18de-eeuwse tuinrage: Romantische schrijvershutten in het groen

Pieter Corneliszoon Hooft had in zijn tuin bij het Muiderslot een schrijvershut. Betje Wolf en Aagje Deken beschikten over een eenvoudig hutje van riet in hun tuin in Middenbeemster. Ook andere buitenplaatsbezitters met literaire aspiraties lieten een ‘hermitage’ bouwen om hier in alle rust te kunnen denken en schrijven en de ‘ongerepte natuur’ te ervaren. Conrad Gietman en Hanneke Ronnes roepen ze voor ons op.

Schrijvers en geleerden hadden zich al vanaf de oudheid regelmatig teruggetrokken in tuinpaviljoens en kluizen, en deze praktijk kreeg in de 17de eeuw op de Nederlandse buitenplaats een vervolg. De stuwende kracht achter de opkomende buitenplaatscultuur was een diep gekoesterd verlangen naar afzondering. Ieder voorjaar trokken regenten, kooplieden en renteniers vanuit de stad naar het platteland, maar kennelijk was dat voor sommigen nog onvoldoende: binnen de kleine kosmos van de buitenplaats bleef behoefte aan nóg meer besloten vrijheid bestaan.

Pieter Corneliszoon Hooft liet in de tuin van het Muiderslot een torentje bouwen, waarin hij zomers las en schreef. In dit ‘afgescheiden kluiske’ zocht de ‘Prins der Poëten’ de eenzaamheid, stelde Joost van den Vondel in 1628 in een lofdicht. Ook in de tuin van Hofwijck in Voorburg schijnt een hermitage te hebben gestaan. Eigenaar en bouwheer Constantijn Huygens modelleerde de plattegrond van zijn buiten naar het menselijk lichaam. Dat is algemeen bekend, maar bijna niemand weet dat Huygens in zijn gedicht Hofwijck uit 1653 kluisjes van eikenhout in het bosje bij het huis noemt.

Uitgedost als kluizenaar
Ruim een eeuw na Huygens en Hooft kregen de hermitages als tuinsieraad een nieuw leven, en dit liep uit op een heuse rage: eerst in Engeland en Frankrijk, vanaf de jaren 1770 ook in Nederland. In 1785 was het fenomeen al zo wijdverspreid dat de adellijke familie Van Heiden Reinestein als vanzelfsprekend een hermitage opnam in een amateurtoneelstukje dat op Laarwoud werd opgevoerd ter ere van de verjaardag van de vrouw des huizes. Uitgedost als kluizenaar zong een zoontje (op al bestaande muziek) in de tuin van deze Drentse buitenplaats dat hij zich in een ‘retraite obscure’ wilde gaan wijden aan het beschouwen van de natuur.

Ontwerp voor een hermitage als tuindecoratie, door Pieter Barbiers, 1782-1831. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam, nr. RP-T-1955-68).
 

Woeste wildernis
De hermitage-rage kon zich zo ontwikkelen en verspreiden door de natuurbeleving die in deze tijd opkwam, de vroege romantiek. Die draaide vooral om het ervaren van het ‘sublieme’, wat men zocht in ontzagwekkende uitzichten en woeste wildernissen. In de Nederlandse natuur ontbraken die grotendeels, maar tuinarchitecten imiteerden ze in landschappelijke tuinen. Ze legden bijvoorbeeld cascades (getrapte watervalletjes) en rotspartijen aan, maar ook ruïnes, grafeilanden en quasi-afgelegen kluizenaarshutten. Deze moesten wandelaars en bezoekers aanzetten tot melancholieke gedachten over leven en dood en tot het scheppen van kunst.

De Gelderse edelman Assueer Adolf baron Torck bijvoorbeeld liet niet ver van zijn kasteel Rosendael bij Arnhem in het heuvelachtige veld recht tegenover een watervalletje een hutje van riet en sparrentakken optrekken. De Verlichte dichter-dominee J.F. Martinet beschreef de enscenering uitvoerig in zijn veelgelezen Katechismus der natuur (1777-1779), waarin hij natuurbeschrijvingen verpakte als een ode aan Gods schepping. In halve cirkels aangeplante bomen moesten de ervaring nóg indrukwekkender maken: ze zorgden er ook voor dat de minder spectaculaire omgeving de wandelaars niet afleidde. Het was immers de bedoeling, aldus Martinet, dat ze ‘door eene grootsche beschouwing’ werden getroffen. Vlakbij liet de baron op heuveltjes nóg twee eenvoudige hutten inrichten, – dit allemaal om meer bezoekers te laten genieten van de ‘eenzaamheid der plaats.’

Sobere hutjes
De meeste hermitages waren net als de sobere hutjes in het Rozendaelse veld opgetrokken uit houten schotten, stro, veldstenen of takken. Binnen stonden vaak wat stoelen, een bed en vanitas-attributen die eindigheid symboliseerden en tot contemplatie moesten aanzetten, zoals een doodshoofd, zandloper, boeken, een doodskist en heremietpop. Het interieur gaf bezoekers de indruk dat hier echt iemand leefde; een enkele keer werd hiervoor ook een kluizenaar ingehuurd. Anderzijds kon de hut ook uitnodigen zélf die kluizenaar te worden en hier een tijdje in eenzaamheid door te brengen. Op de buitenplaats Velserbeek bij Velsen bracht een pont de bezoekers eerst naar een eilandje. Wanneer ze dan de trap naar de hermitage opliepen, trok de veerman aan een ijzerdraad die verbonden was met een heremietpop. Die heette zijn gasten met grote armgebaren welkom. Het gebeurde ook wel dat mechanische houten kluizenaars in doodskisten zich bij binnenkomst van bezoekers oprichtten en met hun skelethandje naar een bord wezen waarop de tekst ‘memento mori’ stond.

Hermitage in het park van Biljoen bij Arnhem. Voorstudie van Christian Henning voor een souvenirprent, 1790-1791. (Afbeelding: Gelders Archief, nr. 1551 - 1495)
 

De hand van Rousseau kussen
Een cruciale rol in de verspreiding van de rage speelden de Franse filosoof Jean- Jacques Rousseau en zijn bestseller Julie (1761), waarin liefde en natuur boven godsdienst, samenleving en wetenschap worden gesteld. Rousseau schreef deze briefroman in een hermitage even ten noorden van Parijs, en ook in het boek draait het om het zoeken van afzondering in de natuur. Julie bevat bovendien een beschrijving van de eerste Franse tuin in landschapsstijl – een tuin op papier die talloze eigenaren van kastelen en buitenplaatsen zou inspireren om hun oude klassieke tuin met rechte lijnen en paden op de schop te nemen en te veranderen in een ‘natuurlijke’ tuin.

Rousseau had talloze bewonderaars. Sommigen bekenden hem per brief dat ze zijn boek huilend hadden uitgelezen, en vertelden over de zielenpijn en vervoering die ze daarbij ervoeren. Tot zijn fans behoorde het schrijversduo Betje Wolff en Aagje Deken. De laatste schreef in 1774 zelfs dat ze erover fantaseerde op bedevaart naar Frankrijk te gaan en Rousseau de hand te kussen. Op het landgoed Lommerlust in Beverwijk lieten Wolff en zij na het succes van hún bestseller Sara Burgerhart een rieten schrijfkluisje bouwen. De rust waar ze op hoopten kregen ze hier niet, omdat ze telkens weer werden lastiggevallen door hun eigen fans.

Wolff en Deken voeren in hun romans meer dan eens hermitages en schrijfhutjes op, al blijven het vaak decorstukken. Heel anders gaat het eraan toe in het werk van de Zwolse dichter Rhijnvis Feith. Eenzame graven, hutjes van leem, stro of boomschors vormden voor hem een onweerstaanbaar beeld. Ze gaven uitdrukking aan zijn denkbeelden over liefde, lijden en sterfelijkheid en aan zijn verlangen naar ongerepte natuur. Dat zien we bijvoorbeeld in zijn verhaal ‘De hermiet’ over een jonge man die na een ongelukkige liefde maar direct naar een afgelegen plek vertrekt met dichtbegroeid bos en een graftombe. Op zijn buitenplaats Boschwijk bij Zwolle zou Feith later een park aanleggen met slingerende beekjes, een eenzaam dennenbos, oevers met nachtviolen, en, uiteraard, een hermitage.

Nadenken over je gebreken
Nauwelijks minder intens of romantisch is de natuurbeleving in de verzen en romans van Elisabeth Maria Post. Zelf zocht de schrijfster een tijdlang vooral de natuur op in de landschapsparken Beekhuizen en Biljoen ten noorden van Arnhem. Ze kwam hier op uitnodiging van eigenaar Johan Willem Frederik baron van Spaen, een estheet en tuinliefhebber die zich opstelde als haar patroon en haar het gebruik van de hermitages in zijn parken toestond. Voor Post symboliseerden hermitages een verlangen naar wat ze zelf ‘gelukkige eenzaamheid’ noemde.

We zien dat verlangen terug in haar Reinhart of Natuur en Godsdienst (1791-1792). Deze briefroman over het innerlijke leven van de gevoelige, gelijknamige hoofdpersoon is tegelijkertijd een aanklacht tegen slavernij. Reinhart woont in zijn hutje l’Heureuse Solitude te midden van vrijgemaakte slaven op een afgelegen plantage in Guyana. Verlangend naar meer afzondering laat hij in het oerwoud van takken een onderkomen bouwen. In deze kleine ‘tempel’ denkt hij na over zijn eigen gebreken en wil hij de god van de natuur dienen. Reinhart verwoordt waarschijnlijk de fantasieën die Post zelf als meisje al had over een leven in een ‘stille hut’ of schrijfcel, ver van het ‘woelen van de wereld’. Toch beleefde ze haar gelukkigste momenten niet alleen, bekent ze in haar bundel Gezangen der liefde, maar in het ‘zalig uurtje’ dat ze samen met haar geliefde in de hermitage van Biljoen doorbracht: ‘Wij voelden al de schoonheid/ Van dit betovrend plekje,/ Verdubbeld door de liefde,/ En waren gantsch gevoel.’

Mecenas Van Spaen liet in 1820 een gedicht van haar opnemen in het boekje Geldersch Arkadia, een wandelgids met gedichten voor wandelaars in zijn landschapsparken Beekhuizen en Biljoen. In de gids, die drie drukken beleefde, werden pastorale verzen verbonden met specifieke plekken in de parken. Het gedicht van Elisabeth Maria Post bijvoorbeeld konden wandelaars het best lezen in de kluizenaarshut van Biljoen. Bij een grote cascade op Beekhuizen had Van Spaen al jaren eerder in een theepaviljoen een gastenboek laten neerleggen, waarin bezoekers hun romantische natuur- en zielservaringen mochten schijven. Schrijven als therapie dus – ook toen al.

Schrijversportret op de titelpagina van de roman Reinhart door Elisabeth Maria Post, 1791. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam, nr. RP-P-OB-65.758)
 

Onbegrepen gebouwtjes
Voor Johan Frederik Willem van Spaen waren zijn spirituele wandelparken bittere ernst. Maar niet iedereen die hier kwam wandelen, leefde in het esthetische universum van de baron. Sommige bezoekers lieten in het gastenboek grappig bedoelde gedichten of obscene kreten achter. Eén wandelaar produceerde ter plekke een spotvers waarin hij de adel belachelijk maakte en klaagde dat hij niet genoeg ‘te vreten’ kreeg. Keer op keer sneuvelden ook de tekstborden met hoogdravende gedichten die in het park waren aangebracht. Waarschijnlijk kwam dat vandalisme vooral vanuit de dorpsbevolking van Velp.

Maar de gezwollen retoriek rond de hermitages riep ook in ‘beschaafde kringen’ kritiek op. Jacob van Lennep bijvoorbeeld was in 1823 helemaal niet te spreken over de verzen die hij aantrof in de hermitage van de niet ver van Biljoen gelegen buitenplaats Rhederoord: ‘een album vol belachelijke geschriften en verzen’, zo oordeelde hij in het dagboek dat hij bijhield tijdens zijn voettocht met Dirk van Hogendorp door Nederland. Een decennium later was er nauwelijks iets over van de romantische sentimenten die de hermitages aanvankelijk hadden opgeroepen. Meer en meer werden ze alleen nog maar gezien als grappige gebouwtjes om simpelweg plezier in te maken.

Dat blijkt wel uit de geschiedenis van de als ruïne gebouwde hermitage van de buitenplaats Frankendael in de Watergraafsmeer. In 1835 liet de uitbater van de pleziertuin van Frankendael een beweegbare kluizenaarspop in de hermitage zetten. Op doordeweekse dagen trok de attractie vooral publiek uit de hogere standen. Maar op feestdagen namen joelende Jordanezen de theetuin en de hermitage over. Totdat ze het in 1867 zo bont maakten, dat de theetuin werd gesloten en de houten heremiet naar een zolder verhuisde. Inmiddels zijn bijna alle kluizenaarshutten verdwenen.

Dat geldt niet voor Frankendael, waar de hermitage nog altijd op een eilandje staat in wat nu een park is. De pop van de kluizenaar is veilig opgeborgen in het Amsterdam Museum. Enkele hermitages bleven bewaard of zijn weer opgeknapt en hersteld. Maar de cultuur waar ze ooit voor stonden en alle symbolische verwijzingen die ze in zich droegen, zijn nauwelijks meer invoelbaar voor het publiek van nu. Mensen wandelen er langs zonder de hermitage op te merken of laten er hun hond uit. De schrijver verlangt nog steeds naar stilte, maar niet te veel. Afhaalkoffie in de buurt is belangrijk, en even de e-mail uitzetten betekent doorgaans meer dan voldoende afzondering.

Verder lezen
H.M.J. Tromp, De Nederlandse landschapsstijl in de achttiende eeuw, Sidestone, 2012 (zie ook Sidestone.com).

Delen: