De sluiting van de laatste steenkolenmijn in Limburg
Sinds het begin van de 20ste eeuw had de steenkoolwinning een stempel gedrukt op het dagelijks leven in Zuid-Limburg. Het bracht welvaart en werkgelegenheid, maar de kosten waren hoog: veel mensen werkten jarenlang ondergronds in de mijnen onder zware en ongezonde omstandigheden. Op 31 december 1974 sloot de laatste kolenmijn in Limburg. Waarom kwam er toen een einde aan de steenkoolwinning? En wat waren de gevolgen voor de Limburgse bewoners?
Het was donker in Heerlen toen op oudejaarsdag in 1974 rond zeven uur in de avond echt de laatste kolenwagen uit de mijn Oranje-Nassau I naar boven kwam. De directie schonk vervolgens het allerlaatste in Limburg gedolven stuk steenkool tijdens een sobere plechtigheid in het gemeentehuis aan burgemeester Gijzels. Het brok ‘zwart goud’ kreeg een plek in het plaatselijke oudheidkundig museum. De burgemeester zag in dit speciale moment geen enkele reden tot blijdschap: ‘Dit is een dag van droefenis. Het sluiten van de mijnen heeft voor heel veel mensen trieste gevolgen.’ Gijzels had gelijk. Decennialang had de steenkoolwinning het dagelijks leven in Zuid-Limburg bepaald. Waarom kwam daar toen een einde aan?
Alle mijnen moesten binnen tien jaar dicht
Toenmalig minister van Economische Zaken Joop den Uyl had dat einde al bijna tien jaar eerder aangekondigd, op 17 december 1965 tijdens een speciaal hiervoor belegde bijeenkomst in de Heerlense schouwburg. Het kwam niet als verrassing. De eerste donkere wolken waren in 1958 verschenen, toen spotgoedkope kolen uit de Verenigde Staten de vraag naar Limburgse kolen, die moeilijk te delven waren en dus duur, deed kelderen. Buitenlandse mijnen, ook die in buurlanden België en Duitsland, kregen vaak ook nog eens meer overheidssteun dan de Nederlandse. Daarnaast kwam er steeds meer olie uit het Midden-Oosten. De vondst van het aardgasveld bij Slochteren in 1959 gaf de doorslag. Volgens Den Uyl moest de overheid elk jaar 180 miljoen gulden bijleggen om de mijnen open te houden, vergelijkbaar met wat het kabinet in dat jaar aan volksgezondheid uitgaf. De conclusie was simpel: alle mijnen moesten binnen tien jaar dicht.
Dat ging om twaalf locaties. De behoefte aan het ‘zwarte goud’ was met de industrialisatie sterk toegenomen, de twee bestaande kleinschalige mijnen in Kerkrade konden de vraag niet aan en particuliere investeerders uit Duitsland, België, Frankrijk, Engeland en Nederland sprongen in dat gat. Ze richtten rond 1900 nieuwe mijnbedrijven op die met een vergunning van de Nederlandse overheid de kolen uit de Limburgse grond mochten halen. De eerste moderne particuliere mijn de Oranje-Nassau, startte zijn productie in 1899, de Willem-Sophia begon in 1902 in Spekholzerheide, de Laura & Vereeniging in 1905 in Eijgelshoven. In totaal kwamen er negen particuliere mijnen, al sloot een ervan begin 20ste eeuw.
In handen van de staat
Onderzoek door de Nederlandse regering wees echter uit dat exploitatie door de staat gunstiger zou zijn: die kon dan invloed uitoefenen op de verkoopprijs, de winst naar de schatkist laten vloeien, en zorgen voor goede werkomstandigheden. Daarnaast maakte de overheid zich zorgen over de toenemende zeggenschap van buitenlandse investeerders over de Limburgse bodemschatten. Den Haag vreesde daarbij dat nieuwe particuliere mijnbedrijven allemaal in een kort tijdbestek nieuwe groeven zouden openen. Hiervoor waren in de streek zelf te weinig arbeidskrachten beschikbaar en er zouden dan dus mijnwerkers uit het buitenland, zoals Polen en Italië, gehaald moeten worden. Die massale immigratie zou de Limburgse samenleving ontwrichten.
In 1902 richtte de overheid daarom Staatsmijnen in Limburg op, een de door de staat gefinancierde onderneming die vervolgens de Wilhelmina, Emma, Hendrik en Maurits bouwde. Particuliere ondernemers kregen geen concessies meer.
Kameraadschap en gehoorzaamheid
De vier staatsmijnen en acht particuliere leverden steenkolen aan de industrie, aan huishoudens voor in de kachel, en als grondstof voor elektriciteitscentrales en de productie van staal, zowel in binnen- als buitenland. In 1958 waren ze goed voor bijna 45.000 duizend banen, terwijl nog eens 30.000 anderen hun brood verdienden met werk dat de mijnen bij toeleveringsbedrijven in de regio creëerden, vooral in de metaalindustrie. De lonen van mijnwerkers lagen door de zware omstandigheden en de moeite die het kostte nieuwe krachten te vinden bijna twintig procent hoger dan het gemiddelde landelijke salaris.
De mijnen waren niet alleen werkgevers, ze oefenden samen met overheden, kerk en de katholieke vakbonden, met name de Nederlandse Rooms Katholieke Mijnwerkersbond (NKMB), ook grote invloed uit op de Limburgse samenleving. Jongeren kregen al tijdens hun opleiding tot koempel aan de Ondergrondse Vakschool ingeprent dat alles draaide om saamhorigheid, trouw, eerbied en gehoorzaamheid. Samen met de goede salarissen gaven deze waarden de mijnwerkers niet alleen een gevoel van kameraadschap en status, ze waren ook werkelijk cruciaal tijdens het risicovolle werk onder de grond. Daarnaast zorgde het mijnbedrijf voor betaalbare woningen vlakbij het werk, voor riolering en wegen. Werknemers ontvingen vakantietoeslagen en gratis kolen. Het in Zuid-Limburg uitbundige verenigingsleven kon rekenen op financiële steun en de mijnondernemimgen betaalden ook mee aan de bouw van kerken en zwembaden.
Onder druk
Voor koempels en hun gezinnen was Limburg nog tot een eind in de jaren ’60 een geborgen en veilige wereld, maar die vertrouwde omgeving kwam steeds meer onder druk te staan. In eerste instantie waren het de invloedrijke NKMB en Staatsmijnen zelf die Den Haag begin jaren ’60 duidelijk maakten dat de mijnen dicht moesten: doorgaan werd te duur gezien de concurrentie en de hoge exploitatiekosten. De banen lagen in andere sectoren voor het oprapen, maar de regering moest er wel rekening mee houden dat dat wellicht niet alle mijnwerkers die hun betrekking verloren zou helpen. Ook zouden bedrijven verbonden aan de mijnindustrie getroffen worden. Daarom moesten er nieuwe ondernemers naar Limburg komen, voor extra werkgelegenheid en een nieuwe nijverheidssector. Die ondernemingen kwamen natuurlijk alleen als de (ex-)mijnwerkers ook daadwerkelijk beschikbaar waren. De regering diende daarom zo snel mogelijk met de sluiting te beginnen en tegelijkertijd te investeren in nieuwe industrie.
Buitenland In de opbouwfase van de Limburgse steenkolenwinning begin 20ste eeuw was vooral bij het werk ondergronds veel meer mankracht nodig dan voorhanden was. Alle mijnbedrijven, na 1914 óók Staatsmijnen dat liever alleen Nederlandse arbeidskrachten wilde aannemen, trokken buitenlandse werknemers aan, vooral Duitsers, Belgen en Oostenrijkers, maar ook Polen en Slovenen. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen ook steeds meer Hongaren, Tsjechen, Russen en Italianen naar de mijnstreek. Eind 1930 was 32 procent van alle mijnwerkers in Nederland buitenlander, een verdubbeling sinds 1918. Tijdens de crisisjaren daalde hun aantal op de loonlijsten sterk, om na de oorlogsjaren weer te groeien. Toen waren onder hen steeds meer Spanjaarden, Grieken en Marokkanen.
Den Uyl ging hierin mee. Tijdens de bijeenkomst in Heerlen in 1965 onderstreepte hij dat de mijnen alleen dicht konden onder de voorwaarde dat er ‘redelijk uitzicht was op vervangende werkgelegenheid’. Daarnaast moest de overgang zo soepel en sociaal mogelijk verlopen. Staatsmijnen nam met steun uit Den Haag een uitgebreid pakket aan maatregelen: ouderen konden met vervroegd pensioen en voor jongeren en werknemers van middelbare leeftijd waren herscholingsprogramma’s beschikbaar. Ze kregen ook passend ander werk aangeboden. Mijnwerkers die niet meer in staat waren van baan te wisselen, konden terecht in de sociale werkvoorziening.
Verder trok de overheid de portemonnee om met aantrekkelijke premies bedrijven naar de streek te lokken. Door te investeren in nieuwe wegen en bruggen, toerisme, een academisch ziekenhuis en een universiteit probeerde men de regio aantrekkelijker te maken voor nieuwkomers. De minister beloofde daarnaast dat er Rijksinstellingen in Limburg zouden worden gevestigd.
Werk bij DAF en DSM
Den Uyl had volledig vertrouwen in een goede afloop: ‘Ik ontken en misken niet, dat voor velen deze maatregelen een heel hard gelag zullen betekenen. Maar ik geloof dat daarboven uitgaat de redelijke zekerheid die, dacht ik, hier gegeven wordt dat hier in Zuid-Limburg nieuw werk en nieuw leven en een nieuwe samenleving zijn fundamenten zal kunnen vinden,’ zo stelde hij in Heerlen in 1965.
Tijdens de wederopbouw schreeuwde het land om kolen, en Nederland moest die uit Limburg halen: invoer uit andere landen was nagenoeg onmogelijk omdat ook daar tekorten bestonden. De productie viel in de eerste jaren na de bevrijding echter tegen: door geldgebrek konden versleten machines en ander materiaal niet worden vervangen, infrastructuur om kolen te vervoeren was beschadigd, Duitsers hadden bij hun vertrek installaties vernield, en personeel zocht zijn heil ergens anders. De kolen uit Limburg waren daardoor niet alleen cruciaal voor, maar ook de achilleshiel van het economische en sociale herstel van Nederland na de oorlog.
De plannen die den Uyl presenteerde waren afkomstig uit de ‘Nota inzake de mijnindustrie en de industriële herstructurering van Zuid-Limburg’ waar ook de Tweede Kamer op 15 maart 1966 mee instemde. Vanaf dat moment zorgden overheidssubsidie en financiële steun van Staatsmijnen voor de komst van een personenautofabriek van DAF (nu VDL Nedcar) in Borne in 1968. Curver, dat huishoudelijke artikelen van kunststof maakte, trok naar Brunssum. Het aantal kantoorbanen nam toe door het verplaatsen van het Centraal Bureau voor de Statistiek en pensioenfonds ABP vanuit Den Haag naar Heerlen. Veel gewezen mijnwerkers konden aan de slag in het chemische bedrijf van Staatsmijnen in Geleen, dat al decennia een bepaald type steenkool verwerkte tot producten als kunstmest en ammoniak. Dat onderdeel van Staatsmijnen kreeg vanaf nu alle aandacht; het groeide uit tot het internationaal vermaarde chemiebedrijf DSM (Dutch States Mines).
Machteloos
Toch liep het allemaal niet zo voorspoedig als gepland: de netto werkgelegenheid in Limburg nam snel af. Eind jaren ’60 waren door de mijnsluitingen al 28.000 banen verdwenen, terwijl de vestiging van andere bedrijven en de komst van overheidsinstellingen maar voor 6000 nieuwe had gezorgd. Eerst was dat niet zo’n punt, er was veel werk, ook in Duitse mijnen, maar toen de oliecrisis van 1973 een economische teruggang veroorzaakte, explodeerden de werkloosheidscijfers in Zuid-Limburg. Uiteindelijk wisten via herscholing en arbeidsbemiddeling nog eens enkele duizenden mijnwerkers een nieuwe baan te bemachtigen. Dat waren vooral jongeren. Het gros ging met pensioen, overleed - al dan niet aan beroepsziekten zoals stoflongen -, maakte gebruik van de sociale werkvoorziening of een overbruggingsregeling tot ze op hun 65ste AOW kregen, eventueel aangevuld met een pensioen.
Veel mijnwerkers ontvingen overigens een lager pensioen omdat ze niet aan het vereiste aantal dienstjaren hadden voldaan en door de hoge inflatie in de jaren ’70, gemiddeld 7 %, holde de koopkracht nog eens extra uit. Veel ex-koempels konden amper in hun bestaan voorzien. Maar ook het sociaal-culturele leven leed onder de situatie. Degenen die een baan bij een van de nieuwe bedrijven hadden bemachtigd, ontvingen vaak niet alleen een lager inkomen maar verloren hun nieuwe betrekking ook alweer snel: de subsidies hadden vooral veel zwakke ondernemingen naar Limburg gelokt. Bij het eerste zuchtje economische tegenwind vielen ze al om, zoals Caja (kinderwagenwielen), Burex (tandenborstels/wc-borstels/verfkwasten) of Everts&Van der Weijden (schroefbouten). Veel jonge gezinnen vertrokken daarom naar elders in Nederland wat een grote aanslag betekende op de sociale cohesie, meer specifiek op het voorheen verbindende verenigingsleven.
Het nieuwe werk bood veel minder onderlinge verbondenheid en teamgeest dan de ex-koempels die in hun jaren ondergronds hadden ervaren. Veel ouderen die thuis zaten, voelden zich machteloos omdat ze dit nieuwe leven tegen hun zin moesten accepteren. Wat vertrouwd was, was nu voorgoed voorbij. Met de sluiting van de laatste mijn kwam voor Limburg meer dan alleen een ondergrondse wereld ten einde.
Dit artikel verscheen eerder in 2024, in nummer 8, van Geschiedenis Magazine onder de titel: ''Een dag van droefenis''.
Delen: