Rembrandt in Amerika

Rembrandt Amerika II

 

Kunsthandelaar Jan Six heeft een nieuwe Rembrandt ontdekt. Portret van een jonge man is komende maand in de Hermitage te bewonderen, daarna wil Six het kunstwerk verkopen. Waar gaat het heen? Misschien wel naar de VS, waar 'Rembrandts' vanaf het begin van deze eeuw veelvuldig in particuliere bezit te vinden waren. Waar komt die Amerikaanse liefde voor onze meesterschilder vandaan? Het heeft alles te maken met de Duitse kunsthistoricus Valentiner.

 

Herman Beliën en Paul Knevel

 

Ondeskundig en ongevaarlijk
Wat een opwinding moet er onder de bezoekers zijn geweest die de eerste volwaardige Rembrandt-expositie bezochten: een in 1898 ter gelegenheid van de kroning van koningin Wilhelmina georganiseerde overzichtstentoonstelling. In het nieuwe Stedelijk Museum van Amsterdam kon men toen voor het eerst kennismaken met een substantiële selectie uit het veelzijdige en intrigerende oeuvre van Nederlands beroemdste schilder. Tal van werken die in de loop van de tijd naar het buitenland waren verdwenen, keerden voor even terug op Nederlandse bodem. Onder de geëxposeerde werken bevond zich echter geen enkele 'Rembrandt' uit Amerikaans bezit, en dat terwijl er in de afgelopen jaren toch zo'n vijftig 'Rembrandts' in handen waren gekomen van rijke Amerikaanse verzamelaars. Als een gemis werd het evenwel niet ervaren. Wat wisten die Amerikanen nu van oude Nederlandse kunst? Voorlopig werd de recente Amerikaanse aandacht voor Rembrandt en andere Europese connaisseurs afgedaan als ondeskundig en ongevaarlijk.

 

Blockbuster
Ruim tien jaar later bleek dat niet langer vol te houden. Op 20 september 1909 opende het New Yorkse Metropolitan Museum of Art zijn deuren voor een dubbeltentoonstelling over Nederlandse schilderkunst van de Gouden Eeuw en Amerikaanse kunst uit de 19de eeuw. De tentoonstelling was onderdeel van de feestelijke herdenking van het feit dat Henry Hudson driehonderd jaar eerder in dienst van de Verenigde Oostindische Compagnie bij toeval Manhattan en het achterland had ontdekt. Tegelijkertijd werd herdacht dat Robert Fulton in 1809 een monopolie had aangevraagd voor de vaart over de Hudson per stoomboot.

 

Het Nederlandse gedeelte van de Hudson-Fultontentoonstelling illustreerde de enorme vorderingen die de Amerikaanse verzamelaars in de afgelopen periode hadden gemaakt. Voor het eerst kon in Amerika een blockbuster met 17de-eeuwse Nederlandse kunst uit eigen bezit worden georganiseerd die de vergelijking met Europese tentoonstellingen van Oude Meesters gemakkelijk kon doorstaan: in de tentoonstellingszalen van de Metropolitan hingen 150 schilderijen, waaronder maar liefst 37 'Rembrandts', twintig 'Frans Halsen' en zes 'Vermeers'. Het was slechts een selectie van het totale Amerikaanse bezit. In een terugblik op de tentoonstelling rekende de samensteller, Wilhelm Reinhold Valentiner, zijn Europese collega's voor dat in Amerika zo'n 350 schilderijen uit de Gouden Eeuw te vinden waren, waaronder 70 'Rembrandts', 40 'Frans Halsen', en zeven 'Vermeers'. Daar bleef het niet toe beperkt; ook de andere Europese schilderscholen waren ruim vertegenwoordigd: 'Na de omvangrijke aanwinsten van de Amerikaanse verzamelaars in de afgelopen twintig jaar zou men met evenveel geluk de Engelse en Franse kunst van de 18de of 19de eeuw, of zelfs de oudere Italiaanse of Spaanse kunst hebben kunnen tentoonstellen.' Hier was iets groots volbracht, zoveel was duidelijk.

 

Internationale competitie
In 1908 was de jonge Duitser Valentiner naar New York gekomen, met geleend geld voor de bootreis en op voorspraak van de beroemde Duitse kunsthistoricus en Rembrandt-kenner Wilhelm Bode. Hij was binnengehaald als conservator van het nieuwe opgerichte Department of Decorative Arts van het Metropolitan Museum of Arts. In 1905 had Valentiner zich voor het eerst als kunsthistoricus laten gelden met de publicatie van zijn dissertatie Rembrandt und seine Umgebung. Daarin toonde hij zich een oplettende leerling van de school van Bode: voortbouwend op diens positivistische benadering probeerde hij het werk van Rembrandt te koppelen aan zijn omgeving zoals die uit archivalische bronnen te reconstrueren viel. Dezelfde Bode had hem vervolgens naar het Kaiser Friedrich-Wilhelm Museum in Berlijn gehaald om hem verder in te wijden in museale kwesties en kunsthistorisch onderzoek.

Valentiner bleek een veelzijdig man die met speels gemak zijn aandacht verdeelde over verschillende onderzoeksterreinen. Hij beleefde evenveel plezier aan de bestudering van islamitische kunst als aan onderzoek naar oude Italiaanse meesters en moderne kunstenaars. Ondertussen werd Rembrandt niet vergeten. Speciaal ter gelegenheid van het Rembrandt-jaar in 1906 verzorgden Bode en Valentiner gezamenlijk Rembrandt in Bild und Wort. Valentiner schreef het inleidende essay, waarin hij niet allen de artistieke ontwikkeling van Rembrandt duidde, maar ook nader inging op zijn betekenis voor de moderne kunst.

 

Rembrandt Amerika III

Portret van William R. Valentiner, Liselotte Moser, 1920

 

Een echte connaisseur

In 1909, op het moment van de opening van de Hudson-Fultontentoonstelling, was Valentiner nog geen dertig jaar oud, maar al internationaal bekend als een groot kenner van de Nederlandse schilderkunst van de 17de eeuw in het algemeen en het oeuvre van Rembrandt in het bijzonder. Die reputatie had hij niet alleen aan zijn samenwerking met Bode te danken. In de jaren na zijn dissertatie had Valentiner in een sneltreinvaart artikelen gepubliceerd in de belangrijkste Amerikaanse, Duitse en Nederlandse kunsthistorische vaktijdschriften. De erkenning kwam in 1908, toen hem werd gevraagd een nieuwe editie te verzorgen van Adolf Rosenbergs monografie over Rembrandt in de prestigieuze serie 'Klassiker der Kunst'.

 

Valentiner telde voortaan definitief mee als connaisseur. En wat belangrijker was: hij had uitgesproken meningen. Waar Rosenberg in zijn eerste editie van Rembrandt, des Meisters Gemäld, uit 1904, 398 werken als eigenhandige 'Rembrandts' had geaccepteerd, kwam Valentiner vier jaar later al uit op een aantal van 643. De felle discussies die hij daarbij met de Nederlandse Rembrandkenner Abraham Bredius aanging, maakten duidelijk dat Valentiner zijn nieuwe rol as autoriteit met verve en zelfvertrouwen vervulde. Valentiner waardeerde de levendige belangstelling waarin musea als de Metropolitan zich konden verheugen. Die betrekkelijk recente musea konden echter niet zonder de steun van de nieuwe elite. Ook deze leerde Valentiner spoedig kennen. Aanvankelijk was hij teleurgesteld geweest over de stadspaleizen die de Vanderbilts, Havenmeyers, Huntingtons en al die andere rijke New Yorkers langs Fifth Avenue hadden laten bouwen. Hij had er zoveel over gehoord, maar nu hij er zelf langs liep kon hij zich amper voorstellen dat ze miljoenen dollars hadden gekost. Gelukkig ontdekte hij al snel de kunstverzamelingen die in verschillende van deze huizen te vinden waren. Veel eerder dan zijn Europese collega's leerde Valentiner zo de betekenis van de nieuwe generatie Amerikaanse kunstverzamelaars kennen, die in de Oude Wereld maar al te vaak werden afgedaan als 'snobs'en patsers, 'miljonair verzamelaars' die kunst kochten alsof het bedrijven betrof. Valentiner wist wel beter. Dankzij hun liefde voor kunst, doorzettingsvermogen en goed gevulde beurzen kon het Amerikaanse kunstbezit inmiddels de vergelijking met Europa gemakkelijk aan.

 

Vlijmscherpe karakterisering
In de catalogus die de tentoonstelling begeleidde, lichtte Valentiner zijn keuzes toe. De tentoonstelling omvatte de gehele bloeiperiode van de Nederlandse schilderkunst, van de voorzichtige opkomst met Frans Hals tot de nabloei in het kleine oeuvre van Johannes Vermeer. De onbetwiste ster van de tentoonstelling was echter Rembrandt. In zijn werk kwam volgens Valentiner het beste van wat de Nederlandse kunst in de 17de eeuw te bieden had samen. Geen enkele Nederlandse schilder had zich in de jaren tussen 1650 en 1669 aan zijn invloed kunnen onttrekken. In het werk van Rembrandt prees Valentiner het technisch meesterschap, zoals dat in zijn licht-donker-werking en gebruik van lichtbronnen naar voren kwam. Ook waardeerde hij de weergave van de emoties en de vlijmscherpe karakterisering van de afgebeelde hoofdpersonen. Valentiner vergeleek Rembrandt in dat opzicht met Shakespeare: wat die met woorden wist te bereiken, deed Rembrandt met verf. Door Rembrandts psychologische inzichten viel in zijn oeuvre, dat volgens Valentiner voor tweederde uit zelfportretten en portretten van vrienden bestond, dan ook een duidelijke ontwikkelingsgang te ontdekken die zijn veranderende levensomstandigheden weerspiegelde. Begonnen als een 'modieuze schilder' die zich richtte naar de wensen van zijn opdrachtgevers, ontwikkelde hij al snel een levendigheid die het werk van Peter Paul Rubens en Frans Hals naar de kroon stak. In de jaren 1640 volgede na de dood van zijn vrouw Saskia van Uylenburgh een periode van 'geïnspireerde rust' die in zijn laatste levensfase plaatsmaakte voor melancholie en reflectie. In deze periode bereikte Rembrandts werk de grootste diepgang.

 

Valentiner prees zich dan ook gelukkig dat juist die laatste periode van Rembrandts leven zo goed vertegenwoordigd was in de Amerikaanse particuliere verzamelingen. Hier kon je topwerken zien als het majestueuze zelfportret uit 1658, de liefdevolle portretten van Hendrikcje Stoffels en de intrigerende De man met het vergrootglas en De vrouw met de roze bloem, volgens Valentiner te beschouwen als portretten van Rembrandts zoon Titus en diens vrouw Magdalena van Loo. Kortom, wie Rembrand wilde leren kennen, kon voortaan in Amerika terecht.

 

Amerika Rembrandt I

Portret van Amsterdamse koopman Nicolaas Ruts, door Rembrandt, 1631. In 1909 hing dit doek, toen in het bezit van de Amerikaanse bankier John Pierpont Morgan, op de Hudson-Fulton tentoonstelling. 

 

Gulden Tijdperk
Wie waren die Amerikaanse bezitters van schilderijen van Rembrandt? Uit de lijst van inzenders blijkt dat er 35 particulieren hun Nederlandse schilderijen ter beschikking hebben gesteld door de Hudson-Fultontentoonstelling. Ze waren afkomstig uit grote steden in het oosten van de Verenigde Staten. Negentien van hen brachten een of meer 'Rembrandts' in. Elf daarvan woonden in New York. Onder de New Yorkse 'groot-Rembrandt-bezitters' – zij die twee of drie schilderijen van de meester uitleenden – bevonden zich de steenkolenmagnaat Henry C. Frick, de financier en spoorwegondernemer George J. Gould, Mrs H.O. Havemeyer, echtgenote van een eigenaar van suikerraffinaderijen, Mrs. C. Huntington, de vrouw van een spoorwegeigenaar, de bankier J.Pierpont Mrogan en de eigenaar van een 'department store' Benjamin Altman. Dit lijstje maakt duidelijk om wat voor mensen het ging. Het betrof nieuwe Amerikaanse rijken, die in de zogeheten Gilded Age (Gulden Tijdperk) een enorm bezit hadden verworven en hun Amerikaanse droom hadden verwezenlijkt. Dat was ze doorgaans in betrekkelijk korte tijd gelukt. In 1860 waren er slechts drie miljonairs in de Verenigde Staten; veertig jaar later was dat aantal uitgegroeid tot maar liefst 3800. Deze enorme toename van superrijken illustreerde de enorme economische bloei na de Burgeroorlog. Deze schiep kansen voor industriëlen en handelaren om zich in heel korte tijd te verrijken door gebruik te maken van de natuurlijke rijkdommen van het land zoals olie, van de opkomende industrie en van de behoefte aan transportmiddelen zoals de spoorwegen. De Amerikaanse romanschrijver Mark Twain heeft dit Gulden Tijdperk gekenschetst als een tijd van nietsontziend individualisme en buitensporig materialisme. In dat opzicht toonden de meesten van deze nieuwe rijken zich inderdaad volwaardige representanten van het tijdvak: zij leefden zich uit in opzichtig consumptiegedrag, waaronder hun dure huizen aan de deftige Fifth Avenue, en onderhielden een druk en veelvuldig becommentarieerd societyleven.

 

In dit alles onderscheidden zij zich nauwelijks van de levensstijl van oudere, Europese elites. Tot die levensstijl behoorde ook het verzamelen van kunst. Aanvankelijk beperkten de Amerikaanse rijken zich tot traditionele verzamelobjecten als Chinees porselein, antieke meubelen en tapijten, 18de-eeuwse Engelse kunst en werken van Amerikaanse levende meesters. Die laatsten maakten aan het einde van de 19de eeuw plaats voor oude kunst. Hoewel een enkeling vol passie moderne kunst ging verzamelen, keerden de meeste verzamelaars zich van de levende meesters af. Zij mistten de affiniteit met de moderne kunst en blikten liever terug. Ze probeerden vervolgens allemaal werk van Italiaanse schilders uit de Renaissance, van Vlaamse en Duitse primitieven en van Hollandse Meesters uit de 17de eeuw te verwerven. Zij wilden zich omringen met klinkende namen uit het verleden. Rembrandt mocht daarin niet ontbreken.

 

Rol van zijn leven

In hun pogingen 'Rembrandts' te verwerven waren deze nieuwe kunstverzamelaars afhankelijk van gehaaide kunsthandelaren en kenners als Wilhelm Valentiner. Deze speelde de rol van zijn leven. Hij onderhield goede contacten met deze superrijke verzamelaars en stond ze bij met raad en daad. Niet zonder trots op zijn eigen rol en met een chauvinisme dat de nieuwkomer verraadde, maakte hij in 1914 de balans op van gewonnen en verloren 'Rembrandts' in de jaren sinds 1909: 'America has added to its possessions 34 paintings, 32 by acquistition, two by discory – and has lost 2; Germany has added 11 – 10 by acquisition, six by discovery – and has lost 4; England has added eight, 2 by acquisition, six by discovery – and has lost 20; France has added three – 2 by acquisition, 1 by discovery, and has lost 18.' Het verwerven van Rembrandts was een internationale competitie geworden en Valentiners Amerika was duidelijk aan de winnende hand.

 

Afbeelding: Rembrandt, Storm op het meer van Galilea, 1633. Dit schilderij kwam in 1858 in Amerika terecht. In 1990 werd het gestolen uit het Isabella stweart Gardner Museum, Boston. 

 

Over de auteurs: Paul Knevel doceert geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Herman Beliën was eveneens docent aan de Universiteit van Amsterdam. Hij overleed in 2013.

 

Meer lezen over Rembrandt? Klik hier voor een artikel over zijn leerlingen Bol en Flinck die de kunst van het netwerken beter verstonden dan hijzelf.

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: