toiletten waren en vanwege het welig tierend ongedierte in de strozakken die als matras moesten dienen. Met name slachtoffers van arbeidsrazzia’s kwamen in erbarmelijke omstandigheden terecht.

In de kampen zaten Nederlanders samen met burgers uit andere landen. Die hadden echter niet allemaal dezelfde rechten. In januari 1941 hadden de nazi’s een rassenhiërarchie vastgelegd die onder andere de arbeidsvoorwaarden, huisvesting en straffen bepaalde. ‘Germanen’ - Nederlanders, Denen, Noren en Vlamingen - voerden die pikorde aan. Dan kwamen burgers van ‘niet-Germaans’ bloed, zoals Fransen, Tsjechen en Walen. Onderaan stonden de Ostarbeiter zoals Polen, Oekraïners en Russen, die ronduit miserabel behandeld werden en gescheiden leefden van de anderen. Deze hiërarchie betekende dat Nederlanders hogere posities kregen, betere betaling (gemiddeld veertig rijksmark per week voor een ongeschoolde baan, iets onder het Duitse gemiddelde) en meer vrijheden, zoals de mogelijkheid zich buiten de hekken te begeven of voor verlof even terug te keren naar huis. Maar ook de ‘Germaanse’ tewerkgestelden wachtten strenge straffen als ze regels overtraden of pogingen tot sabotage ondernamen, zoals diefstal, het bewust verkeerd afstellen van machines of een bestelling plaatsen bij locaties die al kapot waren gebombardeerd zodat levering van producten extra lang duurde.

Cijfers over de Arbeitseinsatz
Cijfers over de Arbeitseinsatz van Nederlanders zijn niet exact te geven omdat de administratie van tewerkgestelden hier en in Duitsland verloren zijn gegaan, door aanslagen van het verzet en geallieerde bombardementen. Bekend is wel dat van de ongeveer 1,5 miljoen Nederlanders die in aanmerking kwamen voor de Arbeitseinsatz, een derde daadwerkelijk is vertrokken. Vrouwen waren uitgesloten van de verplichte tewerkstelling. Toch werkten tijdens de oorlog naar schatting 30.000 Nederlandse vrouwen in Duitsland. Vaak ging het om grensarbeidsters uit de textielindustrie of echtgenotes die hun man nareisden. Volgens gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Rode Kruis zijn bijna dertigduizend tewerkgestelden overleden door ziekte, uitputting, ongelukken en bombardementen; 7500 mensen raakten vermist. In totaal zetten de Duitsers ongeveer acht miljoen buitenlandse burgers in voor de Duitse economie; daarbij zijn politieke gevangenen, Joden, Roma en Sinti in de concentratiekampen niet meegerekend. Ook krijgsgevangenen moesten vaak dwangarbeid verrichten.

Zwijgen werd de norm
Tegen het einde van de oorlog kregen de tewerkgestelden het allengs slechter. Door luchtaanvallen op Duitse fabrieken en het oprukken van de geallieerde troepen zagen de nazi’s zich telkens weer genoodzaakt om buitenlandse arbeiders te verplaatsen naar veiligere regio’s. Daar raakten de werkkampen steeds voller. Ook moesten de dwangarbeiders vaker bijdragen aan de verdediging, zoals het graven van anti-tankgrachten, of ze werden aan het puinruimen gezet in de vele platgebombardeerde steden. Zelf liepen ze ook meer kans om slachtoffer te worden van de bommenregens.
De Duitse capitulatie bracht niet meteen de vrijheid. Werken hoefde weliswaar niet meer, maar op eigen houtje naar huis proberen te komen - wat sommigen wel deden - was niet de bedoeling. Men moest vaak wachten tot het nieuwe geallieerde gezag hun repatriëring in gang zette. Dat kon maanden duren, en tewerkgestelden in het oosten van het voormalige Derde Rijk vielen vaak eerst nog in handen van de Sovjets. Die sloot hen eerst op in de goelaggevangenkampen waardoor de Nederlanders soms pas na jaren hun vaderland terugzagen.

 

Wie wel kort na de bevrijding naar huis kon, moest via opvanglocaties aan de grens, zoals scholen of kloosters, waar terugkerende arbeiders een medische controle dienden te ondergaan. Daar werden ze ook politiek doorgelicht, om te kijken of ze niet uit sympathie voor de nazi’s in Duitsland waren gaan werken. 

Bij thuiskomst wachtten vervolgens vaak ook de eerste verwijten. Waarom was iemand eigenlijk niet ondergedoken in plaats van bij de dragen aan de Duitse economie? Waarom had de tewerkgestelde zich gewillig laten wegvoeren tijdens een razzia? In sommige families werd dwangarbeiders verzocht om maar niet teveel te praten over hun tijd in Duitsland. Ook buitenshuis was zwijgen de norm: de regering stimuleerde dat Nederlanders zo gewoon en zo snel mogelijk weer hun oude bestaan oppakten en zich inzetten voor de wederopbouw. Voormalige tewerkgestelden hadden amper ruimte om hun verhaal te vertellen, laat staan eventuele positieve ondervindingen. Decennialang hielden ze daarom liever hun mond. 

Halverwege de jaren ’80 kwam daar verandering in toen de voormalige tewerkgestelden door hun pensionering meer tijd en ook behoefte kregen over hun verleden te praten en ermee in het reine te komen. De oprichting van de Vereniging voor ex-Dwangarbeiders (VDN) in 1987 droeg hieraan bij. De VDN zette zich in voor de verspreiding van verhalen over dwangarbeid en de geestelijke en fysieke gevolgen ervan, voor financiële compensatie en voor meer waardering van de voormalig tewerkgestelden. Vanaf dat moment groeide ook de publieke aandacht. Voor velen kwam de officiële erkenning op 4 mei 1991, toen tewerkgestelden voor het eerst werden genoemd tijdens de Nationale Herdenking op de Dam. Dat maakte hun ervaringen definitief onderdeel van de Nederlandse oorlogsgeschiedenis. 

Dit artikel verscheen in 2025, nummer 3, van Geschiedenis Magazine onder de titel: 'Werken in het land van de bezetter'.

Verder lezen
- Renske Krimp-Schraven, Tewerkgesteld. Getuigenissen van de Arbeitseinsatz, Boom, 2024
- Interviews met mensen die als jongeman de razzia van Rotterdam en de reis als dwangarbeider naar Duitsland hebben meegemaakt zijn te beluisteren via oorlogsbronnen.nl. 
- Informatie over Nederlanders die in Duitsland tewerk werden gesteld is te vinden bij het Nationaal Archief.

Delen: