Natuurramp: straf van god?

lisbon-burning

 

Bij een recente vulkaanuitbarsting in Guatemala zijn zeker 25 mensen omgekomen en honderden mensen gewond geraakt door lavastromen. Bijna niemand zal dit duiden als een straf van god. Een religieuze duiding van aardbevingen, vulkaanuitbarstingen of overstromingen was tot de 19de eeuw juist veelvoorkomend. Op het breukvlak naar een meer rationele benadering bevindt zich de watersnoodramp in Zeeland in 1808. 

 

Bram Verkruysse

 

Categorie natuurrampen 

'Gelijk een lava stroom, als 't dommlen zwaarder wordt, opeens van Etna's kruin zich in de vlakten stort...' , zo stortte de zee zich tweehonderd jaar geleden, in de nacht van 14 op 15 januari 1808, over de stad Vlissingen uit. Bij de watersnood van 1808 overstroomden in Zeeland 93 polders, maar ook in Zuid-Holland en Vlaanderen was veel schade. Het aantal menselijke slachtoffers was betrekkelijk klein, maar juist Vlissingen werd met 31 doden zwaar getroffen. De vergelijking met een lavastroom is van de Vlissingse predikant Cornelius van Epen, die de gevolgen van een orkaan en springvloed hiermee in de categorie natuurrampen indeelt. Daar waar mensen wonen aan de kust, op een vulkaan, aan een rivier of in de bergen, daar waar zij profiteren van de vruchtbare grond, de scheepvaart of anderszins van de natuurlijke omstandigheden, daar worden zij af en toe getroffen door een ramp veroorzaakt door diezelfde natuur. Dat is het risico.

 

Lesje leren 

De verschrikkingen van rampen fascineren veel mensen en historische natuurrampen zijn dan ook vaak van commentaar voorzien. Tot de verbeelding spreekt bijvoorbeeld het ooggetuigenverslag van Plinius de Jongere van de uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 79, niet in het minst omdat hij daarin ook de verstikkingsdood van zijn oom Plinius de Oudere beschrijft. Het commentaar op rampen bestaat meestal uit een meer of minder spectaculaire en aan de emoties appellerende beschrijving, maar soms ook uit een verklaring of duiding in welk geval er vaak lessen worden getrokken. Rampen hebben niet alleen een directe en verschrikkelijke impact op het menselijk bestaan, maar zijn indirect ook van invloed op hoe met de gevaren van de natuurlijke omgeving wordt omgegaan.

 

Straf van God

In een historisch onderzoek naar de beleving van risico's van de natuurlijke omgeving zijn reacties op rampen een nuttige bron. De beschrijving van natuurrampen levert naast een subjectief feitenrelaas van een bepaalde getuige ook een indruk van het begrip dat de schrijver had van de werking van de natuur. In de duiding van de ramp komt de verhouding van de mens tot de natuur en tot God tot uitdrukking. Rampen spelen daardoor een belangrijke rol in zowel het theologische als in het technisch-wetenschappelijke debat. Het verwondert niet dat overstromingen in de vergelijking met de bijbelse zondvloed vaak als waarschuwing of straf gezien werden.

 

Grote aardbeving in Lissabon 

De historicus Jan Willem Buisman heeft laten zien dat er naar aanleiding van de grote aardbeving van 1755 in Lissabon een reeks aan reacties in kranten, tijdschriften en pamfletten volgde. Dat kwam niet alleen doordat de aardschokken zo hevig waren dat zelfs in de Republiek een vloedgolf en slingerende kroonluchters waren waargenomen. In heel Europa werden allerlei rampzalige verschijnselen met de aardbeving in verband gebracht.

Religieus van aard waren de reacties van protestanten, die de aardbeving zagen als Gods wraak over de inquisitie, terwijl katholieken vonden dat de protestanten vanwege hun eigen zonden geen recht van spreken hadden. Anderen worstelden met het theodicee-probleem, de vraag naar de rechtvaardigheid van het door God gezonden leed. Fideïstisch waren de reacties waarbij de menselijke onwetendheid over de bedoelingen van God benadrukt werd. En uiteraard klonken er preken waarin de aardbeving als voorteken van het Laatste Oordeel gezien werd, al dan niet als aankondiging van de vernietiging van de rooms-katholieke kerk. In de meer verlichte reacties van de fysico-theologen werd de aardbeving daarentegen beschouwd als uiting van de almacht en majesteit van God. Zij streefden immers naar inbedding van de natuurwetenschap in de theologie: de natuur als Godsopenbaring. Ten slotte waren er naar aanleiding van Lissabon ook commentatoren die elke religieuze interpretatie afwezen.

 

Dankzij de dijken

Er is een verschil tussen natuurrampen als een aardbeving en een overstroming. Een overstroming kan immers voorkomen worden als de dijken maar sterk en hoog genoeg zijn. Dat is duur en vereist veel samenwerking, maar het effect is voor iedereen zichtbaar: het werkt wel of het werkt niet. De vraag kan zelfs gesteld worden of een dijkdoorbraak wel als een echte natuurramp gezien kan worden. Aan de kust zijn immers alleen de storm en de springvloed van natuurlijke oorsprong. Al het andere - de dijk zelf, maar zelfs ook de waterstanden en krachten aan een bedijkte kust - zijn door mensenhand tot stand gekomen of op zijn minst beïnvloed.

 

Techniekoptimistische gedachten 

Toch blijken er ook ten aanzien van dijkdoorbraken volop religieuze opvattingen bestaan te hebben. Het historisch vertrouwen in dijken is voor Sleeswijk-Holstein onderzocht door Marie Luisa Allemeyer. Daar blijken vanaf de 17de eeuw verschillende benaderingen naast elkaar te bestaan, grofweg variërend van religieuze berusting omdat 'alles in Gods hand ligt' tot Verlichte en techniekoptimistische gedachten inzake maakbaarheid. In de periode van de 17de tot in de 19de eeuw heeft zich langs diezelfde lijnen ook een verschuiving voorgedaan: van de natuurramp als uiting van goddelijke almacht naar een seculier-wetenschappelijke verklaring van het natuurgeweld. Geholpen door het doen van objectieve waarnemingen ontwikkelde zich ook het denken in termen van kansen. Reeksen van waterstandsmetingen geven een beter inzicht in hoe waarschijnlijk een extreem hoogwater is, en dat maakt het ontwerp van veiliger dijken mogelijk.

 

Klagen en beschrijven

De bronnen voor een mentaliteitsgeschiedenis van natuurrampen bestaan niet alleen uit de berichtgeving in kranten en tijdschriften of uit religieuze of theologische teksten zoals preken, biddagteksten, klaagzangen en verhandelingen. Na een natuurramp moesten er immers ook hulpacties op gang komen. De verschenen beschrijvingen, verslagen, beschouwingen en pamfletten vormden vaak zowel een oproep tot financiële hulpverlening als een verantwoording van de zaken waarvoor de hulp nodig is. In het technisch-wetenschappelijke debat spelen bovendien ook traktaten en prijsvragen een rol.

Bij de watersnood van 1808 in Zeeland kennen we ten minste drie gedrukte Zeeuwse commentaren van tijdgenoten: de Klaagzang bij den vreselijken storm en watervloed van de eerdergenoemde Vlissingse predikant Cornelius van Epen, de Natuur- en geschiedkundige beschrijving van den watervloed van de lector wis-, natuur- en sterrenkunde Johan de Kanter Phil.zn. en de Natuur- en geschiedkundige beschrijving van den verschrikkelijken watervloed van de Middelburgse predikant Sander van Hoek

 

Hulpvraag articuleren

De klaagzang is in dichtvorm geschreven, terwijl de beschrijvingen een systematische hoofdstukindeling hebben. De drie werken hebben gemeen dat zij hun lezers onderhoudend willen informeren en onderwijzen en dat zij de hulpvraag willen articuleren. De schrijvers laten niet na om extra aandacht te vragen voor de ramp in zijn politieke en economische context. Zeeland was immers al enkele decennia in verval en het werd dan ook zeer gewaardeerd dat koning Lodewijk Napoleon kort na de ramp generaal-majoor C.R.Th. Krayenhoff naar het rampgebied stuurde. Overigens had Lodewijk in 1807 de gevolgen van de Leidse buskruitramp in eigen persoon in ogenschouw genomen en dat zou hij ook doen tijdens de grote rivieroverstromingen in 1809.

 

Vlissingen

De waternood van 1808: in Vlissingen lopen de straten onder. Bewoners vluchten naar een hogere verdieping en wachten op hulp. In totaal vallen er 31 doden. 

 

Een knorhaan op de Lijnbaan

In de drie genoemde commentaren worden feiten gegeven, vaak in vergelijking met andere rampen. Een ijkpunt is de stormvloed van 1775, een van de zwaarste watersnoden van de 18de eeuw. Ook dan is er water in Vlissingen, maar dat wordt achteraf geweten aan de onachtzaamheid van de dokmeester en de slechte gesteldheid van de dokdeuren, niet aan de storm.

Uit de bronnen over 1808 kennen we waterstanden van verschillende plaatsen en tijdstippen. De beschrijvingen vormen een inventarisatie van de schade in de stad en op het platteland. Er worden aantallen genoemd, van slachtoffers onder de mensen en het vee en van overstroomde huizen en kerken. Belangrijk in verband met het herstel is of dijken en vloedplanken slechts overstromen of ook doorbreken. Men realiseert zich dat het zout nog langere tijd schade zal geven en dat de ramp nog erger had kunnen zijn als er ook branden waren ontstaan. In Vlissingen lopen immers veel slaapvertrekken vol, waardoor de tafels waarop nachtlicht brandt, tot aan de zolders worden opgeheven.

Uiteraard is er veel aandacht voor de menselijke drama's, van zowel verdrinking als redding, en voor de solidariteit die tijdens en na de ramp ontstaat. Bovendien worden de autoriteiten geprezen om hun acties, zoals het toestaan van godsdienstoefeningen in andere kerken dan de door de ramp getroffen gebouwen.

De commentaren krijgen extra kleur door het vermelden van opmerkelijke feitjes, zoals de vondst van een knorhaan op de Lijnbaan. Een vis dus, een rode poon, op de plaats waar twee eeuwen eerder de jonge Michiel, die de trots van Vlissingen zou worden, het touwslaan leerde.

 

Tucht en waterkeringen

De vraag is hoe de mentale houding was ten aanzien van de ramp en of religieuze duidingen in 1808 nog een rol speelden. Van de drie genoemde commentatoren kan Johan de Kanter gezien worden als representant van een groep met de meest rationeel-wetenschappelijke benadering. Hij was namelijk docent aan het departementale instituut voor dijken en waterweringen en lid van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.

De Kanter geeft aan dat een van de oogmerken van zijn verhandeling is om 'minkundig Lezeren, met de natuurlijke oorzaken van zoodanige vreeselijke overstroomingen, welke velen voor bijna boven-natuurlijk houden, eenigermate bekend te maken'. Hij had kennelijk een missie ten aanzien van wetenschappelijke verklaringen. De Kanter drukt zich zeer voorzichtig uit en zegt zich open te stellen voor betere denkbeelden, maar kan het ook niet laten om de verantwoordelijken voor de Zeeuwse zeeweringen op te roepen tot meer opmerkzaamheid en vergroting van hun kennis.

 

Deze oud-notaris uit Zierikzee, autodidact in de natuurwetenschappen, patriot ook, geeft een uitstekende analyse van de fysisch-geografische ligging en kwetsbaarheid van het gebied, van de natuurkundige krachten van de zee én van de technische werking van de waterkeringen. Ook legt hij een verband tussen de toegenomen waarde van het maatschappelijk leven en de meer algemene zucht naar beveiliging.

Toch is zijn opvatting niet onreligieus. Voor zowel de getijden als de stormen geeft hij een fysico-theologische verklaring. De schepper heeft immers de zon en maan bevel gegeven om de zee om te roeren en zo bederf, dat voort zou komen uit stilstand, te voorkomen. En omdat ook een stille dampkring zou gaan rotten, is er wind, die zowel 'verkwikkende zomerkoeltjes' als stormen en orkanen vormt, maar voor het geheel een zegen is.

Wat het technische vermogen van de mens betreft, daarover spreekt hij zijn bewondering uit én dank aan God die dat gegeven heeft. Voorts waarschuwt hij tegen slecht onderhoud van de dijken en voor de verwachting dat Vlissingen nog wel vaker getroffen zal worden.

 

Toch wel straf van God? 

Op het moment dat de lezer zou kunnen denken dat hij een sluitend verhaal heeft, wil De Kanter toch nog een misverstand voorkomen. De lezer moet niet denken dat de ramp géén straf van God is. Volgens De Kanter heeft God de teugels over de natuur en de zedelijke wereld niet losgelaten en tuchtigt hij de mens met orkanen en golven, met bliksem en hagel, met legers van miljoenen sprinkhanen, en met de vreselijkste van alle rampen: de in legers te wapen geroepen mens zelf.

Bij Johan de Kanter blijken de rationeel-wetenschappelijke en de religieuze benadering van de natuurramp nog naast elkaar te bestaan. Hoewel wat minder uitgesproken blijkt datzelfde ook uit de commentaren van de Cornelius van Epen en Sander van Hoek, maar dat waren dan ook predikanten. In 1808 wordt in Zeeland de natuurramp fysico-theologisch begrepen. Het lijkt een technische benadering van de natuur en de veiligheid niet in de weg te staan en de noodhulp wordt uiteraard ook dankbaar aanvaard, maar voor de uiteindelijke oorzaken en duiding wendt men zich tot de godsdienst. De verschuiving naar een seculiere benadering heeft zich bij deze commentatoren nog niet voltrokken. Johan de Kanter bleef nog jaren actief en schreef later opnieuw een 'natuur- en geschiedkundige beschrijving', nu van de grote watersnood in 1825, die vooral het noorden van het land trof.

 

Bram Verkruysse is docent watermanagement aan de Hogeschool Zeeland en doet promotieonderzoek naar de historische beleving van risico's aan de kust.

 

Afbeelding De aardbeving in Lissabon in 1755 schokte het vertrouwen in God en natuur bij velen in Europa. De hier getoonde gravure is contemporain. 

 

Dit artikel verscheen eerder in Geschiedenis Magazine en wordt u nu cadeau gedaan. De nieuwste artikelen op papier lezen? Neem een abonnement! 

Aanmelden nieuwsbrief