Veldheer Willem van Oranje

Harmsen4

 

Voorjaar 1568. Verscheidene legers onder aanvoering van de rebel Willem van Oranje vallen de Habsburgse Nederlanden binnen. Nabij Heiligerlee winnen de opstandelingen op 23 mei de eerste veldslag van wat later de Tachtigjarige Oorlog is gaan heten. De invasie van 1568 loopt echter uit op een complete mislukking. Latere historici, om te beginnen P.J. Blok in zijn boek Willem de Eerste. Prins van Oranje (1919), maakten hieruit op dat Willem meer diplomaat was dan militair en die visie sloeg aan: Willem geldt nog altijd als een armzalig veldheer. Een onverdiend imago! Dit is de vaste overtuiging van conservatoren Jeroen Punt en Louis Ph. Sloos van het Nationaal Militair Museum. Geschiedenis Magazine sprak met hen over de tentoonstelling die ze maakten over Willem, waarin ze willen aantonen dat hij juist een échte militair was. Zo smeedde hij briljante plannen voor de campagne van 1568.

 

De kneepjes leren van een vechtmeester

Willems adellijke afkomst is van doorslaggevend belang om hem te begrijpen. Hij werd in 1533 geboren in de Dillenburg in het Heilige Roomse Rijk als zoon van de lutherse Willem de Rijke, graaf van Nassau. Jeroen Punt vertelt hoe aan het begin van de vroegmoderne tijd de opvoeding van een edelman als Willem, net als in de Middeleeuwen, begon bij het aanleren van militaire vaardigheden. Toen hij als jongen een hoge titel erfde en in de Nederlanden kwam wonen, kreeg hij hier dan ook een opleiding ‘gericht op de vechtkunst’. Deze titel, prins van Orange, erfde hij samen met grote landerijen in de Nederlanden van zijn kinderloos gesneuvelde neef René van Chalon. Keizer Karel V, tevens heer over de Nederlanden, keurde deze overdracht goed, op voorwaarde dat Willem als katholiek zou worden grootgebracht aan het hof van de Habsburgers in Brussel. En zo kwam de jonge prins als elfjarige naar Breda waar de Nassau-familie een kasteel had, en pendelde hij tijdens zijn opleiding heen en weer naar Brussel.

 

Theorie van de krijgskunst

Als knaap ‘ging Willem mee naar toernooien en leerde van een vechtmeester de fijne kneepjes. Het vuurwapen kwam al op, maar de adel zag dit nog steeds als minderwaardig wapen. Willem leerde vooral vechten met zwaard en stokwapens’, geeft Punt aan. De expositie toont het soort zwaarden, lansen en hellebaarden waarmee de prins vertrouwd was. Het is vrij zeker dat hij ook de theorie van de krijgskunst leerde, al is niet duidelijk wat exact. ‘Op de tentoonstelling is een boekenkist te zien van Willem, met daarin onder meer twee militaire werken,’ vertelt Louis Sloos. ‘Als boekwetenschapper kan ik echter zeggen dat het lastig is om te bepalen of iemand ze ook daadwerkelijk heeft gelezen.’ Het is daarom niet vast te stellen of de prins in de klassieken is gedoken om de krijgskunst te bestuderen, zoals later zijn zoon Maurits deed die net als Willems andere zoon Frederik Hendrik bekendstaat als bekwaam veldheer.

 

Leerschool: de Italiaanse Oorlog

Zo kreeg Willem op zijn achttiende direct een aanstelling in het leger van Karel V - het document is te zien op de expositie. De prins viel met zijn neus in de boter, want hij kon meteen meedoen in de oorlog die in 1551 uitbrak en tot 1559 duurde; het was de laatste van de zogeheten Italiaanse oorlogen, een reeks machtsconflicten tussen de Habsburgers en Frankrijk die sinds 1494 werden uitgevochten en waarbij afwisselend andere West-Europese mogendheden waren betrokken.

Een groot deel van deze oorlog kon men Willem van Oranje bezig zien als militair (naast zijn diplomatieke missies). De Italiaanse Oorlog was een goede leerschool voor hem. ‘Willem had ook militair kunnen worden op een moment dat er geen oorlog was,’ zegt Sloos. Dan had hij niet de ervaring op kunnen doen die hij nu kreeg.'

 

Een eigen compagnie

In deze tijd gold nog het middeleeuws gebruik dat de ridders in een oorlog zelf troepen leverden voor hun heer. Zo voerde Willem in 1551 zijn eigen compagnie van 200 tot 250 ruiters aan, een zogeheten bende van ordonnantie, die hij van zijn eigen geld moest betalen. Dit bracht enorme kosten met zich mee, maar de prins kon leunen op het fortuin van zijn vrouw Anna van Egmont, met wie hij in 1551 getrouwd was.

Willem diende in de eerste jaren onder de gerespecteerde Filibert van Savoye en de beruchte Maarten van Rossum, die wel de Gelderse Atilla werd genoemd: hij stond bekend als een dodelijk effectief veldheer die vijandelijke vestingen en steden tot overgave dwong door het omliggende platteland te vernietigen en de boeren te doden. Maar hoe ver de invloed van deze militairen reikte? ‘Het is moeilijk te zeggen of Willem iets van hen geleerd heeft,’ stelt Sloos. Van Rossum stierf in 1555 en Savoye was toen enige tijd afwezig - waar hij was is onduidelijk.

 

Willem had een eigen visie

Karel V benoemde daarom Willem in 1555 (22 jaar oud) tot opperbevelhebber in Noord-Frankrijk en Willem toonde hier direct dat hij een andere lijn zou volgen dan zijn voorgangers, die geneigd waren agressiever te handelen. ‘Je had vechtgeneraals en minder vechtlustige generaals,’ vervolgt Sloos; ‘Willem was juist voorzichtig, maar hij voer direct zijn eigen koers.’ 


Waarin was hij voorzichtig? En wat voor argumenten hebben Jeroen Punt & Louis Sloos nog meer om Willem van Oranje te beschrijven als een briljant veldheer? Lees het in ons juni-nummer - vanaf 25 mei in de winkel! 

 

Afbeelding: Het beleg van Saint-Quentin, 1557. Hier vocht ook Willem van Oranje mee. Nicola Granello en Frabrizion Castello, fresco in de Hal der veldslagen van het Escorial, Spanje.

Aanmelden nieuwsbrief