Luizen! De strijd tegen 'ongedierte'
Jeuk veroorzaakt de hoofdluis altijd al. Maar waar de beestjes lang als een vervelende, maar natuurlijke vanzelfsprekendheid werden gezien, dienden ze vanaf de 18de eeuw kosten wat kost bestreden worden. Charlotte Meijer onderzoekt de achtergronden van onze toenemende walging voor de luis.
Insecten beleefden in de vroegmoderne tijd een ware renaissance. Opeens waren de tot dan toe onderbelichte diertjes het onderwerp van allerlei onderzoeken, schilderijen, tekeningen en gedichten. Ze stonden niet langer onderaan de ‘ladder der natuur’ - de ordening van het universum in een hiërarchisch systeem - maar bleken bij uitstek hét bewijs van Gods schepping. Of, zoals de Nederlandse insectenkundige Johannes Goedaert het in 1660 aan het begin van zijn driedelige boek over insecten, Metamorphosis Naturalis, formuleerde: ‘Nochtans sal uyt dese beschrijvinghe blijcken waerachtich te wesen, dat God door Natuyre inde cleynste dinghen aldermeest sijn wonderen vertoont; ja onghelijck meer dan selfs dickmael inde grootste schepselen’. Want wie anders dan God had zulke mooie ingenieuze wezens kunnen maken? Waar anders bleek ‘Zijn zorg’ uit, dan uit het (voort)bestaan van deze complexe doch vaak nauwelijks waarneembare ‘dierkens?’
Niet alle insecten konden echter op herwaardering rekenen. De luizen die zich voeden met mensenbloed (Pediculus humanus) riepen juist steeds sterkere afkeer op.
Spontaan ontstaan
Dat insecten lang zo laag op de ‘ladder der natuur’ stonden had te maken met hun wijze van voortplanten, of liever gezegd, het vermeende gebrek daaraan. De reproductie verloopt bij insecten vaak behoorlijk ingewikkeld: zo worden veel insecten ‘geboren’ als ei, groeien ze op als larve, veranderen ze in een pop en worden ze daarna pas volwassen. Zonder nauwgezette observaties is het lastig om vast te stellen hoe de beestjes aan nakomelingen komen. Hun voortplantingsorganen zijn alleen te zien wanneer ze sterk worden uitvergroot; de hiervoor benodigde microscopen werden pas in de 17de eeuw ontwikkeld. Dat een larve in het niets lijkt op het imago - de volwassen vorm van het insect - hielp hierbij ook niet mee.
Omdat insecten vaak gezien werden in de buurt van stof of rottende materie, bestond het idee dat ze hier spontaan uit zouden ontstaan. ‘Deze ‘spontane generatie’ ging in tegen alles wat men over natuurlijke voortplanting wist. Maar deze kennis betrof vooral zoogdieren, waarvan de reproductie goed te volgen is. Insecten leken daarentegen zomaar te verschijnen. Eigenlijk waren ze daarom niet eens dieren te noemen; het waren wezens die nog ‘lager’ stonden. Zelfs toen mede dankzij de ontleding van luizeneieren door Anthonie van Leeuwenhoek in 1675 de theorie van spontane generatie werd ondermijnd, bleven veel mensen argwanend.
Hemelse straf
Bovendien werden insecten lang gezien als een hemelse straf, een zienswijze die teruggaat op de drie plagen van Egypte uit het Oude Testament: sprinkhanen, muggen en steekvliegen. Dergelijke plagen vinden we ook in populaire profane literatuur, zoals een 16de-eeuws volksverhaal over een minnaar die zo geobsedeerd raakte, dat hij vergat voor zichzelf te zorgen: ‘Van haar veracht zijnde, wierd hy zo achteloos, dat hy, niet lettende op zijn eigen perzoon, van de luizen onthaald wierd, welke zulken gemeenschap met hem maakten, dat men ze daarna nooit weer geheel kon verdrijven. […] Dus gekneveld zijnde, stierf dezen rampzaligen Minnaar, als een razend beest, van de menigte der luizen, die tot in zijn keel quamen.’
Schoenen uitdoen
De Nederlandse Republiek stond in de 17de eeuw bekend om haar ‘zindelijkheid’. Reizigers van over de hele wereld merkten op hoe schoon de Nederlandse steden en huizen waren. Straten werden geschrobd en met zand bestrooid, en vrouwen hielden de toegang tot hun huis, de ramen en de keuken schoon. Tot groot vermaak van reizigers moesten gasten bij het betreden van sommige huizen zelfs hun schoenen uitdoen. Ook publieke plekken, zoals herbergen, waren volgens buitenlandse verslagen opvallend schoon.
Zuivelindustrie
Deze vroeg-Nederlandse - en vooral Hollandse - hang naar reinheid had waarschijnlijk te maken met de wijdverbreide zuivelindustrie. Om zuivelproducten van hoge kwaliteit te maken waren immers zeer hygiënische productieomstandigheden vereist, omdat ze anders een groter risico liepen snel te bederven. Dit zou ze ongeschikt maken voor verre afzetmarkten. ‘Zindelijkheid’ was daarom van groot belang voor de Hollandse economie. Mensen die van het platteland naar de stad migreerden, namen deze gebruiken met zich mee. Meiden die als huishoudster aan het werk gingen in stedelijke gezinnen introduceerden nieuwe hygiënische idealen. Bovendien werden zuivelproducten steeds vaker opgeslagen in de stad, en ook dat moest zo schoon mogelijk moest gebeuren.
Luiskruid
In deze schone huizen en steden was geen ruimte voor insecten. Zoals een populaire huishoudgids in 1878 schreef was ‘de onfylbaarste Remedie tegen allerhande Ongedierte zeeker de Zindelykheid’. In de 18de eeuw ontstond er een ware strijd tegen insecten in huis. De onderkruipsels werden niet langer geaccepteerd als onderdeel van het dagelijks leven, maar moesten op alle mogelijke manieren bestreden of zelfs gedood worden. Huisvrouwen werden aangemoedigd om middelen als terpentijn, rook en kwikzilver in te zetten. De groeiende angst voor beestjes in huis was ook terug te zien in de opkomst van een nieuw soort gidsen voor de bestrijding van ongedierte, zoals de Verhandeling over het uitroeijen van alle insekten (1856).
De kleine luis werden steeds meer gezien als een groot probleem. Men wilde er zo snel mogelijk vanaf. En die strijd werd met steeds zwaardere middelen gestreden. In het nieuwe nummer van Geschiedenis Magazine lees je er meer over. Abonnees ontvangen dit nummer omstreeks 9 oktober. Dit nummer niet missen maar nog geen abonnee? Abonneer vóór donderdag 25 september om dit nummer te ontvangen. Of haal het nummer na de verschijningsdatum in de boekhandel of in de online webshop.
Delen: