Baden in de middeleeuwse stad: hoe vies waren de middeleeuwers?

Als we ons een middeleeuwse stad voorstellen, verwachten we het ergste. Een modderig oord met ongezonde en ongewassen inwoners die niets weten over hygiëne. Maar ook in de middeleeuwen probeerden mensen vuil en ziektes uit te bannen. Daar gebruikten ze onder andere stedelijke badhuizen voor. Of waren dit verkapte bordelen? Dit dachten historici lange tijd, maar nieuw onderzoek toont aan dat de mensen wel degelijk naar de badhuizen gingen om schoon te worden.

‘Duizend jaar zonder bad’, zo omschreef de 19de-eeuwse historicus Jules Michelet de middeleeuwen. Deze visie is achterhaald. Men waste en baadde zich in deze periode geregeld. We weten het meeste van hoe het toeging bij de rijkste klassen, die uitgebreide badkamers lieten aanleggen in hun (stads)kastelen en paleizen. Gasten een bad aanbieden was een teken van gastvrijheid. Een bad was ook een ritueel onderdeel van kroningen en bruiloften; en is dat nog steeds van de doop. Verder waren al in de middeleeuwen warmwaterbronnen zoals in Aken of het Engelse Bath in gebruik als kuuroorden: medische ontspannings- en ontmoetingsplekken voor zowel mannen als vrouwen. 

Om schoon te worden hadden mensen op het platteland vaak wel beschikking over water, maar het gros van de stadsbewoners was aangewezen op openbare badhuizen. Een privébadkamer hadden alleen de rijken. Bezoekers kregen gastvrij een bad aangeboden. Misschien geldt dit ook voor deze Duitse ridder en minstreel, Jacob von Warte (Codex Manesse ca. 1305-1340, publiek domein).

 

Badhuizen
Daarnaast zijn er in heel Europa sporen teruggevonden van stedelijke badhuizen, in opgravingen maar ook in reisverslagen, literaire werken, kunst en archiefstukken. In deze stoven (Engels: stew, Frans: etuve, Latijn: stupha) werd zowel in stoomkamers als in houten tobben gebadderd. Deze badcultuur was geworteld in oude Romeinse en Germaanse gewoonten, maar ook beïnvloed door islamitische badgebruiken. Hoewel sommige historici betogen dat kruisvaarders deze badcultuur uit het Midden-Oosten mee naar huis namen, is de verspreiding vooral te verklaren door de verspreiding van islamitische medische werken in Europa, zoals dat van de geleerde Avicenna (980-1037).

Ook in de Nederlanden waren stoven. Maastricht en Leuven telden er rond de vijf, en in de grote steden Gent, Brugge en Antwerpen (20 000 tot 40 000 inwoners) zal het tussen de tien en vijftien per stad zijn geweest. 

Dat er badhuizen waren is dus bekend, maar er blijft nog veel onduidelijk. Wie gingen erheen? Hoe vaak gebruikte men ze? Hoe waren ze ingericht en wat was precies hun functie? Veel historici brengen de stoven vooral in verband met prostitutie. Badhuizen waren volgens hen chique plaatsen van vertier - men betaalde toegang - waar prostituees als een soort escortdames met gasten het bad deelden en later het bed in doken. Sommige stoven waren inderdaad verkapte bordelen, maar dat gold niet voor allemaal. Door gegevens uit allerlei bronnen te combineren, probeert nieuw onderzoek boven water te krijgen wat zich er eigenlijk afspeelde. 

Overlast verminderen
Een rijke bron voor dit onderzoek zijn de archieven van de stedelijke overheden. Stadsbesturen probeerden het doen en laten in de badhuizen aan banden te leggen. Zo beklaagden Amsterdamse beleidsmakers zich over de ‘leliken ende ooneerzamen, zundeliken daden’ in de stoven, veroorzaakt door het gemengd baden. Het motief voor de overheid om in te grijpen in deze doorgaans particuliere instellingen was echter niet alleen de ‘zondigheid’ van seksuele contacten in het openbaar. Omdat er vaak gegeten en gedronken werd in badhuizen, waren bezoekers soms luidruchtig en agressief. Zij veroorzaakten dan eenzelfde soort overlast voor de stad en buren als sommige taveernes en herbergen. Zo werd een badhuishouder in Deventer veroordeeld vanwege samenkomst van ‘mannen en vrouwen personen so dat daer wapengerucht en ander onstur (rumoer, baldadigheid) vaecke bedreven is.’ 

Een aantal steden verbood de badgangers in stoven te overnachten. Behalve het bewaken van de nachtrust en avondklok (zeer gebruikelijk in middeleeuwse steden) kan ook de strenge supervisie van vreemdelingen in de stad, vaak argwanend beschouwd als potentiële oproerkraaiers of zelfs criminelen, een reden zijn geweest dat een badhuis niet ook als herberg mocht fungeren.

Gescheiden in bad
Opmerkelijk is dat de stedelijke autoriteiten zelf een onderscheid maakten tussen ‘eerlijke’ stoven en badhuizen die eigenlijk bordelen waren. Zo wees het bestuur van Maastricht twee stoven achter de Onze Lieve Vrouwekerk aan als bordeel. Prostituees mochten op geen andere plek in de stad hun beroep uitoefenen. Uit pachtcontracten weten we echter dat er nog enkele andere stoven in de stad aanwezig waren, waarvan één in het bezit van een priester. Het is daarom aannemelijk dat Maastrichtse beleidsmakers met dit decreet de andere stoven wilden vrijhouden van seksuele associaties. 

Dit concept van ‘eerbaarheid’ is ook in Duitse, Franse en Engelse bronnen terug te vinden. Steden probeerden overlast van ‘oneerlijke’ stoven te voorkomen en tegelijkertijd de ‘eerlijkheid’ van een zeker aantal andere stoven te beschermen zodat deze hun hygiënische functie konden behouden. Maar hoe dacht men een stove ‘eerlijk’ te houden? De belangrijkste methode was het scheiden van mannen en vrouwen, ofwel in verschillende delen of in aparte badhuizen, wat alleen een optie was in grotere steden. Ook werd om verhulde prostitutie te voorkomen het aantal meisjes dat in het badhuis mocht werken beperkt. In Dordrecht moesten deze zogenaamde badmaagden bovendien ouder dan dertig jaar zijn. 

Badhuis met mannen en vrouwen, Virgilius Solis, naar Heinrich Aldegrever, 1524-1562 (Rijksmuseum, Amsterdam).

 

In bad tegen doofheid
Dat het lang niet in alle badhuizen om seks ging, valt ook af te leiden uit de medische literatuur van die tijd. Baden speelden een belangrijke rol in de ideeën over hygiëne en gezondheid. We vinden ze dan ook terug in allerlei Middelnederlandse gezondheidsvoorschriften, die aanraden het lichaam regelmatig te wassen en te baden, en nauwkeurig onderscheid maken tussen de werking van verschillende typen water, temperaturen en badtechnieken. Daarnaast vermelden chirurgische traktaten het bad als onderdeel van medicatie, vaak in combinatie met kruiden, bijvoorbeeld tegen huidziekten, gewrichtspijn, slechthorendheid en onvruchtbaarheid. 

Hoewel een bad als remedie voor deze laatste kwalen ons vreemd in de oren klinkt, past het perfect binnen de middeleeuwse geneeskunst. Ieder mens had immers vier humoren of lichaamssappen. De balans van deze sappen werd beïnvloed door externe factoren, zoals voeding, klimaat en lichaamsbeweging. Net als aderlaten was baden een techniek om de balans te behouden en afvalstoffen uit het lichaam te verdrijven. De vochtigheid en warmte van het bad zorgden dus niet alleen voor een schoon uiterlijk maar brachten vooral het innerlijke lichaam in beweging. 

Het is niet helemaal zeker of in de laatmiddeleeuwse Nederlanden deze behandelingen ook in de stedelijke badhuizen werden uitgevoerd. In Duitsland gebeurde dat wel. Hier waren badhuishouders net als barbiers aangesloten bij gilden. Archeologen hebben er bij opgravingen kammen en instrumenten voor het aderlaten gevonden. Voor Nederland zijn helaas geen vergelijkbare gegevens bekend, noch weten we van lidmaatschap van ‘stovers’ bij barbier- of chirurgijnsgildes. 

Een toilethuisje buiten
Gegevens over de bouw en het interieur van de stoven werpen ook licht op de medische en hygiënische praktijken in de middeleeuwse steden. De stadsrekeningen van Breda in de jaren 1490 bijvoorbeeld bevatten de uitgaven voor de bouw van een stove in de Visserstraat na een grote stadsbrand. De opsomming van materialen, zoals 36 000 bakstenen, 48 houten balken voor het interieur, twee grote ovens, een toilethuisje buiten en 23 000 dakpannen, geeft een prachtig inzicht in de constructie van een middeleeuws badhuis. Hoewel de rekeningen niets loslaten over de motivatie achter dit grote project, tonen ze wel dat het stadsbestuur een badhuis belangrijk vond en zich ervoor wilde inspannen. De stove werd namelijk geheel bekostigd door de stedelijke overheid en vervolgens verhuurd, eerst aan een echtpaar, later aan een vrouw. Zou de stad dit ook voor een bordeel gedaan hebben? 

De hoeveelheid stenen en hout in de Bredase rekeningen, aangevuld met archeologisch onderzoek uit Duitsland, maakt duidelijk dat stoven vrij grote gebouwen waren. De stove in Breda was vergelijkbaar met een stenen stadshuis maar zonder de grandeur en specifieke architectuur van bijvoorbeeld een Romeins badhuis. Er was een badruimte met mogelijk door panelen gescheiden delen voor mannen en vrouwen, een keuken waar eten en drinken voor de badgasten werd klaargemaakt en - zoals vaker het geval was - een afwateringssysteem of ‘gote’ naar de nabijgelegen stadsvest. 

Bordeel of badhuis?
De stove had ook een woonruimte op de eerste etage, met onder andere een kamer ‘waar de meisjes slapen’. Hoewel dit als een indicatie van prostitutie kan worden opgevat, is het veel waarschijnlijker dat het hier simpelweg gaat om het vrouwelijk personeel dat in het badhuis werkte. Naast het feit dat onwaarschijnlijk is dat het bestuur zoveel geld uit zou geven voor een simpel bordeel, zijn er hoe dan ook geen door de stad geëxploiteerde bordelen in middeleeuws Nederland bekend. We kunnen dus aannemen dat ook deze stove bedoeld was voor lichamelijke hygiëne en als ontspannings- en ontmoetingsplaats. 

Verhuurcontracten van stoven te Gent geven een glimp van de voorwerpen in een badhuis. Naast bedden en kostbaar beddengoed waren er allerhande emmers en kommen, waterketels en verschillende badkuipen, sommige geschikt voor meerdere personen. De aanwezigheid van bedden suggereert seksuele taferelen, maar dit hoeft niet het geval te zijn. Net zoals de bader in het gedicht ‘De Stove’ (1528) van Jan van den Dale, te lezen via de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren dbnl, zullen veel gasten na het baden op bed hebben uitgerust, zoals ook in medische bronnen werd aangeraden. 

Baden zijn een bekend thema op laatmiddeleeuwse en vroegmoderne schilderijen, zoals de Bijbelse badscènes van Bathseba en Susanna, waarin steevast een mannelijke voyeur de vrouwen bespiedt. Ook een zoektocht naar stoven levert in eerste instantie vooral erotisch getinte afbeeldingen op. Niet-erotische voorstellingen van stoven vinden we bijvoorbeeld in medische geschriften zoals in het Brusselse Tregement der Ghesontheit (1515). Hierbij gaat het duidelijk om de connectie tussen hygiëne en baden. 

De mooie Bathseba neemt een bad in de open lucht. Twee dienaressen helpen haar hierbij. Koning David ziet de jonge vrouw vanaf het dak van zijn paleis en wordt op slag verliefd. Hij is niet afgebeeld maar zijn aanwezigheid wordt gesuggereerd door het kasteel op de achtergrond. Cornelis Cornelisz. van Haarlem, Het toilet van Bathseba, 1594 (Rijksmuseum, Amsterdam).

 

Vuilnisophaaldienst
Het nieuwe onderzoek naar de verschillende stoven en hun functies maakt duidelijk dat het beeld van middeleeuwse stadsbewoners als onwetende viezeriken die het badhuis niet gebruikten om schoon te worden maar voor seksuele ontmoetingen, moet worden bijgesteld. Dit geldt ook voor het idee dat er in de middeleeuwen geen sprake was van stedelijke reiniging. Autoriteiten probeerden met zowel regels als voorzieningen om overlast van vuil en stank te bestrijden: van verboden op het dumpen van vuilnis en het rond laten slingeren van afval op straat, soms aangevuld met de bouw van vuilnisputten of een karren-vuilnisophaaldienst tot beperking van loslopende varkens en honden en quarantaine van pestlijders. Ook was er sprake van supervisie op de voedselveiligheid. Vlees en ander voedsel dat op de stadsmarkten te koop werd aangeboden, moest worden gekeurd. 

Het heersende simpele beeld is dat de middeleeuwe stadsbesturen alles maar op hun beloop lieten en dat de stedelingen vieze kinkels waren. Maar dat klopt niet. Binnen wat men toen wist van gezondheid en hygiëne, wat duidelijk wordt in bijvoorbeeld de traktaten over medische baden, probeerde men zich zo verstandig mogelijk te gedragen. We krijgen een veel beter beeld van het verleden als we de situatie van toen niet beoordelen naar moderne normen maar proberen te bekijken welke ideeën er precies leefden en welke invloed zij hadden op de dagelijkse praktijk. Met andere woorden, op het gebied van reinheid verdient de middeleeuwse stad een frisse blik. 
 

Verder Lezen
• Virginia Smith, Clean. A history of personal hygiene and purity, Oxford University Press, 2007
• Carole Rawcliffe, Urban bodies. Communal health in late medieval English towns and cities, The Boydell Press, 2013    
• Guy Dupont, Maagdenverleidsters, hoeren en speculanten. Prostitutie in Brugge tijdens de Bourgondische periode (1385-1515), Van de Wiele, 1996
 

Delen: